Cyriel Buysse, geen sant in eigen land

Tijdens zijn leven [2] is de Nevelse auteur Cyriel Buysse nooit de erkenning te beurt gevallen waarop hij recht had. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Westvlaamse grootmeester, zijn tijdgenoot en ook een beetje concurrent Stijn Streuvels, die wél de waardering genoot die een groot schrijver toekomt [3]. Was Streuvels, om hem maar te noemen, dan zoveel belangrijker of beter of groter dan zijn Oostvlaamse vakbroeder? Natuurlijk niet. Ook Buysse behoorde tot het kruim van literatoren die de faam van onze Letteren tot ver buiten de landsgrenzen uitdroegen, en enkele parels aan de kroon der wereldliteratuur hebben toegevoegd.
Toch moest Buysse het succes ontberen. In het licht van een Victoriaanse moraal – we schrijven eind negentiende eeuw – zelfs niet eens verwonderlijk. Ook Streuvels, om maar iemand te noemen, ondervond aanvankelijk tegenstand. Daar waar Streuvels echter snel in ere werd hersteld, bleef Buysse zijn leven lang verstoken van rehabilitatie.

De vuilschrijver

Alhoewel het oeuvre van de schrijver-op-rijpere-leeftijd geëvolueerd was naar een minder hard realisme (met vaak fijnzinnige humor!), bleef Buysse’s naam synoniem voor ‘vuilschrijver’. Deze bedenkelijke reputatie haalde hij zich op de hals met zijn eerste naturalistische werk en hij zou die slechte naam een leven lang met zich meeslepen als een schandvlek, een erfzonde die hem zelfs tot na zijn dood zou blijven achtervolgen. Buysse bleef tegen wil en dank de naturalist.
In een tijd waarin de ware kunstenaar zich diende geroepen te voelen de mens te verheffen, bestond Buysse het een boek te schrijven waarin dood en verderf de dienst uitmaakten. Het hoeft dus geen betoog dat de sombere novelle De Biezenstekker[4] bij haar verschijnen [5] ophef maakte.
Buysse introduceerde bij deze het naturalisme in de Zuidnederlandse literatuur en hij zal het geweten hebben. Zijn (slechte) naam was meteen gemaakt en net als zijn grote voorbeeld Zola zou hij meer tegenwind krijgen dan hem lief was.
Nochtans is De Biezenstekker een meesterwerk van vertelkunst, en de schrijver bewees ermee dat ook bij ons aan ‘grote’ literatuur werd gedaan. Dit mocht niet baten. Een preutse moraal nagelde de schrijver zonder enige kans op rehabilitatie aan het kruis. Het naturalisme, heviger dan het ermee verwante realisme, exposeert ‘s mensen slechte kantjes en maakt niet zelden gebruik van de onvermijdelijke ingrediënten geweld en seks. Dit was in het Vlaanderen van rond de eeuwwisseling not done. Schrijvers hadden tot taak stichtelijk werk af te leveren, iets waaraan de verpauperde bevolking – zo zij al kon lezen – zich kon spiegelen.
In de deftige familie Buysse-Loveling [6] bleef dit werk evenmin onopgemerkt. Zelfs zijn tante Virginie Loveling, op dit ogenblik reeds een bekende schrijfster, reageerde enigszins onthutst.

Buysse’s tweede naturalistische werk, de ongemeen harde roman Het Recht van den Sterkste (1893) verwekte zo mogelijk nog meer deining. Onder andere om niet te zeggen hoofdzakelijk, de verkrachting van het personage Maria was steen des aanstoots. De hedendaagse lezer komt bewuste passage vrij onschuldig over, te meer als men vergelijkt met hetgeen dagelijks op het kleine scherm vertoond wordt. Toen lag het wel even anders en het moet duidelijk zijn dat de morele (lees: kerkelijke) gezagsdragers allerminst ingenomen waren met het naturalistische proza dat blijkbaar alleen tot doel had zedenverwildering te prediken en te koesteren.
Ik wil u bewuste passus niet onthouden:
… En plots, gelijk een dier, wierp hij haar omver in ‘t koren. Zij had een vreselijke gil geslaakt, zij riep: -Moord! Moord! Moord! driemaal achtereen, maar de laatste verging in een geluid van worging en versmachting: hij was boven op haar gevallen, hij had een greep aarde genomen en stopte haar die in de mond, in de ogen, over geheel haar aangezicht, om haar het roepen te beletten. Toen kon ze zich niet meer verdedigen, zij stikte en spuwde, zij viel in zwijm, ‘t werd nacht om haar heen, de afschuwelijke nacht van ‘t graf, waarin ze zich halfdood, doch met het vlijmend bewustzijn nog te leven en afgrijselijk te lijden, voelde verkrachten en begraven… Hij liet haar eindelijk los,”[7]

Buysse de vuilschrijver dus. En het zou er niet op verbeteren. Schoppenboer [8] (1898) was ook al zo’n ruw boek. En dan volgden de novellenbundels Uit Vlaanderen (1899) en Te lande (1900). Ook Van arme menschen (1901) en het toneelstuk Het Gezin Van Paemel (1903) dragen onmiskenbaar de naturalistische signatuur. In feite was er vanaf 1900 al duidelijk sprake van een kentering. De ‘harde’ naturalist is milder geworden. Hij schrijft zelfs ‘romantische’ romans, naast het pikantere werk. Toch nog een opflakkering in 1908 met Het Volle Leven. De naturalist laat nog één keer van zich horen…

Jaren later, als Buysse al lang een andere Buysse is geworden, noemt het gezaghebbende, katholieke Boekengids in zijn jaargang 1927 (!!) onze schrijver een ‘perversen dekadent‘. In datzelfde artikel krijgen de lezers volgende raad mee: ‘Wie respekt heeft voor zich zelf en rein wil blijven, rake nooit een boek aan van deze auteur, ook liefst niet deze die op zichzelf onschuldig zijn’. [9] Ik zou dit een boycot noemen. Geen wonder dat zijn werk stelselmatig geweerd werd uit de – hoofdzakelijk door de geestelijkheid gecontroleerde – bibliotheken en zelfs verboden lectuur was in het katholiek onderwijs, terwijl een Streuvels of een Conscience om er maar twee te noemen volop voorhanden waren. Vanzelfsprekend liet dit de auteur niet onberoerd. In juni 1905 schrijft hij aan zijn uitgever Van Dishoeck: ‘Vlaamsche leeuwen drinken en brullen; maar boeken koopen!… dat is wat anders.‘ [10] En in een brief aan Emmanuel De Bom [11] – we schrijven 1893, het jaar van Het Recht… – bericht hij dat hij een nieuw werk af heeft en het nog even achter de hand wil houden als antwoord op hen die hem beschuldigen van ‘moedwillige en onartistieke pornographie‘ [12].
Buysse vindt het allemaal zo onrechtvaardig. Alsof het hem om de seks te doen zou zijn. Hij schrijft vanuit het hart, niet meer of minder, en kan er niet bij dat anderen zijn werk ontleden, er diepzinnige betekenissen of wat ook aan toekennen waarvan hijzelf niet eens het bestaan had vermoed. Buysse wil gewoon zichzelf zijn. Hij laat zich niet graag in een hokje duwen, hij schuwt –ismen en is van mening dat een artiest vrij en onafhankelijk moet werken.
Op de bewering dat hij een naturalist zou zijn, reageert hij als volgt: ‘Een realist ben ik zeker, maar of ik een naturalist ben weet ik zelf niet: ik denk het niet.‘ [13]
Het is een veelgehoorde klacht. Ook Streuvels kloeg dat men hem in een vakje wilde stoppen: ‘Ik heb reeds verscheidene malen gehoord dat ze mij willen catalogeren als “De realist van Vlaanderen”. Ik hou daar niet aan. Ik ga onder geen vaantje. Realisme en Naturalisme zijn domme woorden zonder zin.‘[14]
Streuvels oogstte heel wat kritiek met zijn eersteling Lenteleven (1898), o.a. werd hem ‘plat realisme‘ verweten en in de seminaries van Brugge en Roeselare werd het werk in beslag genomen.
Streuvels werd echter gerehabiliteerd. Buysse daarentegen zou impopulair blijven, zijn leven lang. En dat had niet alleen met het naturalisme in zijn oeuvre te maken.

De papenhater

Van huis uit was Buysse liberaal. Vader Louis Buysse was vanaf 1870 liberaal gemeenteraadslid en schepen in de Nevelse raad, tot de verkiezingsnederlaag van ’84 (Schoolstrijd!) een einde maakte aan zijn politieke carrière.
De familie was vrijzinnig, zij het dat vrijzinnigheid daarom nog geen onkerkelijkheid betekende. Moeder Pauline Loveling was katholiek opgevoed en voelde niet de noodzaak de godsdienst te beschimpen of te bespotten. De Buysses gingen ter kerke, werden kerkelijk begraven, en lazen katholieke dagbladen [15].
De waarheid was dat Louis Buysse zich geen antiklerikalisme kon veroorloven. Voordat Virginie Loveling in 1880 in Gent ging wonen schreef ze in La Flandre Libérale dat Nevele met Zomergem en Sleidinge zowat de meest klerikale gemeente in Vlaanderen was [16]. Er was op dat ogenblik een heuse burgeroorlog aan de gang tussen voor- en tegenstanders van enerzijds het vrij (katholiek) onderwijs en van anderzijds het openbaar (staats-)onderwijs: de Schoolstrijd. In 1879 vaardigde een liberaal ministerie de zgn. Ongelukswet uit die het katholiek onderwijs in de ‘verdrukking’ bracht. Het onderwijs in de dorpen was eigenlijk volledig in handen van de kerkelijke overheid. O.a. volgens de nieuwe wet moest iedere gemeente nu tenminste één openbare lagere school hebben, werd het godsdienstonderricht simpelweg van het lesrooster geschrapt en mochten godsdienstlessen enkel buiten de normale lesuren gegeven worden. De bisschoppen reageerden door de gelovigen te verbieden les te nemen of te geven aan een ‘goddeloze’ school. Er ontstond een echte oorlog die dorpen verscheurde en tot drama’s leidde, en waarbij zelfs doden vielen! In 1884 was de schooloorlog voorbij: de liberalen leden een desastreuze verkiezingsnederlaag.
In een dorp waar de pastoor het voor het zeggen had en liberaal synoniem was van antiklerikaal was het voor een ‘homme d’affaires’ als Louis Buysse zaak te overleven. Dus werd de katholieke krant aan de voordeur besteld en de liberale aan de achterdeur.

In het werk van Cyriel Buysse is het antiklerikalisme duidelijk present. Na zijn eerste Amerikareis (1886-’87) schreef hij Iets over de godsdiensten in Noord-Amerika [17] waarin hij het heeft over de ongebreidelde geldzucht der parochieherders aan de overzijde van de oceaan: ‘Het is ongehoord op hoeveel verschillende manieren de herders zo de wol van hun schapen weten te scheren.’ En verder: ‘Dat schooien en het uitbuiten van de gelovige zijn wel – en meer nog dan te onzent – een der karakteristieke zijden van de godsdiensten in Amerika.’ En dat het ingezamelde geld niet alleen aan heiligenbeelden werd besteed zal duidelijk zijn.

Buysse werd verweten een vertekend beeld van de clerus op te hangen. Het is waar, zijn pastoors zijn op gemak en geldgewin uit, en bekommeren zich niet al te veel om hun parochianen. Het zijn machtswellustelingen, snoodaards en comedianten die mijlenver van de oorspronkelijke Leer af staan.
In Paatros (1902) stelt hij de dorpsgeestelijke als bespottelijk voor en laat hij zonder omwegen de minachting blijken die hij koestert voor het godsdienstig fanatisme en de dweepzucht der dorpelingen. Vlaanderen is achterlijk, onwetend en bekrompen, en in plaats van zich te abonneren op een degelijk tijdschrift of eens een goed boek te lezen, ontvangt de dorpeling katholieke bladen! Buysse ‘leest voor’ uit zulke bladen en hij steekt er de draak mee in Belgische intellectuele toestanden. [18]
Hij beschuldigt de Kerk ervan het ontwikkelingspeil van de bevolking bewust laag te houden. Zo schrijft hij in Liberale politiek: ‘Na meer dan twintig jaar klerikale regering zijn o.a. onze scholen beneden peil gedaald. De intellectuele achteruitgang in België is, – de gunstige uitzonderingen niet te na gesproken, – over het algemeen ontzettend. Katholieke regeringen houden niet van de verspreiding van de kennis onder het volk.’[19]
Dergelijke statements werden door de katholieke overheid uiteraard niét op handgeklap onthaald. En wat te denken van z’n typering van de onderpastoor (kapelaan) in ‘n Leeuw van Vlaanderen (1900): ‘Aan de ingang van een van de openstaande deuren, stond meneer Verraert, de onderpastoor van ‘t dorp, een man van een veertigtal jaren, zwaarlijvig reeds, met vurige kwabbewangen en insolente ogen, de dikke, opgeblazen kop van een tiran die te veel wijn drinkt.’ [20]
Ook Het Ezelken (1910) was niet van die orde om de sympathie der gelovigen op te wekken. In de roman voert Buysse een pastoor ten tonele, diens meid en z’n zuster-huishoudster die de spotnaam ‘het ezelken’ draagt.

Buysse heeft echter steeds ontkend dat hij tegen religiositeit was. Het was hem er niet om te doen God te lasteren of godsdienstige gevoelens te krenken. Het was hem er zelfs niet om te doen de clerus omwille van de clerus belachelijk te maken. Buysse kon geen onrecht verdragen en vanuit zijn financieel ongebonden positie bekleedde hij de bevoorrechte post van onafhankelijk toeschouwer. In zijn tijd leefden de lagere klassen allerminst in de idyllische omstandigheden die films zoals Pallieter ons voorhouden. Er was armoede en er heerste zedenverwildering. Huisgezinnen gingen gebukt onder het drankmisbruik, het ontbreken van (of het verbod op) geboortebeperking en de willekeur van de huisbaas. De lonen waren laag, de pachten hoog. Hier heerste het recht van de sterkste. En Buysse die een fijngevoelig man was, en geen onrecht verdragen kon, had zich tot doel gesteld dit onrecht te registreren. Als de clerus dan medeplichtig was aan de uitbuiting van de landlieden was dit niet Buysses schuld… Hij registreerde alleen maar.

In oude tijden werd de brenger van slecht nieuws omgebracht. Precies dit lot viel Buysse nu ten deel.

—wordt vervolgd—

Voetnoten
[1]Voluit Cyrillus Gustave Emile Buysse, ° Nevele 20-9-1859/+Afsnee 25-7-1932. Zoon van Louis Buysse, fabrikant, en Pauline Loveling. Pauline was de zus van de schrijfsters Rosalie en Virginie Loveling.
[2]In feite tot lang na zijn dood.
[3]Erg scherp tekende zich deze tegenstelling met de toekenning van de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Letterkunde 1911 aan Streuvels voor z’n Vlaschaard. Alhoewel Buysses Het Leven van Rozeke van Dalen (’06) de grootste kanshebber scheen, koos de jury toch voor Streuvels. Waardoor die de prijs voor de tweede opeenvolgende keer kreeg. Dit gaf aanleiding tot een heftige polemiek en Buysse schreef hierop het vrij cynische Oprechte Dankbetuiging, dat werd afgedrukt in De Telegraaf van 3-9-1911. Zie VW7 p. 338-344.
[4]Het woord biezenstekker kent in Buysses geboortestreek verschillende betekenissen. Het wordt gebruikt voor ‘een grote groene waterjuffer’ (biezen = waterplanten; men gelooft dat deze insecten kunnen steken of ‘stekken’). Ook gebruikt voor een zangvogel (de grauwe vliegenvanger, Muscicapa striata), die vliegende insecten in de vlucht vangt. In die betekenis ook biestekker of bietjesstekker genoemd. Het woord wordt overdrachtelijk gebruikt voor ‘een tenger knaapje met een onaantrekkelijk uitzicht’. Buysse vroeg aan Kloos om de titel van het werk te vervangen door het meer gangbare en voor Nederlanders begrijpelijker ‘Koekoeksjong’, iets waarop Kloos niet is ingegaan.
Bronnen: De vogels van Aalter en Knesselare. Ivan Hoste. 1987. p. 210.
De biezenstekker/Driekoningenavond. Reeks Klassieken Nederlandse Letterkunde, Culemborg, Tjeenk Willink. Bezorgd in 1977 door A. van Elslander en A.M. Musschoot. Voetnoot 6, p. 9-10.
Met dank aan A.M. Musschoot voor de tip.
[5]De Biezenstekker verscheen voor het eerst in Willem Kloos’ gezaghebbende literaire tijdschrift De Nieuwe Gids (juni 1890).
[6]Virginie Loveling (1836-1923) schreef samen met haar zuster Rosalie (1834-1875) gedichten en novellen. Virginie ontpopte zich tot een begaafde romanschrijfster. Zij was de zus van Pauline Loveling, Buysses moeder, en zou haar neef haar leven lang blijven steunen in zijn literaire ambities. Virginie Loveling en Cyriel Buysse schreven samen de roman Levensleer (1906). Buysses passie voor literatuur zou overigens aan de basis liggen van een breuk met zijn vader die, zakelijk van natuur, al dat geschrijf maar niks vond en in Cyriel veel liever z’n opvolger in de firma had gezien.
[7]Uit Het Recht van de Sterkste, VW1, p. 10-11.
[8]Over de titel Schoppenboer: werktitel was Pijke Zot, wat Zuidnederlands is voor de speelkaart schoppenboer. In het Vlaams krijgt de werktitel een extra pejoratieve dimensie: de ‘pijkezot’ is de zwartepiet uit het bekende kaartspel.
[9]Overgenomen uit Cyriel Buysse te Gent gevierd door A. van Elslander, MB I, 1985, p. 89-100.
[10]Overgenomen uit VW2, Inleiding, p. XV.
[11]Emm. De Bom (1868-1953), bibliothecaris te Antwerpen, medestichter-redacteur Van Nu En Straks, romancier, voorstander van een psychologisch verdiept naturalisme.
[12]Dit werk is Sursum Corda! Zie VW1, Inleiding, p. XXII.
[13]In Den Gulden Winckel, 8° jaargang, 1909, p. 145-151.
Voor de volledigheid moet echter opgemerkt worden dat Buysse in een brief aan De Bom dd. 28 juni 1890 schrijft: “Ge vraagt mij wanneer ik eens een Oost-Vlaanderschen naturalistischen roman schrijf? Ik ben er aan bezig,’
Bewuste roman was Het Recht… Buysse zag zichzelf dus wel degelijk als een naturalist, toen. Maar het klopt dat hij anno 1909 meer realist dan naturalist was geworden. Zie VW1, Inleiding, p. XIV.
[14]Stijn Streuvels. Een terugblik op leven en werk. A. Demedts. Orion, 1971, p. 79.
[15]Toen Rosalie Loveling in 1875 overleed verzetten de Buysses zich tegen een ongewijde begrafenis op het ‘geuzenkerkhof’. Bron: Virginie Loveling en de Schoolstrijd. Daniël Vanacker. In MB III, 1987, p. 98.
[16]On nous écrit de Nevele. In La Flandre Libérale, 12/08/1880.
[17]Dit werkstuk verscheen in Nederlandsch Museum, jg 1889, maar was gedateerd juni ’88. Zie VW7 p. 255-271.
[18]Dit stuk verscheen in Groot Nederland, jg 1903, onder pseudoniem Prosper Van Hove. Zie VW7, p. 3-17.
[19]Verschenen in Groot Nederland, 1904. Zie VW7, p. 57-61.
[20]Overgenomen uit ‘n Leeuw van Vlaanderen, VW1, p. 1000.

Luc Vandaele

Gezondheid & psychologie boeken (468x60)