Verleden week gehoord op Radio Absurdistan [1]: «De Natie der Verenigde Patatten (de NVP), België, ligt weer in taalstrijd. Voor de zoveelste keer wil de Franstalige Patat een stukje grond afnemen van de Vlaamse Patat.»
Radio Absurdistan staat bekend als een betrouwbare verslaggever van wat de patatten van de NVP roert. Het geeft niks dan de feiten. En dat niks valt letterlijk op te vatten. Continu spuwt de zender weetjes uit. Als een seismograaf. Geen commentaar of duiding. Alleen feiten, feiten, en nog eens feiten. De reden daarvoor is simpel: «De redenen van patatten zijn ondoorgrondelijk. [2] » Uitleggen waarom een patat zonodig een taalstrijd wil voeren is onbegonnen werk. Dat is op zijn beurt weer reden genoeg om er niet aan te beginnen. Onbegonnen werk dient er immers voor om er niet aan te beginnen.
Trouwens, er is een veel leukere taalstrijd op komst. De taalstrijd van de toekomst, zeg maar. Volgende week zal Radio Absurdistan melden [3] : «De Natie der Verenigde Patatten is niet meer. Zopas heeft Opperpatat V. de ontbinding van het land aan de Koning voorgelegd. Deze ging onverwijld akkoord. Vanaf heden spreken we niet meer over de NVP, maar over Vlaams Patatije en Waals Patatia.» Eenmaal de splitsing tot stand is gekomen, eindelijk bevrijd van jukken allerhande, zal Vlaams Patatije blaken van zelfvertrouwen. Onder leiding van het met Patatten Vetgemeste Vlaamse Varken G. zal de strijd aangegaan worden met niet minder dan … het Land der Poldertrollen, oftewel het Koninkrijk der Hollanden.
«Annexeren die handel! Voorwaarts! Mars!», zal hij zijn troepen toeroepen. «De Polderklei zal ons toebehoren en ons, Patatten, voeden!»
Iedere rozijn met een beetje verstand weet dat die strijd op een remise zal uitdraaien. Vlaams Patatije beschikt over één fregat en één rubberboot. Het Koninkrijk der Hollanden heeft dan wel twee fregatten, het ontbeert elke vorm van rubberboot. Vermoedelijke uitslag van de uitputtende Zesdaagse Zeeslag: 0 – 0.
Net als in 1648 zal er daaropvolgend in Münster [4] een verdrag opgesteld worden: het Verdrag van Münster, versie II (2005). Het oorspronkelijke Verdrag wordt van onder het stof gehaald – het stof van het Rijksmuseum der Poldertrollen. Het wordt geactualiseerd en ondertekend door het Vlaamse Varken G. en de Poldertrol J. Dit luidt het tijdperk van de Lauwe Vrede in. Onderhuids, echter, zal een nieuwe taalstrijd losbarsten. De Spannende Strijd tussen de letter G en de letter J.
Goesting
De indirecte aanleiding ervoor is een geval van moed – of overmoed, dat moet nog blijken – dat zich voordeed, ongeveer enkele maanden geleden. Het Vlaamse PatattenVarken G. kon de hand leggen op de resultaten van een volkstelling te PolderTrollenLand. Wat bleek? Poldertrollen mogen dan al luid roepen, ‘t is te zeggen: ze mogen dan al luidruchtig zijn, hun taaltje is niet meteen het strijdvaardigste. De volkstelling ging na wat Poldertrollen het mooiste woord vinden. Als je haar mocht geloven, dan was PolderTrollenLand een land van zachtgekookte eieren. Op één stond “liefde”, op twee “saamhorigheid”, op drie “vrede” en op vier “geluk”. Toegegeven, het zijn allemaal mooie dingen waarnaar die woorden verwijzen – niettemin, waarom dan niet gewoon zeggen dat “mooi” het mooiste woord is, dat zou toch een pak simpeler zijn – maar qua woord stellen ze weinig voor.
«De gemiddelde Vlaamse Patat heeft appetijtelijker dingen in huis.», dacht G. en verordonneerde meteen een gelijkaardige studie uit te voeren onder zijn onderdanen. Ze bewees zijn gelijk. Absolute nummer één was “goesting”. “Goesting” met twee vette g’s en een bangelijke -oe. Gevolgd door “geroezemoes” – weer g’s en oe’s –, “reutemeteut”, en “oelewapper”. «Dat is pas appetijt.», meende G. Maar om een taalstrijd te voeren had hij meer vandoen. Een focus. Zoveel had hij – en niet de Poldertrol –geleerd uit het verleden: geen taalstrijd zonder focus. Zoniet kon je evengoed weer met Waals Patatia in de clinch gaan.
Hij zocht, vond en onderzocht een redevoering die OpperPolderTrol J. overlaatst had uitgesproken ter gelegenheid van één-of-ander tulp- en klompenfeest. Lap, daar begon het al. In de hoofding had J. tussen haakjes, als een soort ondertitel, geschreven: «praatje ter gelegenheid van Tulp- en Klompendag. [5] » Praatje?! Wat een verschrikkelijk onappetijtelijk misbaksel van een woord. Zoiets zou geen enkele Vlaamse Patat over zijn lippen krijgen.
Verderop kwam hij nog meer “nare” – huiver en beef! – dingen tegen, zoals «Wat naar.», «Wat apart.», «Wat aardig.» G. werd er algelijk misselijk van. Naar en aardig, allemaal praatjes voor de vaak. Schabouwelijk mager.
[Ook J. werd er trouwens misselijk van, want hij schreef: «Nou, ik word er helemaal kiezel van.» Pardon, kiezel?!]
Verder: neig was niet neig, maar “leuk”. Zot werd “mal”. Gij werd “jij”. Godverdomme werd “jandorie”. Dessert werd “toetje”. Ochot-ochheere werd “jeremiejezus” [6]«Wat scheelde er toch aan die Calvinisten?», vroeg G. zich af. Alsof God, naast pensen en appelcompot, ook Bourgondisch-bekkende – weer g’s en oe’s – woorden van het Calvijns menu had geschrapt: «Wees zuinig met de letters die Ik geschapen heb. En gij zult mijden den Appetijtelijke Sauzen der Klanken. Want voorwaar, Ik zeg u: blah-blah-blah. En ook nog blah.»
EÚnrichtingswoordenboek
Het leek G. logisch. Een eerste stap in de goede richting: de geleidelijke, doch systematische uitroeiing van de letter J. De letter J was immers de tofu der letters. Karakterloos, zonder smaak, voer voor de anders-van-honger-omkomenden. Een klankenparasiet. Tofu moest van het Bourgondisch menu geschrapt worden. Waar mogelijk vervangen door de letter G: niet jij, maar Gij, niet jandorie, maar Godverdomme, niet jeremiejezus, maar Ochot-ochheere.
Verkleinwoorden zouden een aparte behandeling krijgen. Om te beginnen: zoveel mogelijk J’s door K’s veranderen – de K van Krachtpatser en KarakterKop. Niet iemand bij zijn balletjes nemen, maar bij zijn ballekes. Niet Jezusje, maar Jezuke. G. peinigde zijn hoofd over andere gevallen. Wat bijvoorbeeld te doen met onbenullen als “zootje” en “mietje”? Wel, niet alleen de J moest eruit, heel het woord was aan vervanging toe. Niet zootje, maar reutemeteut. Of rimram. Niet mietje, maar jeanette. Jeanette, met de j van djibouti.
Met die eis zou hij de taalstrijd aanzetten. Vervolgens zou hij een Zwarte Lijst van Nare Woorden opstellen, een herziening van het Groene Boekske doorvoeren, en een éénrichtingswoordenboek Patats-PolderTrols uitgeven. Ochot-ochHeere, hij had nog ideeën bij hopen.
Geen twijfel mogelijk, PolderTrollenLand, niet wetende waar de klepel van een taalstrijd hangt, zou taalkundig van de kaart geveegd worden. Het brein van elke PolderTrol zou geleidelijk aan gekoloniseerd worden door smakelijk, verbaal lawijt, door “goestingen” en “poelepetaten”. De Luidruchtige PolderTrol zou eindelijk, om het voorlopig nog in diens taaltje uit te drukken, een aardig lesje worden geleerd. Pech voor OpperPolderTrol J.
Een tijdje geleden kwam ik G. tegen in een bruin café.
«Waarom zou de PolderTrol uw gewauwel slikken?», vroeg ik.
«Simpel.», antwoordde hij. «Schotel een PolderTrol twee borden voor. Één met tofu, een ander met pensen en appelcompot. Ge kunt ervan op aan: zelfs een PolderTrol zal het tweede bord kiezen. Over smaken valt niet te twisten.»
Kortom, de Vlaamse Patat zit vol taalstrijdlust. Na tachtig jaar gebakkeleid te hebben met de Waalse Patat – en grotendeels gezegevierd te hebben –, is het vet van de soep. De Vlaamse Patat is op zoek naar nieuwe uitdagingen. Taalstrijdvaardigheid zit hem in het bloed.
De PolderTrol zou er dus goed aan doen zich te bewapenen. Want de strategieën van een Vlaamse Patat zijn ondoorgrondelijk. Hij slaat toe voor ge er erg in hebt.
Zoniet zal Radio Absurdistan over enkele jaren, op het einde van de taalstrijd van de toekomst, melden: «Gisteren, om 8 uur plaatselijke tijd, na een verrassingoffensief van G. en zijn TaalTroepen, is het PolderTrols overwonnen. Het ligt te kreperen in Münster. Vanaf heden: Leve het Patats!»
Nargilah V.H.
