Centennial Games doen verdacht veel denken Commerciannial Games

Sport. De Centennial Games doen verdacht veel denken aan Commerciannial Games. door Rogier Verkade

Eén der fenomenen op deze aardbol die het meest chauvinistische uit een volk naar boven haalt, zijn de olympische spelen. Een land dat wel raad weet met chauvinisme is de Verenigde Staten. Combineer deze twee elementen en je hebt de garantie voor een weerzinwekkende vertoning van vermeende natie-superioriteit die liefst drie weken voortduurt. Het zal niemand ontgaan zijn, die fout maken Amerikanen nooit: de olympische spelen zijn losgebarsten, en wel op Amerikaanse bodem.
Daar het dit jaar honderd jaar geleden is dat de klassieke olympische spelen door Pierre de Coubertin nieuw leven werden ingeblazen, waren de verwachtingen dat het doorgaans toch al zo traditionele evenement dit keer op een grote herhaling van de afgelopen honderd jaar zou gaan lijken. Toen Athene, waar zowel de klassieke als de moderne spelen voor het eerst gehouden werden, zich kandidaat stelde voor de `Centennial Games’ leek de keus derhalve voor de hand te liggen. En toch kon het gebeuren dat het meest traditionele sportevenement de eigen historie volledig negeerde en de 100-jarige spelen niet toewees aan de stad die daar historisch gezien recht op had, maar aan Atlanta.
Atlanta! Een nietszeggende stad die haar omvang en succes volledig te danken heeft aan twee commerciële mondiale grootmachten: Coca Cola en CNN. Zou Atlanta enige kans gemaakt hebben op de toewijzing van de spelen als beide ergens anders haar thuishaven hadden? Ik ben overtuigd van niet.
In deze beschouwing zal ik uiteenzetten hoe de spelen in toenemende mate zijn vercommercialiseerd, op welke wijzen zich dit uit en hoe dit heeft kunnen leiden tot een totale vervreemding van de eigen doelstellingen.

Oubollige moraal
Toen baron de Coubertin in 1896 met veel moeite voldoende animo had weten te genereren voor de wedergeboorte van de olympische spelen, was niet de sportieve strijd maar mondiale vrede de doelstelling van deze idealist. De spelen waren naar zijn overtuiging het middel om dit doel te bereiken. Een der uitgangspunten van de spelen was dat verbroedering tussen nationaliteiten en rassen gerealiseerd zou kunnen worden. Een zeer progressief streven in een tijd waarin het kolonialisme en daarmee gepaard gaand racisme gemeengoed waren. Een tweede ideologische peiler ligt in het verlengde van het streven naar wereldvrede. “Deelnemen is belangrijker dan winnen”, aldus de Coubertin, onwetend hiermee voor de komende honderd jaar een der grootste sportjournalistieke clichés te hebben geschapen.
Honderd jaar verder is er weinig meer over van deze idealen. De Coubertins gedachten doen oubollig en stichtelijk aan, zoals wel meer uit die tijd. Dat de idealen van weleer zijn vervlogen is niet bezwaarlijk, weinig denkbeelden houden het honderd jaar of langer vol. Het wordt echter wel onaangenaam wanneer de idealen door het huidige Internationaal Olympisch Comité (IOC) keer op keer handig gebruikt worden om de intenties van het comité met de spelen in een politiek gezond daglicht te plaatsen.

Schatkist-begeerte
Atlanta-atleet Het IOC is een wonderlijke organisatie. Het zou wellicht nog het best vergeleken kunnen worden met een Arabische sjeik wiens zoontje van vier tijdens het spelen met zijn schepje in paps zijn tuin plots op een fijne oliebron stuit. De spelen zijn een volstrekt monopolystisch bezit en de bestuursvorm van de organisatie hierachter doet derhalve dictatoriaal aan. Toch is het pas sinds kort dat dit monopolie uitgebuit wordt.Opmerkelijk is namelijk dat pas de olympische spelen van Los Angeles in `84 de eerste spelen ooit waren die ruimschoots in de plus eindigden. Tot op dat moment was de mogelijkheid munt te slaan uit een evenement dat van origine ideële belangen had, niet aan de orde geweest. Het was `not done’. Voor de sporters gold immers in de eerste plaats dat het deelnemen belangrijker is dan het winnen. Verder was professionalisme lange tijd volstrekt uit den boze (officieel nog steeds) en diende er louter om de eer gestreden te worden. Voor de organisatorische stad zouden alleen promotie-belangen een rol mogen spelen (niet dat het Duitse verkeersbureau in Israël vòòr München 1972 overuren maakte). Met Los Angeles 1984 is er echter een akelige ommezwaai richting professionalisme binnen de organisatie gemaakt. Voor atleten werden de spelen de springplank voor een vet prof-contract of eclatante aanbiedingen van firma’s voor het doen van commercials. Voor de steden veranderden de spelen plotseling van krachtig middel om bescheiden VVV-tips over de wereld te verspreiden in de hoop op een toeristische impuls, in een aantrekkelijke mogelijkheid om via onder andere tv-rechten en merchandising eens flink de portemonnee te spekken en tijdelijk wat aan de werkeloosheid te doen, iets wat iedere politicus intens gelukkig stemt. De ernstigste consequentie van dit alles was evenwel dat het gezelschap van het IOC zich steeds beter realiseerde dat het met het monopolie op de spelen ook zelf uitstekend een graantje kon meepikken van het geld dat de organiserende stad met de spelen weet te genereren. En toen Samaranch c.s. hier eenmaal van doordrongen waren, zijn er weinig of geen ontwikkelingen in de spelen te herkennen die niet gericht zijn op het vullen der schatkist. Daar deze kist logischerwijs in ijl tempo tot de rand toe gevuld werd, lag de keuze voor Lausanne als thuisbasis van het IOC voor de hand. Het IOC zou per slot van rekening toch niet plots verwerpelijke belasting over de gerealiseerde inkomsten moeten gaan betalen? De spelen dragen immers reeds bij aan het collectieve doel van wereldvrede!
Illustratief voor de commerciële bekering die het hoogste mondiale sportorgaan heeft ondergaan, is de keuze voor de organiserende steden. Ga het rijtje maar af. Na Los Angeles `84 is er met Seoul `88, Barcelona `92, Atlanta `96 en Sydney 2000 geen enkele stad gekozen die niet een BNP bezit dat tot de hoogste in de wereld behoort. En hoe hoger het BNP, hoe sneller er geld voor de organisatie van de spelen verzameld kan worden en dus hoe groter de kans is van het realiseren van het financiële winstplan, dat bij het presenteren als kandidaat aangeboden moet worden. Leuk zo’n opzet van de commissie uit Rio de Janeiro maar `winstvatbaar’ is het uiteraard allerminst – het IOC is ook op de hoogte van de kracht van Zuid-Amerikaanse valuta. Voor de winterspelen geldt hetzelfde verhaal.

Miss Holland-niveau
logoTegen de geldzucht van het IOC kun je inbrengen dat de inkomsten van de spelen nodig zijn om de organisatie te bekostigen. Volstrekte onzin want feitelijk heeft het IOC weinig tot zeer weinig te doen. Ieder land heeft zijn eigen nationaal olympisch comité dat in 90% van de gevallen het contactpersoon zal zijn. Het IOC bepaalt louter de stad (een aantrekkelijke taak, want hoofdzakelijk door alle kandidaat-steden in de watten gelegd worden), buigt zich over de vraag welke sporten de olympische status verdienen en stelt een soort van statuut op voor sporters, media en organisatie en ziet toe op de naleving hiervan. De kosten van de spelen zelf komen volledig voor rekening van de stad. Werkelijk belangrijke issues, zoals het slepende dopingvraagstuk, worden genegeerd of eindeloos uitgesteld. Vraag Anton Geesink, het enige Nederlandse lid van het IOC, wat hij in een jaar uitspookt en de taak van Miss Holland lijkt zwaar. En heus niet alleen omdat Geesink moeite heeft een vork van een mes te onderscheiden.
De financiële mogelijkheden die het IOC met haar monopolie heeft ontdekt, gaan verder dan louter de kandidatuur. Meer en meer werd er afgestapt van de grondgedachten van de Coubertain, onderwijl schaamteloos de oude, inmiddels politiek zeer correcte idealen propagerend. Menige sport die een hoge kijkwaarde heeft en waar de beoefenaars een meer dan royaal inkomen mee verdienen (voetbal, tennis, basketball, honkbal, beachvolleyball, surfen), is in het afgelopen decennium onder leiding van het kapitaalbewind van Samaranch op het olympisch programma gezet. Je kunt er lang over peinzen maar een ander criterium dan de marktwaarde van de sport is niet herkenbaar in de toewijzing van de olympische status aan sporten. Zeker, toegegeven, het is allerminst nieuw of bijzonder dat de commerciële aspecten aan een sportevenement veruit de meest bepalende zijn. In menig tak van sport zijn spel- en regelveranderingen zichtbaar die op niets anders gebaseerd zijn dan het verhogen van de marktwaarde. De verboden terugspeelbal bij voetbal, de timeouts en `quarters’ bij basketball en ijshockey die zwevende reclameblokken mogelijk maakten, de tie-break bij tennis – het zijn allen domweg maatregelen om de kijkwaarde van de sport te verhogen.
Erger is echter dat de normen voor het deelnemen zijn verscherpt. Vroeger werden deze voorwaarden door de nationale olympische comités vastgesteld. Uit ieder land mocht dan in ieder geval een deelnemer per sport afgevaardigd mocht worden. Dat gaf aardige taferelen, zoals de Marokkaan die tijdens de winterspelen van `92 in Albertville zich aan de reuzenslalom waagde en zeker tien keer door een poortje in plaats van er omheen ging. Het live-publiek gaf stormachtig applaus, voor het tv-publiek was het kostelijk, en ook de uiteindelijke winnaar, Alberto Tomba, kon de prestatie dusdanig waarderen dat de verbaasde Marokkaan door hem op de schouders werd genomen. Kijk, dan is er daadwerkelijk sprake van verbroedering door de sport. Maar het IOC meende dat het imago van de spelen hiermee beschadigd werd en voerde eigen voorwaarden voor deelname in. Om je kunstjes op de spelen te mogen vertonen moet je thans zowel aan de nationale als internationale olympische eisen voldoen.

Geroosterde vredesduif
Samaranch & friends verzuimen bij geen enkele toespraak te melden dat sport, en de spelen in het bijzonder, het wondermiddel tegen alle mogelijke menselijke twisten is. Zo was ook zijn praatje tijdens de opening in Atlanta weer hypocrieter dan dat van de gemiddelde kandidaat voor The White House. Samaranch heeft echter ook wel eens naar Feijenoord gekeken en beseft als geen ander dat alleen woorden geen hout snijden. Dus laat Samaranch zich bij tijd en wijle zien op een algemeen aanvaarde oorlogshaard, onderwijl verzekerd van een door hemzelf ingelicht leger aan pers en lijfwachten. Zo besloot de voorzitter tijdens de afgelopen winterspelen in Lillehammer zijn privé-jet te laten koersen naar Sarajevo waar in `84 de winterspelen plaatsvonden. `s Avonds uiteraard uitgebreide beelden van een ernstig door het verwoeste olympische stadion rondstappende Samaranch. Vanzelfsprekend dezelfde avond wel weer terug richting het comfortabele Noorse hotelbed teneinde zichzelf op tv te kunnen terugzien. Ja, ja – zijne excellentie draagt zijn steentje bij aan de wereldvrede!
Teneinde de volstrekt futiele waarde van de hoogdravende doelstellingen van de spelen te benadrukken, werden er tijdens de opening van Atlanta `96 voor het eerst sinds de spelen van 1920 in Antwerpen, geen levende `vredes’-duiven meer losgelaten. Het was de organisatie niet ontgaan dat tijdens de spelen van Seoul in 1988 de duiven dicht bij het olympisch vuur waren losgelaten en een aantal van deze evolutionair beperkte organismen het kunstje toonden wat ook hun familieleden in de Amsterdamse binnenstad zo goed beheersen – het etaleren van een compleet gebrek aan navigatie-vermogen. Het gevolg was dat in een bevoorrecht gedeelte van het stadion, de geur van gebraden vredesduif de neuzen kietelde. Een fraaier voorbeeld van averechtse symboliek was nauwelijks denkbaar. Dat dus niet, moeten het organisatie-team van Atlanta gedacht hebben. Teneinde de rol van de traditionele duiven niet volledig te negeren, vond men de oplossing in zo’n ander met Amerika geassocieerd produkt: plastic. Waarom echt als we het ook goedkoper kunnen nabouwen? Enkele plastieke duiven aan stokken maakten onder begeleiding van een aantal seniele atleten een treurige entree in het stadion. De roep om wereldvrede werd overigens helemaal lachwekkend toen er iemand in slaagde een fijn stukje explosief in het olympische park te plaatsen, de armada aan beveiligingspersoneel ten spijt.

De wonderlijke verstrengeling van de spelen met politiek zijn inherent aan de uitgangspunten van de Coubertin die eerder politiek dan sportief waren. Toch kan het het IOC verweten worden dat de spelen de afgelopen decennia in het politieke vaarwater zijn blijven voortdobberen. Een beetje voorzitter laat de ridicule, misplaatste politieke pretenties varen en concentreert zich op de werkelijke kern van de zaak, de sport en de commercie hieromheen. Als je werkelijk wilt bewijzen een instrument in het realiseren van wereldvrede te kunnen zijn, dan hadden de spelen in Belfast georganiseerd moeten worden.

Rogier Verkade

About rogier verkade