Het beleg van broodschrijvers

Hoe een broodschrijver broodschrijver werd, vroegen ze van Writers Block magazine. Elk van die schrijversgeschiedenissen zal wel een fantastisch vertelling op zich zijn. En bij sommigen is er misschien zelf wel sprake van regelrechte ‘horrorpassages’. Bij mij ging het veel te gemakkelijk en daarom zal het weinig interessant zijn als short story. Toch vertel ik het maar, ‘ter leering ende vermaeck’.

Creativiteit
Aan creativiteit heeft het mij nooit ontbroken. Ik was achtereenvolgens enkele jaren vrij kunstenaar, galeriehouder, semi-professioneel componist, arrangeur en musicus, voorzitter van een associatie van popmuzikanten, conceptmaker, vormgever en tekstschrijver bij enkele reclamebureaus en zelfverklaard dichter.
Wat het betekent om afwijzingen te ontvangen op zorgvuldig gewrochte ‘kunstwerken’, heb ik als musicus en dichter ervaren. Één van mijn karaktertrekken was en is echter, dat elke afwijzing mij stimuleert om mijn ‘product’ nogbeter te maken. Datzelfde gebeurt me trouwens als ik iets zie, hoor of lees, waarvan ik vind dat het op zich op een hoger niveau bevindt dan mijn eigen werk. Veel mensen gaan in een hoekje zitten en cultiveren hun ‘minder-zijn’, tot ze ervan overtuigd zijn dat ze eigenlijk erg zielig zijn. Moet je echt niet doen. Je helpt jezelf er niet meer, behalve dat sommigen ervaren dat het wel lekker is, dat zielig zijn.

Pfeiffer
Van het schrijven heb ik altijd gedacht, dat ik het minder beheerste dan vooral het schilderen en het componeren. Tot ik enkele jaren gelden ziek werd. Pfeiffer heette het ongemak en het uit zich voornamelijk in een schromelijk gebrek aan energie. Omdat ik voordien eigenlijk nooit ziek was en gewend was om soms wel tachtig uur per week aan het werk te zijn, liep ik de eerste weken tegen een muur op. Uiteindelijk aanvaardde ik het gegeven van mijn ziekte. In de stilte en rust , die zich in mijn geest vestigde, ging ik op zoek naar bezigheden die ik zinvol achtte. Criterium was, dat ik me er een paar uur per dag mee kon bezighouden zonder al te vermoeid te raken.
Ik vond acht hoofdstukken van een fantastische vertelling die ik tien jaar daarvoor had geschreven. Destijds had ik geconcludeerd dat ik veel kon, maar dat het schrijven op een ‘professioneler’ niveau daar niet bij hoorde. Toen ik het herlas, dacht ik alleen maar: dat kan ik nu veel beter. Ik zette me aan die zelfgekozen taak en ging zonder enige pretentie aan de gang. Ik beschouwde het als een oefening in dode tijd.
Een aantal weken later werd ik wakker. Zevenendertig hoofdstukken lagen achter me. Ik was mijn ziekte bijna vergeten (het schrijven heeft mijn genezingsproces naar mijn stellige overtuiging versneld). Mijn leven werd beheerst door de lotgevallen van Jyll, Esled, Bougiac en alle anderen. Zij bevolkten mijn dagen en mijn nachten. Meestermagiërs verschenen in mijn dromen en zorgden voor schitterend vuurwerk en fantastische tijdreizen door fabelachtige landschappen. Toen mijn vrouw eens thuiskwam van haar werk, schijn ik geheel verbijsterd te hebben gezegd:’Er is er eentje dood!’
Zij schrok zich suf, maar ontdekte al gauw, dat het om één van mijn romanfiguren ging.
De realiteit heette ‘Meestermagiër’. Het voormalige dagelijkse werk was een echo van een droomflard. Het onzinnige werd zinnig.
Toch liet ik mij niet ‘pakken’ door al die fantasie. Ik wist hee goed, waar de grens lag tussen droom en werkelijkheid.

Beet!
Ik had een manuscript, draaide het uit en liet het lezen aan een paar mensen wier oordeel ik vertrouwde. De reacties waren dusdanig, dat mijn vrouw mij overhaalde enkele uitgevers aan te schrijven. Ik zocht de adressen van uitgevers in de fantasieliteratuur op en stuurde mijn dikke manuscript aan hen op. Uiteindelijk bleken er twee positief geïnteresseerd. Ik had Beet! Gezien mijn bekendheid met vriendelijke afwijsbriefjes, was dat voor mij een schokkende ervaring.
Ik maakte een keuze voor Elmar, die mij de meeste vrijheid van handelen gaf, en ging, samen met een editor aan de slag met het herschrijven, corrigeren, nog eens herschrijven, corrigeren en nog maar eens herschrijven van mijn eersteling van een reeks van vijf: ‘Meestermagiër-Sperling’.

Muziek
November 1995 zou dat ‘meesterwerk’ ten doop worden gehouden. Mijn uitgever had inmiddels uitgevist dat ik ook het een en ander in de popmuziek had gedaan en stelde mij (bijna dwingend voor om de presentatie van mijn eersteling te omlijsten met wat muziek. Dat zei hij twee maanden vóór die presentatie. Bijna onmogelijk dus. Maar ook het woord onmogelijk komt nauwelijks in mijn vocabulaire voor, dus ik legde contacten met wat vroegere bandleden, vroeg een koor zijn medewerking te verlenen en zette mij aan het componeren van een uur muziek, gebaseerd en geïnspireerd op het boek.
Wij voerde het uit ten overstaan van 450 genodigden en verbaasden ons over de positieve reacties. Een Duitse platenproducent kwam dit ter ore en bood me een internationaal contract voor vijf cd’s.
Intussen raakte een Duitse fantasie-uitgever, Bastei-Lübbe Verlag, geïnteresseerd in de Meestermagiërboeken en kocht de Duitstalige rechten. Begin 1998 wordt ‘Sperling’ in het Duits uitgegeven.
Mijn tweede boek ‘Emaendor’ verscheen december 1996. De eerste cd van Maryson is net uit en wordt wereldwijd gedistribueerd.
Ik zei het al: een successtory en dienovereenkomstig ‘niet spannend’. Momenteel is mijn derde boek ‘Vloch’ bijna gereed (verschijnt waarschijnlijk juni 1997), terwijl ikzelf al ver in het vierde en zelfs in het vijfde boek zit. Daarnaast ben ik nog met twee zelfstandige andere verhalen bezig.

Wordt W.J. Maryson rijk van schrijven?
Absoluut niet van het schrijven van fantastiek, zoals onze zuiderburen dit genre noemen, en ook niet van het schrijven uitsluitend in het Nederlands. Met het uitkomen van de cyclus in Duitstalige landen heb ik een redelijke kans, dat ik een gevarieerder belegde boterham ga verdienen. Als ook mijn muzikale uitspattingen enig succes genereren, ben ik de gezegende en waarschijnlijk enige fantasyschrijver van Nederland, die zichzelf volledig kan bedruipen met zijn pennevruchten en aanverwante zaken. Dat is uitzonderlijk en dat besef ik ten volle.

Wat ik met dit alles wil zeggen tegen beginnende schrijvers?

Doe gevoelsmatig dit
Laat je meeslepen door je verhaal. Ga dieper dan je ooit voor mogelijk had gehouden.
Er sluimeren onverkende diepten in elke creatieve (dus elke) geest en in die diepten huizen allerlei karakters, landschappen, verhalen, mythen, legenden. Boor die diepten aan. Beleef het avontuur mee. Bekommer je pas in tweede instantie om het echte schrijven, het corrigeren, herschrijven, leesklaar maken (later zal je merken dat dat steeds sneller gaat).
Wees overtuigd van je feitelijke vermogens!

Doe verstandelijk dit
Besef dat je er na je ‘eerste ronde’ nog helemaal niet bent. Laat je door een ‘échte’ schrijver of een goede redacteur inwijden in mysteriën als dialoog, plot, karaktertekening, ritmiek en meer van dat moois.
Als je constateert, dat je het nog altijd leuk vindt (in mijn geval was dat zelfs: nóg leuker), waag dan de stap. Stuur je korte verhalen in naar bladen, doe mee aan wedstrijden en waag op een gegeven moment de grootse stap: treed in contact met een uitgever.
Mocht iemand van jullie daarover serieus meer willen weten, dan ben ik overigens graag bereid om hem of haar daarbij
te helpen, mits ik zelf overtuigd ben van een mate van kwaliteit van het werk.

Bepaal voor jezelf of je bestand bent/wilt zijn tegen een litanie van afwijzingen, ellenlange correctieprocedures en maanden, soms jaren wachten tot hét zover is. Bepaal voor jezelf of je voor een karige royalty-beloning bezig wilt zijn. Waaruit dus volgt, dat je ook op andere manieren brood op de plank moet zien te krijgen, dan wel er beleg op wenst.
Als je nog steeds ‘in je ziel’ schrijver bent, besef dan dat je één van de velen bent en dat je er vreselijk hard voor moet zullen ploeteren om iets meer dan ‘heel weinig’ te bereiken.

Ter illustratie de proloog tot het derde boek, ‘Vloch’, van de Meestermagiërreeks. Als alles goed gaat komt dit boek in juni uit.

Post aan Wim Stolk kan gestuurd worden aan de redactie van Writers Block magazine of aan uitgeverij Elmar b.v., Delftweg 147, 2289 BD, Rijswijk.

PROLOOG

Ze stonden op een heuvel. De diamanten ogen van de Asaherget dwaalden over het bos dat flonkerde in het zonlicht. Erachter lag de vallei die naar Riis Haed leidde. Twijfel kroop door zijn gedachten als een wendelworm op zoek naar voedsel. De poort leek te wenken. Hij raakte even zijn bijna kale hoofd aan en bracht zijn hand achter zijn scherp gepunte oor, als wilde hij geluiden opvangen. Een windvlaag streek langs hem heen om zich in de kronen van de slanke welgen te nestelen.
Zuchtend wendde hij zijn hoofd af en keek neer op de kleine Fand. De jongen wachtte geduldig op wat komen ging. Dat deed hij altijd, wist de Asaherget. Hij zou met niet begrijpende teleurstelling reageren op de twijfel die zich een weg baande door de geest van zijn meester, de aanspreker van Uqerget. Fand kende slechts duidelijkheid en besluitvaardigheid van degene die hem sinds zijn vierde jaar onderwees.
Een beslissing vormde zich in de geest van de Asaherget.
‘Fand,’zei hij zachtjes.
De jongen leek zijn hoofd op te tillen met de dunne argentblonde wenkbrauwen, die gelijkmatige bogen boven zijn bladgroene ogen tekenden.
‘Ja, Asaherget?’ zei een lichte stem.
‘Fand, er is een kans dat ik je voor lange tijd ga verlaten.’
De wenkbrauwen bogen even naar elkaar toe.
‘Hoe lang Asaherget?’
Niet waaróm, maar hoe lang, dacht de Alvii-leider weemoedig. Het onbegrensde vertrouwen van zijn leerling ontroerde hem. De jongen rekende er vast op dat hij als Asaherget voor de beslissing om te vertrekken de best mogelijke afwegingen had gemaakt. Hij tekende er óók op dat zijn meester hem zou vertellen waarom. Een glimlach gleed even over het gelaat van de Asaherget.
‘Heel lang, Fand. Het kan zelfs zijn…’
Een brok in zijn keel belette hem zijn zin af te maken. De naar hem opkijkende ogen wachtten geduldig. Het kostte hem moeite om de jongen aan te kijken.
‘Heel lang,’ bracht hij er ten slotte zuchtend uit. ‘Misschien moet je verder groeien zonder mij. Ik zal Wenid opdragen de lessen van mij over te nemen en je te verzorgen.’
Er verscheen een kleine rimpel in Fand’s brede voorhoofd.
‘Zo lang?’ zei hij zachtjes.
‘Zo lang’ beaamde de Asaherget.
Eindelijk kwam dan toch de vraag, terwijl de groene ogen bij hem naar binnen klommen.
‘Waarom? Wat gaat u doen?’
De Asaherget wendde zijn hoofd af en onthield zijn leerling zo de argenten glinstering in zijn ooghoeken. Het bos had nu zachte randen.
‘De wereld buiten Uqerget staat in brand. De samengeest heeft drie van onze mensen weggestuurd om te helpen, maar Wenid en ik betwijfelen of dat voldoende is. Ik voel de drang om naar mijn ouder stad Kose te gaan en de leider van de sterfelijke Alvii bij te staan.’
‘Maar…,’Fand’s dunne stemmetje haperde even. ‘maar dan moet u door de poort.’
De Asaherget knikte.
‘Ik ga door Riis Haed.’
Fand zweeg. Het gemoed van de Asaherget schoot vol van trots. “Zeg nooit de woorden die de grootste emoties in zich dragen,” had hij Fand keer op keer voorgehouden. “Een leider mijdt dat.” Alles in de jongen had willen zeggen: “Maar dan wordt u sterfelijk!” Hij had zich echter ingehouden. De ogen van de Asaherget gleden omlaag. Fand staarde bedremmeld naar de grond. In de gelijkmoedigheid van zijn leven had een schokkende verandering plaatsgevonden en zijn jonge geest probeerde dat te verwerken.
‘Is er een kans…,’ Fand slikte even. ‘Is er een kans dat u terugkeert?’
De Asaherget schudde langzaam zijn hoofd.
‘De raad maakt nooit een uitzondering.’
De jongen keerde zich van hem af. De Asaherget was ervan overtuigd dat hij dat deed om zijn tranen te verbergen. Een hele tijd stonden ze zo. De dag deed haar witte mantel uit en verwisselde die voor een avondgewaad met verdiepte kleuren. Uiteindelijk keek fand half om.
‘Wanneer, Asaherget?’
Zijn leermeester zuchtte lang en diep.
‘De tijd dringt. Aidèn ontbeert krachten en vermogens. Ik zal morgen-vroeg op pad gaan.’
Fand knikte kort en schuifelde bijna ongemerkt dichter naar hem toe.

About wim stolk