Vraag het aan Freekje


Persoonlijke problemen? Verliefd? Wil je partner niet of juist wel praten? Altijd al willen weten waarom je klamme handen hebt als je verliefd bent? Last van potentiële schizofrenie? De menselijke psyche blijft voor veel mensen een groot raadsel. Gelukkig kan je nu met al je vragen terecht bij Writers Block-huispsychologe, Freekje.

Lieve Freekje,

Ik ben zelf net met een studie psychologie begonnen en in een van mijnboeken stond het volgende geschreven (wat mij nogal verontruste).
“Bij onderzoek naar schizofrenie werd gebruik gemaakt van de MPPI vragenlijst methode. Als iemand dan antwoord “soms is het net alsof mijn geest uit mijn lichaam treedt”, dan moet dit worden opgevat als zijnde a) iemand heeft de vraag niet goed gelezen ofb) die persoon lijdt aan hallucinatie’s.
Ik vind dit erg vreemd, want naar ik meen is juist de psychologie de wetenschap die het bestaan van een onderbewustzijn (geest) erkent.
Kun jij mij hier duidelijkheid in verschaffen? Ikzelf geloof namelijk wel dat een geest in een bepaalde toestand uit het lichaam kan treden.

Monique

Beste Monique,

Allereerst zou ik nog een andere interpretatie van het antwoord willen toevoegen: de persoon die de vragenlijst invult bedoelt het antwoord metaforisch (neemt het woord ‘alsof ‘ heel letterlijk) terwijl de mensen die de vragenlijst interpreteren en de vragen hebben geformuleerd, de vraag niet zo bedoeld hebben. Als gedachten mijlenver afdwalen en je je niet meer bewust ben van de omgeving, je lichaam en misschien zelfs van je eigen persoonlijkheid, dan zou je kunnen zeggen dat het lijkt alsof de geest even los kwam van het lichaam. Dat hoeft niet te betekenen dat de geest daadwerkelijk het lichaam verliet, of dat je denkt dat je geest zich voor een moment heeft losgemaakt van je lichaam. Het kan metaforisch, overdrachtelijk, figuurlijk bedoeld zijn.
Het is echter niet de bedoeling dat de vragenlijst op die manier ingevuld wordt. De onderzoekers willen weten of de cliënt met enige regelmaat sterke uittredingservaringen heeft. Gelukkig zal de diagnose nooit op basis van één enkele vraag met bijbehorend antwoord, gesteld worden. Eén interpretatie van de invuller die afwijkt van de interpretatie van de vragensteller, zou dan grote gevolgen hebben en dat mag natuurlijk niet zo zijn. Als het goed is, wordt de diagnose ook niet alleen op basis van de vragenlijst gesteld. Gesprekken en observatie van de cliënt, zullen ook bijdragen tot de diagnose. Het is dus niet zo dat een geestelijk gezond persoon, die de vraag met ‘soms’ antwoordt, onmiddellijk en onverbiddelijk gediagnostiseerd wordt als zijnde schizofreen. Een psychiater zal op basis van één antwoord nooit concluderen: Monique beantwoordt deze vraag met ‘soms’ dus ze zal wel schizofreen zijn . Een diagnose wordt gesteld op basis van verscheidenen symptomen (in een eerdere aflevering heb ik de symptomen van schizofrenie beschreven) die gezamenlijk wel, maar apart niet leiden tot de conclusie dat iemand schizofreen is.

Jij verbaast je over het feit dat psychologen uittredingservaringen interpreteren als hallucinaties terwijl het juist de psychologen zijn die de geest als entiteit erkennen. Waar is anders de hele psychologie, de geestesleer op gebaseerd? denk je.
Het erkennen van de geest als aparte entiteit betekent niet per definitie dat de geest ook apart van het lichaam kan zijn . Dat is eigenlijk een kwestie van persoonlijke voorkeur . Er zijn psychologen die ervan uit gaan dat een echte scheiding tussen lichaam en geest bestaat en dat de geest doorleeft als het lichaam sterft (ik denk overigens niet dat dat er veel zijn). Er zijn psychologen die de geest/het bewustzijn zien als ‘kunstje’ van de hersenen. De geest als evolutionair verschijnsel: iets dat van pas kwam en ontstaan is en dat zich ontwikkelt heeft over de eeuwen heen (of over de jaren in een mensenleven). De geest kan ook ‘vastgelegd’ zijn in de genetische samenstelling van de lichaamscellen, het produkt zijn van de opbouw van de hersenen. Misschien is de geest niet meer dan een levendige illusie: chemische processen maken dat onze zintuigen dingen ‘waarnemen’ die er in wezen helemaal niet zijn. Er spreekt een innerlijke stem maar er is geen spreker. Die illusie noemen we dan ‘de geest’.
Het is dus een kwestie van persoonlijke voorkeur en smaak. Het bestaan van de geest en de definitie ervan, vormen een van de grootste filosofische en psychologische discussiepunten. Onderzoek kan aantonen dat prikkeling van bepaalde delen van de hersenen herinneringen en gedachten kan aanzwengelen, toch zullen veel mensen er niet aan willen dat het bewustzijn niet meer is dan prikkels van de ene zenuwcel naar de andere. Het is zo iets unieks, dat de oorsprong zo basaal niet kan zijn. De geest kan niet gelijk zijn aan de hersenen want de geest voelt als iets ‘aparts’ (afgesplitst van het lichaam) dus is de geest dat ook.
Maar stel jezelf de vraag: wat is het bewustzijn, het onderbewustzijn desnoods, volgens jou? Is het bewustzijn meer dan een verzameling herinneringen aan vroegere prikkels? Je zal niet de eerste zijn die daar over denkt en ook niet de laatste (tenzij je met een waterdicht bewijs komt maar de vraag is of dat überhaupt mogelijk is: kunnen we de bron van de geest ontdekken? En als jij die ontdekt, zal je bewijs dan zo overtuigend zijn dat anderen het willen en ook durven te geloven?)
Ik raad je aan het boek Het Bewustzijn Verklaard van Daniel C. Dennett te lezen en bijvoorbeeld ook Discovery of the Mind van John R. Searle.

Voor het maken van een diagnose-vragenlijst voor schizofrenie maakt het overigens niet uit wat het bewustzijn is, wat de bron van het bewustzijn is en of het bewustzijn is. Een symptoom van de ziekte die we schizofrenie noemen, is dat schizofrenie-patiënten vaker en heftiger het gevoel hebben dat hun geest buiten het lichaam treedt. Of dat ook daadwerkelijk gebeurt of niet, doet er eigenlijk niet toe. De vraag discrimineert goed , zou een methodoloog zeggen: schizofrene mensen beantwoorden deze vraag over het geheel genomen anders dan niet-schizofrene mensen. De vraag vervult zijn functie en het zal de onderzoeker bij het samenstellen van de vragenlijst verder worst wezen of het in praktijk mogelijk is dat de geest buiten het lichaam treedt.

Lieve Freekje,

Doordat mijn ouders altijd pleegkinderen in huis hebben gehad en nu momenteel een café hebben, ben ik vaak in contact geweest met mensen die hun kinderen nooit meer willen zien en andersom. Is er al eens onderzoek geweest naar de oorzaken hiervan? Is er verband met afkomst, opvoeding, geloof etc.?

Kasper

Beste Kasper,Onderzoeken naar de oorzaken van deze in grijpende beslissing, zijn mij niet bekend. Ik denk ook dat de vraag misschien iets te breed geformuleerd is. Je moet wel erg generaliseren om een antwoord te kunnen geven op deze vraag. Dat is niet zinvol. Het is verstandiger een stapje terug te doen en de verschillende elementen te bekijken. Zo zijn het hechtingsproces tussen ouders en kinderen en de factoren die kenmer
kend zijn voor gezinnen waarin mishandeling vooorkomt, wel onderwerp van onderzoek geweest.
Het hechtingsproces tussen ouder en kind, dat in de psychologie met de Engelse term ‘attachment’ wordt aangeduid, is veel onderzocht. Schaffer & Emerson (1964) vonden dat zuigelingen en kleuters zich voornamelijk hechten aan volwassenen die snel reageren op hun wensen en eisen (en krijsen).Volwassenen die de interactie met hen zoeken en zelf het initiatief daartoe nemen. Stimulatie en het gevoel de omgeving te kunnen beïnvloeden (onder controle te hebben) lijken voorwaarden voor het ontstaan van een hechte band tussen kinderen en hun ouders/verzorgers. Met ouders/verzorgers die gehoor geven aan de vragen van hun kind en die gevoelig zijn voor de tekens die het kind geeft, wordt een hechtere band opgebouwd.
Uit onderzoek (bijvoorbeeld van Ainsworth, 1973) blijkt dat kinderen die een hechte relatie hebben met de moeder, onderzoekend en nieuwsgierig zijn. Ook in een onbekende omgeving. Dit noemt Ainsworth ‘the securely attached children’. ‘Avoidantly attached children en ambivalently attached children’ raken vaker van streek in een onbekende omgeving. Het lijkt erop dat het kind niet goed weet wat het aan de moeder heeft en dus geen basis heeft van waaruit het de wereld kan ontdekken. Deze moeders zijn ongevoelig voor de signalen van hun kind en reageren op een onhandige of geïrriteerde manier op het kind.
Een onderzoekende en nieuwsgierige houding is voordelig voor de ontwikkeling van het kind. Het leert meer, sneller en het bevordert het contact met andere kinderen.

Onderzoek van Vaughn et al (1979) laat zien dat de band tussen de moeder/ouders en het kind veranderlijk is: De hechting kan sterker of minder sterk worden, afhankelijk van de omstandigheden van het gezin. Negatieve, stressvolle omstandigheden kunnen een negatieve invloed hebben op de band tussen de ouders en het kind. Positieve veranderingen maken de band hechter en luchtiger .

In veel onderzoek speelt de moeder de hoofdrol aangezien zij veelal de verzorger is die de meeste tijd met het kind doorbrengt. De moeder voedt en troost het kind, zorgt voor een veilige sfeer en brengt veel tijd met het kind door. De vader is veelal niet de dagelijkse verzorger maar de speelkameraad van het kind.
Daarbij is in onderzoek voornamelijk gelet op de rol van de moeder in de band die ontstaat tussen moeder en kind, en is de rol van het kind veel minder vaak onderwerp van onderzoek geweest. Maar het kind heeft ook eigenschappen die het opbouwen van een hechte band kunnen bemoeilijken of vergemakkelijken. Als een kind veel huilt, lastig of druk is, dan kan dat het ontstaan van een hechte band bemoeilijken. De zorg voor het kind delen kan een oplossing zijn: de stress wordt dan verdeeld en daardoor dragelijk.
In het opbouwen van een band tussen de ouders en het kind, spelen dus veel factoren een rol.De aard en persoonlijkheid van de ouders, de aard en persoonlijkheid van het kind maar ook de omgeving. Uit onderzoek naar de factoren die kenmerkend zijn voor de situaties waarin kindermishandeling plaatsvindt, blijkt dat onder mishandelde kinderen vaker geboorteafwijkingen en fysieke of intellectuele afwijkingen voorkomen en dat deze kinderen vaker prikkelbaar zijn en veel/hard/ irriterend huilen en zenuwachtig zijn. De ouders hebben vaker onderling ruzie, zijn vaker sociaal geïsoleerd en hebben minder vrienden, kennissen, familie waar ze op terug kunnen vallen dan ouders die hun kind niet mishandelen. De ouders stellen vaak te hoge eisen aan het kind en zijn ambigue in hun aandacht: ze reageren zowel positief als negatief op zowel positief als negatief gedrag van hun kind. Hun reactie is in die zin onvoorspelbaar. Ouders die hun kinderen mishandelen zijn vaak werkeloos, laag geschoold en hebben vaak een economische achterstand.
Zowel de aard en persoonlijkheid van de ouders en het kind als bepaalde omgevingsfactoren blijken dus kenmerkend voor situaties waarin mishandeling plaatsvindt. Duidelijk mag echter zijn dat deze factoren apart geen oorzaken zijn van mishandeling en een ontwrichte band tussen de ouders en het kind. Het gaat veelal om een samenloop van omstandigheden.

Ik heb hier enkele onderzoeken aangehaald die betrekking hebben op het hechtingsproces tussen de ouders en het kind, de gevolgen van (minder) goede hechting en de factoren die kenmerkend zijn voor gezinnen waarin kindermishandeling plaatsvindt. Deze onderzoeken illustreren de wijze waarop ouders en kind elkaar beïnvloeden.
Het is onmogelijk voor mij te zeggen welke factoren een rol spelen bij de beslissing je ouders of je kind nooit meer te zien. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat een dergelijke beslissing wordt genomen door ouders/kinderen die altijd een positieve, hechte band met elkaar hadden.
Maar een band kan ook gaan knellen. Waar familie je eerst de veiligheid biedt die je nodig hebt om je te ontplooien, kan die veilige omgeving ook op een zeker moment remmend en storend gaan werken. De mate waarin ouders hun kinderen loslaten en de eigen keuzen van het kind waarderen (niet proberen het kind normen en waarden op te dringen maar trachten het kind ze zelf te laten ontdekken), kan bepalend zijn voor de band die ontstaat naar mate het kind ouder wordt. Botsende normen en waardenpatronen van de ouders en het kind kunnen een probleem vormen, zeker als een van beide andere normen en waarden niet tolereert.
De beslissing niet meer zorg te willen dragen voor, kan tevens voortkomen uit het gevoel niet meer zorg te kunnen dragen voor (vul voor zorg dragen voor ook in omgaan met of zien of contact houden ). Er zijn grenzen aan wat iemand in een ander investeert. Waar die grenzen liggen en hoe die ontstaan (welke omgevings-, persoonlijkheids-, economische en sociale factoren een rol spelen) wordt uit het bovenstaande wellicht iets duidelijker. Wil je overleven, dan zal je sommige situaties en contacten moeten vermijden. Ik denk dat voor veel verbroken ouder/kind relaties geldt: als wij elkaar blijven zien gaan we/ga ik eraan onderdoor. Uit zelfbescherming wordt afstand genomen en probeert iemand alleen verder te gaan.

Lieve Freekje,

Wat is conditioneren?Eva

Beste Eva,

De Van Dale (1992) geeft bij de term: ‘zo aan bepaalde prikkels gewennen dat er automatisch, onbewust op gereageerd wordt’. Deze omschrijving klopt niet helemaal. In de psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen klassiek en operant conditioneren (leren). De omschrijving in Van Dale heeft betrekking op klassiek conditioneren.

De Russische fysioloog Ivan Petrovich Pavlov deed onderzoek naar spijsvertering. In zijn experiment werd een van oorsprong neutrale stimulus tegelijk aangeboden met een ongeconditioneerde stimulus die een bepaalde respons opwekt. Een ongeconditioneerde stimulus is een stimulus die automatisch, onbewust een bepaalde reactie, de ongeconditioneerde respons, oproept. Een hond krijgt voedsel aangeboden (de ongeconditioneerde stimuls) waarop de hond gaat kwijlen (de automatische en natuurlijke respons: de ongeconcitioneerde respons). Tegelijk met het voedsel werd de neutrale stimuls aangeboden: het geluid van een bel. Als de beide stimuli verscheidene malen gezamenlijk aangeboden zijn, leert de hond dat het geluid van de bel vergezeld gaat met het verschijnen van voedsel. De hond begint vervolgens te kwijlen bij het horen van de bel. De eerst neutrale stimulus roept dan een geconditioneerde (aangeleerde) respons op. Het koppelden van een automatische (reflexmatige) reactie aan een neutrale stimulus wordt klassiek conditioneren genoemd.

Onderzoek naar operant conditioneren werd gedaan door Burrhus Frederic Skinner. In zijn experimenten leerden duiven dat bepaalde gedrag (operaties) beloond worden terwijl vergelijkbaar gedrag niet beloond werd. Als de duiven bijvoorbeeld tegen een rood plaatje pikten, kregen zij wat voedsel. Pikten zij tegen een groen plaatje, dan bleef voedsel uit. Deze vorm van leren is vergelijkbaar met hoe mensen leren wat wel en niet mag, kan, gewaardeerd wordt. Een kind leert
dat het een klap krijgt als het met zijn vingers aan de kristalverzameling van moeder zit, het leert dat het een koekje of een complimentje krijgt als het zich lief en voorbeeldig gedraagt. Deze vorm van leren is dus gebaseerd op feedback.

Klassiek en operant conditioneren zijn de twee hoofdvormen die onderscheiden worden. Andere vormen van conditioneren (instrumenteel conditioneren, uitgesteld conditioneren, inhibitorisch conditioneren etc.) zijn speciale gevallen van deze twee hoofdvormen.

About freekje