Vraag het aan Freekje

Lieve Freekje, De boekenweek hebben we net achter de rug en het thema was mijn God. Nu is mijn vraag aan jou lieve Freekje, wat is de psychologische basis voor ons geloof.
Vanwaar die God ?

Hannes

Beste Hannes,

Een interessante vraag, zeker als je eens stil staat bij de rol die religie door de eeuwen heen gespeeld heeft. Wat heeft religie veroorzaakt (in tegenstelling tot jouw vraag wat de oorzaak van religie is)? Heeft religie de mens verder gebracht of juist geremd in zijn ontwikkeling? Een atheïst zal nooit een kans laten lopen om te benadrukken dat de oorzaak voor vele oorlogen juist religie, of de verschillende benaderingen van religie is geweest. Dat de kerk lange tijd de ontwikkeling van de wetenschap heeft tegengehouden, bijvoorbeeld door het ontleden van lijken te verbieden en theorieën te verketteren omdat het uitgangspunt van de kerk bijvoorbeeld was dat de aarde, de woonplaats van de mens, die toch van alle wezens het dichts bij God staat, engelen daar gelaten, niet het middelpunt van heelal was. Ook de ontwikkeling van de gewone mens is lange tijd mede door de kerk tegengehouden door het Latijn als voertaal van godsdienst en wetenschap, in den beginne voornamelijk beoefend door monniken, te laten.
Een gelovige kan je echter ook wijzen op de positieve aspecten van het geloof/geloven. De kerk zet zich sinds jaar en dag in voor de minder bedeelden. In vroeger tijden (en soms ook nu nog, hoewel de controle een stuk verscherpt is) was de kerkelijke gemeenschap ook vaak uit op eigen winst, en was dan ook een van de rijkste instellingen. In veel landen heeft de kerk trouwens nog altijd belastingvrijstelling. Tegenwoordig speelt de kerk financieel maar ook ‘intellectueel’ (idee-matig) een grote rol bij het opzetten, steunen en in stand houden van allerhande projecten in derde wereld landen en in landen waar oorlog woedt. Tevens heeft het geloof aan vele zielen een leidraad voor het leven geboden. Met de kerk als ontmoetingsplaats, die regelmatig bezocht diende te worden (sociale controle in positieve en negatieve zin), en haar kerkelijke activiteiten vormde het geloof ook een middel om anderen te ontmoeten, te steunen, te helpen
De uitgangspunten van het geloof, help uw medemens en eert uw vader en uw moeder, om er maar eens paar te noemen, zijn mijns inziens prijzenswaardig. Het is daarom ook doodzonde (letterlijk en figuurlijk) dat datzelfde geloof ook zoveel ellende heeft veroorzaakt.

Om terug te komen op jouw vraag, wat is de psychologische basis van het geloof; voor het antwoord heb ik het boek Psychologie van de Religie, godsdienstpsychologie in verband met filosofie en theologie van Prof. Dr. P.J. Roscam-Abbing (Van Gorcum, Assen, 1981) geraadpleegd. In dit boek wordt aan de hand van verschillende vragen, die de mens zichzelf al zolang zij [hij dus, zie boven] leeft stelt, het bestaan van god (-sdienst) beredeneerd. De vragen vallen uiteen in drie categorieën: wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Ik zal die levensvragen per categorie behandelen en de tekst van Roscam-Abbing (in cursief) daar waar ik dat nodig acht, van commentaar voorzien.
Voor de duidelijkheid: Roscam-Abbing houdt in zijn boek geen pleidooi voor godsdienst en het bestaan van God maar zet slechts de redeneringen op een rij.

1. Dat wat is
(Wat kan ik weten?)

a. Doelmatig
De wereld zoals die zich aan ons voordoet, is oneindig kunstig, gecompliceerd en doelmatig opgebouwd. Hoe kan dat? Geeft de evolutietheorie voldoende antwoord? Spelen toeval en causaliteit deze bijna doordacht-regulerende rol? Bepaalt genese, het ontstaan van het een uit het ander, het hele huidige wezen? Zijn wij mensen voortgekomen uit de eerste (levende) eencelligen? Dit laatste kan niet waar zijn; een mens kan en mag zichzelf niet beschouwen als een ingewikkeld geworden ding. Wat is dan de verklaring van de compositie van de natuur? Dat wat is, zou niet kunnen zijn zonder de verfijnde doelmatigheid, die de wereld en haar gangen lijkt te besturen. Een scheppend wezen, God, zou uitkomst bieden.

De vormgeving van de natuur is inderdaad bijna magisch. Bijna. Door de eeuwen heen zijn we op natuurwetenschappelijk gebied een heel stuk verder gekomen en worden steeds meer fenomenen, die eerst magisch leken, verklaard aan de hand van krachten, golven, deeltjes, deling, fusie, mutatie en gaan zo maar door. De vraag is of er een God nodig is om de wetmatigheid van de natuur te verklaren.
Daarbij denk ik dat velen van ons zich er al bij neergelegd hebben dat wij ooit zo verheven menselijke schepsel, gewoon afstammen van de apen of welke soort dan ook. Onderzoek naar hersenstructuren, prehistorische beenderen, genetisch onderzoek; er is erg veel dat erop wijst dat de mens ook een dier is en dus geen aparte, verheven soort vormt. We zijn een ingewikkeld ding (of dier) en de meesten van ons hebben zich daarbij neergelegd.

b. Het zijn zelf
Niet alleen het zo zijn maar ook het zijn zelf roept vragen op. Wat is de grond, het geheim van het zijn? Deze vraag geldt het ding, meer nog de plant, meer nog het dier en nog meer de mens. Er is met de mens iets verbonden dat haar anders maakt dan dier of plant. De mens is een geheimzinnige werkelijkheid of vertegenwoordigt die. Die achterliggende geheimzinnige werkelijkheid zou God zijn.

Dit doet erg ouderwets aan. De biologische hiërarchie, de mens als opperwezen. De mens als vertegenwoordiger van het mysterieuze en mystieke. Wat mystiek of mysterieus is, is onbegrepen, wat niet betekent dat het niet begrepen kan worden, voor begrip vatbaar is. Sofie van der Sluis schreef enkele WB’s geleden een stuk over toeval waarin toeval werd gezien als het onbekend zijn met alle omstandigheden. (Zie ook Lam of Blind door Sofie van der Sluis.) Het niet kunnen verklaren van toevallige of mystieke gebeurtenissen betekent niet dat ze niet verklaarbaar zijn op een realistisch, dat wil zeggen aards niveau. Ook hier rijst de vraag of God nodig is om te verklaren. Laten we eerst nagaan hoe geheimzinnig de werkelijkheid eigenlijk is. Misschien valt dat wel reuze mee en hebben we God niet nodig.
De trend is dan ook duidelijk: hoe meer wij begrijpen van de wereld om ons heen, hoe minder goden nodig zijn. Nu we de oorzaak kennen van zonsverduisteringen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, besmettelijke ziekten etcetera, is het steeds minder nodig te grijpen naar het verheven wezen als verklaring. En een paar Newtons, Einsteins en Hawkings verder weten we weer meer.
Voor verklaring van de natuurfenomenen hebben we God dus niet meer nodig. Maar God (-sdienst) als leidraad voor het leven, blijft. Wat als die leidraad wegvalt? Daarover straks meer.

c. Het begrip van het hoogste zijn
De mens draagt met zich mee een begrip van het hoogste zijn; een alles funderend, alles omvattend, alles bepalend, alles verklarend zijn. Kan een dergelijk idee bestaan zonder dat daar grond voor is?

Het idee dat God wel moet bestaan omdat de mens anders niet zo vervuld zou kunnen zijn van die gedachte, is onder andere afkomstig van Anselm van Canterbury, René Descartes en Benedictus (Baruch) de Spinoza.
Descartes (1596-1650) schreef in zijn boek ‘Metafysische overdenkingen’ (met als onder titel ‘Over God, dat hij bestaat’):
“De in mijn voorhanden idee van God als oneindig volmaakt wezen kan niet door mijzelf zijn voortgebracht. Want een gevolg (in dit geval de idee van God), kan niet meer volkomenheid bezitten dan de oorzaak ervan, waaruit volgt dat niet ikzelf, als eindig mens, de oorzaak ben van mijn idee van God, maar de oneindige God zelf, die dus bestaat.”
Spinoza (1652-1677), die van mening was dat al hetgeen werkelijk is, berust in het bestaan van God of de Ene substantie, schreef de volgende regels:
“Gods wezen houdt diens bestaan in. Onze idee van God heeft God als oorzaak.”
Ook Anselm van Canterbury schreef enkele godsbewijzen, waarvan er één, opgenomen in zijn boek ‘Monologium’ (1070), als volgt luidt:
“Het bewijs uit het grootste, het hoogste en het beste. Het bestaan van het relatief goede veronderstelt dat van het absoluut Goede: relatieve grootheid en hoogte zijn alleen mogelijk door het bestaan van het Allergrootste en het Allerhoogste.”
Hoewel ik bovenstaande redeneringen met plezier lees, ze mooi en zelfs elegant vind, kunnen deze mij niet overtuigen. Het idee dat een mens geen volmaakter idee kan hebben dan hij/zij zelf is, is op zich aardig, mooi bedacht en filosofisch interessant. Overtuigend is het echter niet. Zou die redenering namelijk niet betekenen dat als ik mij het beeld vorm van een super intelligente, invloedrijke en goede geaarde kever, deze schildknaap ook daadwerkelijk zou moeten bestaan? De kever zal immers volmaakter zijn dan ik en hoe kan een volmaakt idee een onvolmaakte oorsprong hebben?
Het antwoord van bovengenoemde filosofen zou waarschijnlijk zijn, dat de vorm er niet toe doet want God is alles en in alles. Of ik nu die kever, een nagelborsteltje of God die eigenschappen toeschrijf.
Ik kan als onvolkomen wezen dus geen verheven ideeën hebben zonder dat die mij door een ander ingeprent zijn. Persoonlijk geloof ik dat niet. Ik zie daar geen bewijs voor en ben dus ook hier weer van mening dat het ‘verzinnen’ van een nieuwe entiteit om bestaande dingen te verklaren vooralsnog niet nodig is. Zonder God kunnen we de gedachte aan/over God ook verklaren (zie de derde categorie).

2. Dat wat geldt
(Wat moet ik doen? Waarden die wij niet zelf scheppen maar die wij aantreffen en die over ons heersen.)

a. Waarheid
De mens zoekt de waarheid met behulp van wetenschap, filosofie en godsdienst. Als zij de waarheid vindt, kan zij deze slechts dienen en beamen. Er is sprake van een onafhankelijke werkelijkheid die ook geldt zonder dat de mens haar vindt en erkent. De waarheid is daarmee een metafysische autoriteit. Is het zo dat de mens haar eigen waarden schept? Dat is waar als men bedenkt dat de waarheid voor de mens waar moet worden en dat er dus een proces van herschepping van de waarheid plaats moet vinden. Het is niet juist de mens als pure creator te zien die niet hoeft te gehoorzamen aan de werkelijkheid zoals die zich voordoet.

In deze redenering lopen veel verschillende gedachtenlijnen door elkaar. Ik kan hier niet uitgebreid op in gaan maar zal slechts de zwakke punten in de redenering aanstippen. Het begrip ‘waarheid’, in hoeverre er iets als dé waarheid bestaat en in hoeverre deze kenbaar is, vormt al eeuwenlang stof van discussie. Empiristen zoals Skinner, Ockham, Francis Bacon en Hume, zijn van mening dat ‘the truth is to be found in observations themselves… rather than in interpretations of our observations’. Volgens hen bestaat er dus een objectieve werkelijkheid.
Anderen zijn echter van mening dat er niet maar één versie van de werkelijkheid bestaat. Middels lichtexperimenten die voortkwamen uit de relativiteitstheorie van Einstein, is zelfs aangetoond dat waarneming (het waarnemen) de werkelijkheid beïnvloedt. Uit dat experiment bleek dat fotonen die waargenomen werden een andere baan volgden dan fotonen die niet werden waargenomen.
Weer anderen waren van mening dat de ‘werkelijkheid’ slechts bestaat bij de gratie van waarneming: zonder waarneming bestaat niets (of wel: niets bestaat zonder dat het waargenomen wordt) of ‘esse est percipi’ (zijn is waargenomen worden) (Berkeley, 1685-1753). Deze laatste redenering werd overigens door Berkeley gebruikt als godsbewijs: wij blijven bestaan ook als wij niet door anderen waargenomen worden. Er moet dus een entiteit bestaan die ons voortdurend waarneemt, en dat is God.
Het lichtexperiment toont echter aan dat er niet zoiets bestaat als een onafhankelijke werkelijkheid en dat de mens de werkelijkheid (als je daar al van kan spreken) door haar zijn beïnvloedt. De waarheid is daarmee dus géén metafysische autoriteit.
Je zou kunnen zeggen dat de mens moet gehoorzamen aan (of liever ‘beïnvloedt wordt door’) de werkelijkheid (of liever ‘omgeving’) maar de omgeving moet evenzo gehoorzamen aan de mens. Het actie-reactie idee, het butterfly-effect (kleine veranderingen ver weg kunnen grote veranderingen dichtbij tot gevolg hebben) wijzen allen in de richting dat de werkelijkheid plooibaar en beïnvloedbaar is en dat naast andere factoren ook de mens reacteert (reacties oproept) en reactief is. Ik zie wederom geen noodzaak tot inmenging van een hogere macht.

b. Goedheid
Een oerevidentie maakt de mens duidelijk dat zij verantwoordelijk is voor haar eigen gedrag. Dat zij moet kiezen voor het goede en tegen het kwade en het goede, hoe gebrekkig ook, moet dienen. Dit zijn de moraal en de zeden in ons, die ons door God worden ingegeven.

Ik vraag mij af of het voor de mens evolutionair gezien niet belangrijk is om het goede na te streven. De mens is een kuddedier en voor haar levensbehoeften, zeker in de huidige ‘ruil- en handelsmaatschappij’ afhankelijk van de medemens. In haar eentje kan zij slechts met moeite overleven. De medemens schaden, schaadt dus indirect degene die de handeling pleegt. Enerzijds doordat de geschadene de handelaar niet meer van dienst kan zijn, anderzijds omdat de groep de hem zal verstoten omdat hij schadelijk is voor de groep en de samenhang in de groep. Het feit dat dieren die alleen leven zich geen barst aantrekken van goed en kwaad en slechts hun eigen ziel redden, pleit eerder tegen dan voor het bestaan van God. Want waarom heeft God de andere dieren niet het besef van goed en kwaad meegegeven?

c. Schoonheid
Het schone doet zich aan ons voor, wij beleven het als waardevol en creëren het niet zelf: het openbaart zich aan ons. Doet in het schone iets van een andere orde zich aan ons voor?

Als je om je heen kijkt zie je inderdaad een heleboel dat lelijk is en door mensenhanden gevormd. Dat neemt niet weg dat er ook mooie dingen aan de mensenhand ontsproten zijn: schilderijen, romans, gedichten, sieraden, muziek. Als de mens niet de creator van het schone kan zijn, heeft God dan de hand begeleid bij de creatie van bovengenoemde zaken? Of waren het de muzen?

In deze categorie is sprake van steeds subjectievere zaken: van waarheid, naar goedheid, naar schoonheid. Toch is er, zo schrijft Roscam-Abbing, niet alleen sprake van vrije keus maar ook van objectieve geldigheid. En wat is dan de grond voor deze objectieve geldigheid? Waar komt deze vandaan of hoe wordt deze verklaard? Dat is de hamvraag in deze categorie.

3. Bezinningen
(Wat mag ik hopen? Dat wat zou moeten zijn. De mens kent existentiële behoeften waarvan de bevrediging van fundamenteel belang is.)

a. Houvast en veiligheid
De behoefte aan houvast en veiligheid speelt niet alleen op laag, lichamelijk maar ook op hoog, geestelijk niveau. De ‘lage’ angst voor iets maar ook de ‘hogere’ angst voor het allesomvattende niets zijn aanwezig. De mens kan met die angsten niet leven of zich optimaal ontplooien. De behoefte aan houvast en veiligheid vormt geen godsbewijs maar wel een motief voor godsbeleving.

b. De zin van het leven
Men kan niet leven zonder het idee dat het zijn, het leven en de totale werkelijkheid zinvol zijn. Zonder zingeving is het moeilijk zo niet onmogelijk welbewust actief te leven. Het gaat niet alleen om wat zinvolle relaties zijn maar wat ten diepste de zin van het leven bepaalt. Dat wat op klein niveau nuttig en zinvol is, verliest zijn zin als er geen alles omvattende zin zou bestaan. Bijvoorbeeld: men eet om in leven te blijven maar wat is het nut van leven? Als leven geen ‘nut’ heeft, wat is dan de zin van eten?

c. Behoefte aan goed-zijn van het leven
Men kan niet met vertrouwen en idealen leven als men gelooft dat de werkelijkheid hem alleen vijandig gezind is. Is de tegenspeler (waarmee niet alleen de medemens bedoeld wordt) goed of kwaad?

Voor alle drie de punten geldt dat deze geen bewijs vormen voor het bestaan van God maar zij vormen wel een motief voor het geloof in en het doen ontstaan van God. Velen leiden een ‘schizofreen’ leven: enerzijds geloven zij dat goedheid en veiligheid bestaan, anderzijds leeft het idee dat het er allemaal misschien niet is. Er bestaat twijfel. Men leeft bij wat nodig is maar misschien fictie is. Anderen passen voor die twijfel en leven vanuit de overtuiging dat geborgenheid, zin en goedheid met het leven verbonden moeten zijn. Is er een grootheid nodig die die zaken garandeert? Kant schreef ooit >Ik geloof in rechtvaardigheid en daarom in God want alleen Hij kan uiteindelijk rechtvaardig zijn’.

Zoals Roscam-Abbing al duidelijk maakt bij deze laatste categorie: er is geen godsbewijs maar wel een godsmotief. Deze gedachte zou ik graag doortrekken naar de andere categorieën. Het idee van God biedt verklaring en houvast en zonder houvast kan de mens niet makkelijk leven. Toch vinden een hoop mensen die houvast, die zin van het leven, blijkbaar op een andere manier. De volgende vraag heb ik ter inventarisatie voorgelegd aan verschillende mensen, van wie ik wist dat ze atheïst zijn:

Wat is voor jou de zin van het leven? Bestaat er nog een God of een andere grootheid die je ’s ochtends ‘helpt’ het bed uit te komen? Zo niet, waardoor laat jij je dan leiden?

De reacties kan je hieronder lezen.

Lieve Freekje,

Het leven heeft geen zin, wel een doel. Net als voetbal. Maar wat is dan het doel van het leven? Naar mijn stellige overtuiging gaat het om het opwekken van zoveel mogelijk reactie. Agressie, liefde, alles.
Ziehier de kolossale misvatting die achter New Age schuil gaat. Wie op zoek gaat naar de God in zichzelf ontwijkt de interactie en glijdt naamloos weg in dood, zonder rimpeling te hebben veroorzaakt. Streven naar onsterfelijkheid is streven naar het beitelen van je naam in de annalen van de traditie. Je moet geïnterviewd worden. Je moet schrijven, beminnen, oorlogen ontketenen. Je moet ertoe hebben gedaan. En dat is ook de drijfveer op te staan. Een dag in bed is een dag niet geleefd.

Maarten van Groningen

Lieve Freekje,

Lastige vraag, vooral omdat het antwoord zo vreselijk veelomvattend is. Desalniettemin een paar opmerkingen die een tipje van mijn levenssluier dienen op te lichten. Er zijn geen goden. Niet in de klassieke variant (dikke man met baard op wolk), noch in de modernere varianten (variërend van ‘de alles overkoepelde kosmische krachten, onder de noemer God’ tot ‘er is IETS’). Geen god dus.
Grootheden die mij helpen ’s ochtends uit bed te komen? In tegendeel, zou ik zeggen: als ik in bed lig, werkt de zwaartekracht (gravitatiekracht, g) als enige significante grootheid op mij in. Dat maakt opstaan alleen maar lastiger.
So what makes my clock tick? Wel, (in willekeurige volgorde) onder andere: Humor & een niet ophoudende verbazing omtrent menselijk gedrag (hetgeen nog wel eens in een zeker cynisme wil resulteren).
De liefde
Woede
Miskenning
Erkenning
Vriendschap
Gewoonte. Net zoals voor de meeste mensen geldt, ben ik nu eenmaal een slaaf van mijn gewoontes: ik sta op uit gewoonte.
Verveling. Op een gegeven moment is in bed liggen verschrikkelijk SAAI.
Muziek
Zon
Verder is een niet onbelangrijk streven naar comfort (of ‘geluk’ zoals sommige mensen zeggen), gecombineerd met een onbedwingbare neiging om bereikt comfort ogenblikkelijk weer ongedaan te maken (of ‘je vol overgave in het ongeluk storten’ zoals sommige mensen zeggen). Het nastreven van ideeën en idealen is lolliger dan het bereiken ervan. Een niets ontziende saaiheid ligt anders op loer.
Vergelijk het met muziek. De meest comfortabele klank is het basis 1-3-5-akkoord, opgebouwd uit de eerste, derde en vijfde toon uit een natuurlijke toonladder. Tegelijkertijd is datzelfde akkoord (en muziek opgebouwd uit een reeks van standaard akkoorden) gruwelijk saai. Muziek wordt pas spannend als er wat rare noten in zitten. Hier en daar een beetje vals, tegen de toon, etcetera. Het leven zelf is net zo. Een voortdurend streven naar perfecte harmonieën, die vervolgens worden uitgebreid met extra noten, die harmonie verstoren, zodat er vervolgens gezocht moet worden naar een manier om ook die nieuwe noten weer harmonisch in te passen. En zo maar eindeloos door. Totdat je er in blijft.

Emile Proper

Lieve Freekje,

Persoonlijk kan ik deze ‘zin’ niet echt uit mijn mond krijgen, (tikken gaat ook moeilijk) maar dat komt wellicht door de dubbele betekenis van het aangehaalde woord, dat niet alleen betekenis betekent maar ook regel (en misschien ook nog wel het gebrek aan of ontbreken van betekenis), wat het allemaal al veel te gecompliceerd maakt voor een on-filosofisch dichtertje als ik, die maar doet waar zijn instinct en drift en ook een beetje zijn verstand hem bij wake toe aanzetten om vooral die ene vraag die jij me stelde niet te hoeven stellen. Ik ben iemand die voortrent, Freekje, vaak niet weet waarom behalve dat ik voortmoet en soms denk ik dat dat inderdaad, zoals jij als psychologe nu wel voor me zult bedenken, is om aan mezelf te ontsnappen; een drang om van de grond te komen, gewichtloos te worden, bevrijd, vleugels.
Te diepe introspectie brengt gevaren met zich mee, de ziel is een diepe put, een zwart gat met oneindige zwaartekracht. Leven is voor mij niet een grammaticale, logische of filosofische constructie, vooral een kracht die ik het best kan omschrijven met dat wat Grieken rythmus noemden, ritme. Het leven is oneindig veel wijzer dan onze kennis ervan; rest me niets dan haar te ondergaan. Misschien dat het me nog iets zal leren waar je met je vraagstelling op hoopt, misschien ook niet.

Serge van Duijnhoven

De psychologische basis voor geloof is dus: verklaring en zingeving. Het leven in een begrijpelijke en zinvolle wereld is namelijk veel makkelijker dan maar wat voor de kat z’n kut wegleven. Tenminste, dat denken velen.
Jaap van Heerden schreef ooit een bundel essays getiteld ‘Wees Blij dat het Leven Geen Zin Heeft’ (Ooievaar Pockethouse, 1994). In het titel-essay legt hij aan de hand van drie argumenten duidelijk uit dat we eigenlijk een rondedansje moeten doen, om het feit dat het leven geen zin heeft te vieren.
Ten eerste heeft de gedachte dat het leven wel zin heeft een slechte reputatie verworven. Vernietiging van culturen, godsdienstoorlogen en ideologische moordpartijen zijn altijd terug te voeren op een inhalige en meedogenloze wereldbeschouwing waarin de zingeving aan ons bestaan wordt afgedwongen.
Ten tweede zegt men dat het ontbreken van zin een ramp zou zijn en dat moreel verval het gevolg zou zijn. Maar is dat een noodzakelijk gevolg? Uit de aanvaarding dat het leven geen zin heeft, volgt niet dat wij geen initiatieven meer kunnen nemen om het leven zo aardig en aangenaam mogelijk te maken. Je krijgt maar een keer de kans om te leven en het gaat erom die kans optimaal te benutten.
Ten derde zou het volgens Van Heerden rampzalig zijn als het leven wel zin had. Het dictaat van de zingeving zou elke beweging belemmeren, elk initiatief blokkeren en elk nieuw idee verschralen door de dwingende toetsing in welke mate het bijdraagt aan de alles overkoepelende bedoeling van dit leven. Elke stap zou een afwijking kunnen zijn. Die gedachte is onleefbaar, dus wees blij dat het leven geen zin heeft!

Zonder zin in het leven hebben we ook geen God nodig. Dat betekent weer een onnodige, onverklaarbare en onaantoonbare entiteit minder.

Ik hoop dat ik hiermee je vraag afdoende beantwoord heb.

Bronnen:
De Meningen van de Filosofen, deel III-1 – W.M. Weber – Uitgeverij Konstapel, Groningen, 1987
A History of Psychology, Main Currents in Psychological Thinking (2ed edition) – Th.H. Leahey – Prentice-Hall, 1987
Wees Blij dat het Leven Geen Zin Heeft – J. Van Heerden – Ooievaar Pockethouse, 1994
Psychologie van de Religie, godsdienstpsychologie in verband met filosofie en theologie – P.J. Roscam-Abbing – Van Gorcum, Assen, 1981

About freekje