Vol goede moed, afl. 25: I am the D.J.

Een goede vriend van mij die al enige tijd zonder werk zat, kon als Disk Jockey aan de slag in een trendy café. Tenminste, mits hij een partner zou weten op te snorren opdat er een duo zou aantreden. Aldus vroeg hij mij zijn wederhelft te zijn. Hoewel ik nog nooit twee platen aan elkaar gemixt had en het ‘plaatjes lijmen’ doorgaans verfoei, was ik in de ogen van Barend de geknipte kandidaat voor deze klus, als was het maar vanwege mijn uitermate omvangrijke platencollectie. Een mens wordt geacht zijn vrienden in nood te helpen en dus zou ik Barend aan zijn partner en daarmee aan zijn baan helpen.

Twee dagen later stapte ik tegen tienen met een riant gevulde platenkoffer het etablissement binnen. Op een verhoging achterin stonden de draaitafels te grijnzen, in een gigantisch aquarium achter de bar zwommen wat vissen verveeld heen en weer en de waardin bladerde wat in een onbeduidend damestijdschrift. Verder was er geen levende ziel te bekennen.
Ik bestelde koffie en wachtte af.
Om half elf kwam Barend binnengestormd en nadat hij naar het toilet was geweest, zette hij de werking van de installatie globaal uiteen. Omdat het café nog altijd leeg was, vervoegden we ons kort daarop weer aan de bar. Een dj kan niet zonder publiek, legde Barend mij uit, maar om half twaalf zou het vollopen en dan konden we aan de slag.
Barend ging naar het toilet. Daarna bestelden we drank, zetten een globaal draaischema in elkaar en verveelden ons stierlijk. Barend ging nogmaals naar het toilet.

Toen het om twaalf uur eindelijk tijd was om aan de slag te gaan, zag Barend ijzig wit. Kokhalzend sprak hij me aan.
“Ik denk dat ik een vervuilde pil heb gekregen.”
“Hoe bedoel je ‘vervuilde pil gekregen’?”
“Ik voel me beroerd, man.”
“Wat interesseert mij dat? We moeten nu aan het werk en jij staat op het punt om out te gaan?! Je begint met een nieuwe baan en stopt jezelf vol met pillen?!”
“Sorry man, ik wilde vast een beetje in de stemming komen.”
“Hey really, that’s great. Godverdomme. Wat nu?”
Op dat moment kwam de eigenaar van het café op ons toegelopen en sommeerde onmiddellijk te beginnen Ik stelde de man gerust: we waren zo goed als begonnen. Hij vertrok en ik wendde mij weer tot Barend. Die was inmiddels volkomen out gegaan en lag met open mond op het mengpaneel te kwijlen. Ik zette hem op een stoel en boog mij over mijn meegebrachte platen. Wat nu? “Muziek!”, brulde iemand van beneden. Dank je wel, kloothommel, zover was ik ook al, dacht ik verstoord.

Uiteindelijk vond ik wat ik onbewust had gezocht: de ultieme opener, de plaat waarmee ik de verhouding tussen mij en het publiek zou definiëren. Waarschijnlijk het lijflied van iedere dj.
De naald worstelde zich door de aanloopgroef en bij toeval ramde ik op precies het juiste moment de volumeknop vol open en David Bowie schalde door de ruimte:
“I am a D.J
I am what I play
I’ve got believers
Believing me.”
Zo. Die zat. Dat ze zich daar beneden maar terdege realiseerden hoe de verhoudingen lagen. En nu door met de betere discostampers: Give up the funk, Think, Real mother for ya, Dancing queen, Shake your booty, de ene dansplaat na andere belandde op de draaitafel. De overgangen waren bepaald niet naadloos en de uiteindelijke platenkeus klonk bij vlagen totaal anders dan de bedoeling, maar ik trok er een gezicht bij alsof ik precies wist wat ik deed. Alsof die vreemde overgangen deel uitmaakten van mijn overkoepelend concept. Geen dj zonder concept, per slot van rekening.
En het lukte. Het café zat stamvol en kijk daar: ze dansen! Ze dansen! Nu ja, ze staan niet stil. Eigenlijk is het meer een soort hobbezakken maar dat komt ervan als je je met boerenplatvoeten in ranke Italiaanse schoentjes wurmt. Een groot gevoel van euforie kwam over mij. Ik deed niet alsof, ik was echt de dj. Ik was een succes. Jongens kwamen naar titels en hoezen informeren en brachten mij gratis bier. Meisjes met korte rokjes en lange wimpers kwamen aanhalig vragen of ik straks dat leuke liedje van die jongen die zo goed kon dansen kon draaien. Het charisma van de uitvoerend artiest straalt blijkbaar af op degene die zijn platen draait.

Na een paar uur hitjes aaneen lijmen sloeg de verveling toe. Disco is leuk, maar toch wel veel van hetzelfde. Dat eeuwige gedreun op de tel, begeleid door electronisch handgeklap wordt op een geven moment knap irritant.
Terwijl de draaitafels hun misselijkmakende rondjes draaiden, overzag ik mijn hupsende publiek en overdacht het dj-schap. Een goede dj kan zich niet handhaven door slechts gehoor te geven aan de wensen van het publiek. Dan wentelt hij zich in nostalgie en verwordt hij zelf tot langspeelplaat; Dance Classics volume 250 of iets dergelijks. De dj is verplicht het publiek kennis te laten maken met muziek die het niet kent, opdat nieuwe trends ontstaan en het oeuvre waaruit de dj kan putten almaar groeit.
Deze invalshoek bood nieuwe perspectieven en met hernieuwd enthousiasme boog ik me over de bak met platen. Hier, Perfect way uitgevoerd door Miles Davis. En dan Very, very hungry van Brian Eno. Deze plaat van Steve Coleman swingt ook als een gek. Weliswaar geen vierkwartsmaat, maar wie hier niet op danst, is waarschijnlijk al een paar jaar dood. Een beetje zelfspot misstaat niemand en dus mocht het publiek ook even kennis maken met Frank Zappa’s Dancing fool.
Vervuld als ik was van de belangrijke opdracht mijn dierbare publiek op te voeden, vergat ik de eerste regel van het plaatjes draaien: als het publiek er niet op wil dansen, dan is het bagger. In mijn plots ontsproten drang tot educatie verzuimde ik echter even te controleren of het publiek het allemaal nog wel kon volgen. Een lange rij van vreemde platen werd door de naald betast, en gaandeweg werd mijn keus extremer.
Op een gegeven moment mistte het publiek iedere aansluiting; ik merkte dat pas toen ik tegelijkertijd de laatste hit Metallica en een prachtige solo van Charlie Parker draaide. Een glas bier spatte op de muur achter mij uiteen. Ik keek op en zag hoe de aanwezigen mij zonder uitzondering misprijzend aanstaarden. Vrijwel tegelijkertijd liepen beide platen af. De plaat van Charlie Parker bleef hangen in de laatste groef en veroorzaakte een irritante terugkerende tik, die de aanzwellende stilte prachtig deed uitkomen.
Als verdoofd keek ik het café in; niet wetend wat te doen. Ik leek pas te ontwaken toen ik een hand op mijn schouder voelde. Ik keek op en keek in het gezicht van de eigenaar:
“Ik neem het verder wel van je over”, voegde hij me zachtjes toe.

About emilio