Vol goede moed, afl 28: Voorgevoel

Het leek een eeuwigheid te duren, al was dat natuurlijk onzin. Het ging om seconden. Hoogstens. Was dit dan wat Einstein bedoelde toen hij zijn relativiteitstheorie formuleerde? Vast niet, waarschijnlijk was alleen de adrenalinerush zo groot dat haar hersenen veel sneller dan normaal functioneerden. Een prettige sensatie ergens wel, vond ze, zeker in combinatie met het gevoel van zweven. De snelheid waarmee haar hart klopte deed een aankomende hartaanval vermoeden. Moest ze nog iets doen? Proberen? Ze wist het niet. Ze keek nog eens door de voorruit, maar de koplampen priemden nog in het niets. Een gevoel van ongeduld drong zich aan haar op. Dat was natuurlijk absurd, en ze moest er even van giechelen. Ze bedacht zich dat ze zich ernstig vergist had en dat zich ten onrechte zorgen had gemaakt. Zo ging het moment voorbij.

“Nou, het kan hier ’s avonds natuurlijk behoorlijk spoken en veel aansprak heb je niet maar we hebben ruimte en rust. Heerlijk hoor, weg uit de stad.”
Anja schrok op. Ze had absoluut niet zitten luisteren naar het verhaal dat haar schoonbroer had afgestoken. De drukkende hitte had haar aangenaam doen wegdoezelen. Ze glimlachte en keek nog eens over het erf van het tot boerderette gerestaureerde buitenhuis. Bij de sloot gingen de twee kinderen elkaar te lijf in een schijnbare strijd op leven en dood. Ze raakten er niet over eens wiens beurt het was op de knalrode speelgoedtractor te rijden. Ruimte en rust. Tja, dat moest je toch toegeven. Je had zoveel ruimte dat je kinderen elkaar konden afslachten zonder dat je er iets van merkte. Lekker rustig inderdaad.
De oudste deelde een paar rake klappen uit en beslechtte de strijd in haar voordeel. De jongste kwam luid brullend verhaal halen bij zijn vader. Het was gedaan met de rust. Zoete woordjes, koekje, bij tante op schoot. Als je maar genoeg verheugenswaardigheden biedt, is alle ellende snel vergeten. Gelukkig kwam haar zuster weer het terras op geschuifeld met verse koffie. Het gelukkige gezinnetje keuvelde lustig voort en Anja verzonk weer in gedachten. Het kind klom weer van haar schoot en bedelde bij de moeder om een volgend koekje. Hengelde het naar een koekje of solliciteerde het naar een knal? Een subtiel verschil.

Die ochtend had Rob op het laatste moment besloten toch maar niet mee te gaan naar haar zuster. Opeens was het van ‘utmost priority’ dat de kozijnen weer eens in de verf werden gezet. Gelul van de bovenste plank. Rob had gewoon een hekel aan Anja’s schoonbroer. Helaas was de man erg op hem gesteld en wilde hij uitgebreide gesprekken voeren over de nieuwste Audi, remsystemen of andere autotechnische aangelegenheden. Rob interesseerde zich daar in het geheel niet voor. Anja en Rob waren de eigenaar van een of andere tweedehands Japanse auto. Rob moest desgevraagd op het kentekenbewijs kijken om te zien welk merk het betrof. Ze had er geen probleem van willen maken en dus was Rob op het dak geklommen en was Anja alleen in hun hoestbui op wielen naar Drente gereden.
Anja stelde zich voor hoe Rob in de dakgoot stond te balanceren hardop vloekend omdat hij niet gewoon mee was gegaan naar Schoonebeek. Hij had een vreselijke hekel aan schilderen, maar was te zuinig om een schilder te bellen. Woest zou hij met brander en krabber staan zwaaien om een onzichtbaar publiek zijn ergernis kenbaar te maken. Als hij maar niet door de dakgoot zakte. Dan zou hij zonder twijfel zijn nek breken. Of erger nog, op de punten van het tuinhek gespietst worden. De punten zouden door hem heen prikken als een vork door een malse biefstuk. Terwijl hij lag te stuiptrekken zou het bloed uit een keurig rechte rij gaten spuiten alsof hij de grote fontein in Parc Citroën was.
“Is alles in orde, Anja? Je ziet zo wit.”
Ze keek op en zag het bezorgde gezicht van haar zuster. Het was niet in orde. Opeens wist ze het zeker. Het was helemaal mis. Ze moest onmiddellijk naar huis. Haar man had haar nodig.
“Ik moet naar huis!”
“Waarom? Wat is er dan?”
“Er is iets met Rob. Ik moet weg.”
Anja stond op en zocht naar de autosleutels in haar tas. Haar zuster bleef maar doorvragen wat er dan was. Anja draaide zich om en zei dat ze wist dat er iets met Rob gebeurd was. De schoonbroer opperde dat het wellicht handig was gewoon even naar huis te bellen.
Er werd niet opgenomen.
Met het gezin in haar kielzog beende Anja opnieuw richting auto. Met piepende banden reed ze weg.

Door de versleten schokdempers was het nauwelijks mogelijk de auto onder controle te houden als je harder reed dan honderd kilometer per uur. Telkens als Anja het gaspedaal te diep indrukte op de rechte stukken van de weg richting Zwolle, begon de auto gevaarlijk te slingeren. Kwaad nam ze dan gas terug en wenste dat ze een Audi hadden gekocht in plaats van zo’n roestbak. Had Rob nu maar geluisterd naar haar schoonbroer. Op het moment dat ze aan Rob dacht, zag ze onmiddellijk weer bloedende ledematen voor zich.
Net nadat Anja bij Zwolle de A28 was opgereden, barstte een vreselijk onweer los. De ruitenwissers raasden op volle snelheid heen en weer maar konden de hoeveelheid water niet aan. Zachtjes voor zich uit vloekend, reed ze verder. Telkens voerde ze snelheid langzaam op, maar bij honderdtien kilometer per uur moest ze iedere keer snel gas terug nemen. Op dat moment begon de auto zo vreselijk te dansen dat ze beide rijstroken nodig had om de afwijkingen van de auto te corrigeren.
Even voorbij Harderwijk haalde ze in een bocht een vrachtwagen in. Ze voelde de wagen wegslippen. Met meer geluk dan wijsheid kreeg ze de auto weer onder controle. De vrachtwagen toeterde luid en gaf een kwade lichtshow weg. Geschrokken nam ze gas terug. De vrachtwagen passeerde haar. De zuiging van de vrachtauto deed haar nogmaals slippen. Ditmaal was ze er op voorbereid.
Ze had al zo vaak tegen Rob gezegd dat er nieuwe schokdempers en banden moesten komen. Nu zag je maar wat er van kwam. Terwijl hij in de stromende regen lag te creperen, kon ze niet eens doorrijden om haar man te helpen. Van alle ellende begon ze ook nog eens te huilen. Ze sprak zichzelf kwaad toe. Zit niet zo stom te janken, trut! Dat helpt niets! Zo zie je helemaal niets meer! Hou je ogen op de weg en rijd door, verdomme! Ze drukte het gaspedaal diep in; de auto hoestte wat en schoot vooruit.

De afslag naar de A1 nam ze te snel. Ze wist het eigenlijk al voordat de auto begon weg te draaien. Even hoopte ze nog dat het vanzelf goed zo komen. Ze nam zelfs geen gas terug. Dat de banden op een of andere manier weer grip zouden krijgen op het asfalt en dat de auto de bocht net zou halen. Dat alles in orde was, dat ze bijna thuis was. Maar het was niet in orde. Opeens wist ze het zeker. Het was helemaal mis. Ze zag de vangrail op zich afkomen. Met een knal klapte ze eroverheen.

Zo ging het moment voorbij. De auto boorde zich met loeiende motor in het zompige grasland.

About emilio