Vol goede moed, afl 29 – van een gulden en een lampje

Dat de regen met bakken uit de hemel pleurde, mocht de pret niet drukken. Dat mijn zuster en ik ter hoogte van Breda gedwongen werden een omleiding te volgen ook al niet. Sterker nog, toen we vijf verregende lifters zagen staan, besloten we die ook maar meteen op weg te helpen. De oude Buick van mijn zuster heeft immers een zeer ruime achterbank.Het vijftal nestelde zich achterin, mijn zuster zette de verwarming een slag hoger. Kort daarop was een diepe slaap over de vijf lifters gekomen. Zij sliepen en waterdamp steeg op uit hun kleren.
Mijn zuster en ik kwamen uit Marseille en reden om vier uur ’s nachts kalmpjes de laatste kilometers richting Amsterdam.

“Waarom heb je dat lampje eigenlijk nooit laten maken?”
“Welk lampje?”
“Dat accu-lampje daar”
“Hoe bedoel je?”
“Eenvoudig: dat lampje hoort alleen te branden als de accu niet langer tijdens het rijden wordt opgeladen.”
“Ja, en?”
“Wel, in jouw auto brandt het dus altijd, behalve als de accu niet langer wordt opgeladen. Ten minste, dat zeg jij. Maar is dit lampje ooit wel eens uitgegaan?”
“Nee, gelukkig niet. Dat zou pech onderweg impliceren.”
“Aha.”
“Heb je ook nog een goede reden voor dit vragenuurtje of zit je gewoon een beetje in het wilde weg te zeuren?”
“Laat maar.”

Ik zag af van verder vragen omdat ik het onheil niet over ons af wilde roepen. Dat het zicht steeds slechter werd, weet ik aan de zware regenval. Het had heus niets te maken met afnemende accuspanning. Ook toen de cassetterecorder het vijf minuten laten begaf, zei ik niets. Mijn zuster houdt niet van kritiek op haar auto.
Pas toen de ruitenwissers zich nauwelijks meer over de ruit wilden bewegen, besloot ik haar nogmaals lastig te vallen.

“Zeg, toch nog even over dat lampje…”
Mijn zuster zat nog aan de cassetterecorder te frummelen in de ijdele hoop hem weer aan de praat te krijgen en keek geïrriteerd op.
“Wat?!”
“Ik heb een andere theorie over dat lampje: het brandt altijd en als de accuspanning afneemt dan gaat het aan.”
“Dat is dus gelul van de bovenste plank. Dan zou je nooit merken dat je in de problemen zit. Bovendien: een lampje dat aan is, kan niet aangaan.”
“Exactly my point.”
“Expliques-toi..”
“Kijk eens op de weg.”
“Verdomme, de koplampen zijn stuk.”
“Nou, laten we dat iets nader specificeren.”
“…”
“De koplampen, de ruitenwissers, de blower, de cassetterecorder doen het niet meer. Gezien de vreemde manoeuvres van achteropkomend verkeer en dito lichtsignalen, heb ik ook mijn twijfels over de achterlichten. Nu mag je kiezen:
Zijn al deze dingen toevallig juist stukgegaan of loopt de accuspanning terug?”
“Fuck.”
“Right!”

Dit is ‘em. De Buick (spreek uit: Bjoewik) 1958 Roadmaster van mijn zuster
De kap kan gelukkig ook dicht.

Het lampje had dus begeven. Of het had het nooit gedaan, dat maakte verder weinig uit. Feit was dat we zonder licht of ruitenwissers op de snelweg reden. De regen stroomde nog altijd met bakken uit de hemel waardoor wij vrijwel niets zagen. Andere automobilisten zagen ons ook pas op het laatste moment.
Een truck met oplegger reed zich bijna op ons te pletter. Toeterend en flitsend als een mobiele discotheek maakte de chauffeur zijn ongenoegen kenbaar. Een van de vijf lifters achterin werd er wakker van. Jezus!, concludeerde ze. Dat vatte de situatie aardig samen.
Omdat het onverstandig leek de Buick zonder licht tot stilstand te brengen op de eveneens onverlichte vluchtstrook, besloten we te opteren voor de eerste de beste afslag.
We bleven redelijk veilig achter een grote vrachtwagen hangen, totdat we een verlicht parkeerterrein zagen. We draaiden het terrein op. Op het moment dat we tot stilstand kwamen, sloeg de motor af.
Nu werkte alleen het gewraakte lampje nog.

Maar dat hield het er even later ook mee op.

De lifters werden wakker.
“Zijn we er?”, vroeg een van hen hoopvol.
“We zijn. En ‘er’ ook. Maar vraag me niet waar”, vond mijn zuster.
Pluspunt was in ieder geval dat de regen stopt was. We stapten allemaal uit. De lifters verkenden de omgeving.
Mijn zuster opende de motorkap. Zo zagen we er tenminste goed gestrand uit. Verder viel er weinig te doen. Het euvel was ons bekend. Gebrek aan stroom. Stroom heb je echter niet kant en klaar in de gereedschapskist. De lifters hadden net als mijn zuster en ik geen mobiele telefoon. Wel hadden ze droge kaakjes die ze gezellig uitdeelden.
We bleken op een of andere meubelboulevard. Aan de horizon stond iets dat leek op een onvervalste groene telefooncel. Mijn zuster liep erheen en belde de ANWB. De lifters en ik concludeerden intussen eensgezind dat we absoluut niets wilden hebben dat in de etalages van de meubelboulevard te bezichtigen viel. Alles was lelijk.
Net als de meubelboulevard zelf trouwens.
Mijn zuster kwam weer teruggelopen. De ANWB was onderweg, we bleken in Zoeterwoude en het kon nog wel even duren. Ze moesten er iemand voor uit zijn bed bellen.

Het duurde nog wel even. En bovendien nog wel iets langer dan dat.
De lifters werden balorig van het wachten en overwogen een tijdje in te breken bij de nabij gelegen bierbrouwerij. Dat voorstel werd uiteindelijk weggestemd. Kort daarop sloopten ze een van de vele uithangborden van de meubelboulevard. Een souvenir van een memorabele avond.
Trots lieten de langsten van het stel het bord zien:
Oase Slaapkamers
Een oase van rust

Dat was pas een slagzin.
Het bord verdween in een rugzak.

Uiteindelijk naderde het gele ANWB-mobiel. En de chauffeur reed ons straal voorbij. Tien minuten later keerde hij terug en stopte keurig naast de Buick. De ANWB-man stapte uit en wreef zich de slaap uit de ogen.
Wat is het probleem?”
“Het lampje van de accu blijkt het toch niet te doen.”
, antwoordde mijn zuster.
“Dus doet geen enkel lampje het nu meer. De startmotor trouwens ook niet. Ik betwijfel bovendien of de bougies zouden willen vonken.”, vulde ik aan.
“Hmm-hmm. Trubbels met de laadstroom”, concludeerde de man.
Hij trok wat kabels uit het tot de nok gevulde ANWB-mobiel. Hij las wat metertjes af, startte de motor middels zijn eigen ANWB-accu, liet de motor eens wat razen, wreef zich nog eens in de ogen en zette de motor toen weer uit.
“Dat is een oud beestje, zeg. Een Amerikaanse Bjoek, als ik me niet vergis.”
“Bjoewick.”, verbeterde mijn zuster maar daar reageerde de man niet op. Als Buick-bezitter ergert ze zich altijd aan het feit dat slechts weinigen weten hoe je de naam uitspreekt.
De man had het euvel geconstateerd. De spanningsregelaar was defect. En of het we niet hadden gezien dat het accu-lampje op het dashboard was gaan branden. Mijn zuster legde nogmaals uit dat het lampje altijd brandde. Dat leek de man weinig handig: dan kon je niet zien dat het aanging bij als de spanning te laag werd.
“Maar niet getreurd. Ik zal de accu opladen en een directe verbinding naar de dynamo leggen. Dan kunnen jullie weer verder. Dat is nou weer het mooie van een oude auto als een Bjoek…”
“Bjoewick.”, verbeterde mijn zuster.
“…er zit geen enkele chip in, dus je bent zo uit de brand.”
Dat viel tegen.
De dynamo lag weliswaar keurig binnen handbereik maar de eigenlijke spanningsregelaar bevond zich echter ergens onder de motor. Om daar bij te kunnen, dienden luchtfilter, accu, diverse kabels, slangen en de dynamo te worden verwijderd.
Daarop besloten de lifters hun rugzakken op te nemen en op zoek te gaan naar een nieuwe lift.
Ze sjokten terug richting de snelweg. Het Oase-bord stak uit een van de rugzakken.

De ANWB man sleutelde er lustig op los, nauwlettend door ons op de vingers gekeken. Het ochtendgloren diende zich in het oosten aan. Toen de zon al zeker een uur op was, zat de Buick weer in elkaar en plofden de zes cilinders er weer lustig op los. De cassetterecorder, verlichting en ruitenwissers deden het gelijk ook weer.
Ik deed de motorkap weer dicht en intussen rekende mijn zuster af.
We vervolgende de rit. Nabij Amsterdam bleek dat we keurig op tijd waren voor de ochtendspits.
Hoeveel moest je nou betalen?”
“Eén gulden.”
“Eén gulden?”
“Vijfentwintig cent voor het draadje en vijfenzeventig cent voor het zekeringetje dat hij erin gezet heeft.”
“Dat is niet veel.”
, concludeerde ik.
Mijn zuster zei niets en reed weer vijf meter verder in de file. Ook niet veel.<!–
BIJSCHRIFT
–>

About emilio