Vol goede moed, aflevering 24: l’ascenore è incastrata

Overal in Rome weerklinkt een kakofonie van claxons, sirenes, alarmbellen en andere lawaaibronnen. Italianen houden niet alleen van uiterlijk vertoon, ze zijn eveneens gek op overdreven audio-gadets. Zo heeft iedereen heeft een mobiele telefoon, maar er is niemand die gebruikt maakt van de silent mode. Toen de lift die ons naar de twaalfde etage moest brengen vastliep, waren we dus reuze benieuwd naar het op handen zijnde geloei. We verwachtten dat de noodklok van de lift op zijn minst een soort luchtalarm in werking zou zetten.

Ook de Fiat 500 maakt veel lawaai
Na een etentje in het centrum van Rome hadden we besloten de avond tot een mooi einde te brengen op het riante balkon dat uitzicht bood over Rome bij nacht. We hadden een paar flessen wijn koud staan en leken verdorie wel gelukkig. We waren in het belachelijk kleine liftje gestapt dat zich krakend en rammelend in beweging had gezet. Dat baarde ons geen zorgen: het rammelde al de hele week. Snel ging het niet, maar het alternatief, 12 trappen te voet, was gezien de hitte weinig aanlokkelijk.
Annette en ik waren verwikkeld in een discussie over taalverwerving: zij had Italiaans geleerd van een vroeger vriendje en sprak daardoor nu een soort gebrekkig dialect dat in de omgeving van Venetië uitermate bruikbaar is, maar in Zuid-Italië eerder als belediging wordt gezien. Ik daarentegen heb Italiaans uit een boekje geleerd en wordt derhalve nergens voor vol aangezien; voordeel is weer dat ik mensen niet direct tegen me in het harnas jaag. Een lastige afweging.
Victor had al dagen last van de warmte en liet geen enkele gelegenheid onbenut het voorhoofd te deppen met een klamme zakdoek.
Vivian en Barend vermaakten zich intussen voor de zoveelste keer met het bordje dat maximaal gewicht en aantal personen toegestaan in de lift weergaf: 6 persone, 255 chilo. Het was inderdaad komisch: de lift was zo klein dat wij, vijf man van modaal postuur, genoodzaakt waren tijdelijk intiemer met elkaar om te gaan dan ons lief was. Een zesde persoon kon er met geen mogelijkheid bij.
En toen kwam het liftje dus tussen de tiende en elfde verdieping met een schok tot stilstand. Het lampje aan het plafond sputterde nog even en hield het vervolgens ook voor gezien. Het kan nog knap donker worden in een lift. De lift bleek zo vol dat we, ondanks vele glazen wijn en flinke schok, niet konden omvallen; hetgeen wel weer praktisch was.

Vivian haalde een aansteker te voorschijn en Barend drukte nogmaals op de juiste knoppen. Het mocht niet baten: de lift liet zich niet vermurwen, er kwam geen enkele beweging meer in. Bijgeschenen door het flakkerend licht van een aansteker zochten we naar de alarmknop.
Barend drukte. Ring. Zachtjes klonk een belletje, dat onmiddellijk weer verstomde op het moment dat de knop werd losgelaten.
“Aha. Op die manier. Ik vrees dat we hier nog wel een paar uur zitten, voordat iemand dit gehoord heeft…”, concludeerde Vivian.
Prompt begon Victors ademhaling vreselijk te piepen.
“Luchttekort! We zullen stikken! Jongens, ik geloof dat ik ga flauwvallen!”, piepte hij.
Annette stelde hem gerust: er was helemaal geen ruimte om te vallen en een paar flauwe opmerkingen meer of minder zou ook niet echt opvallen, waarop het piepen stopte en Victor beledigd zijn zakdoek weer te voorschijn haalde.
Annette en Barend hadden inmiddels met een paar stukjes kauwgum de alarmknop vastgezet, zodat het belletje nu constant rinkelde. Effect had het echter niet.
We vroegen ons af of er wel iemand in het pand was. Rome in augustus is vrijwel verlaten en de heersende hittegolf had ook de paar achterblijvers doen besluiten een kustplaats op te zoeken.
De ventilator bleek net als lift en licht de geest te hebben gegeven. Het werd knap benauwd. Met pijn en moeite wisten we de binnendeur van de lift naar binnen open te klappen. Weliswaar stonden we nu nog dichter op elkaar, maar een lichte luchtstroom was ons deel.
We wachtten. Maar dat haalde weinig uit.

Uiteindelijk klonk er van beneden vaag een stem.
“Signore?!”
“Si!”, riepen wij in koor. Daarop barstte de vrouw los in een praktisch eindeloze stroom volledig onverstaanbaar Italiaans. We werden er stil van. Op het moment dat de vrouw eveneens haar mond hield overlegden Annette en ik. We concludeerden dat we hier met geen mogelijkheid Italiaans van konden maken. We besloten om een langzame herhaling te vragen.
“Non capisco. Potrebbe parlare più lentamente, per favore?”
Daar was de mevrouw weer even stil van. We vreesden juist dat ze weer was weggegaan, toen ze opnieuw met schelle stem een tweede poging inzette.
“Signore?!”
“Si?!”
Wederom barstte de vrouw los in onnavolgbaar gebrabbel. En uiteindelijk viel ze weer stil.
“Può aiutarmi? L’ascensore non funziona, l’ascenore è incastrata! “, antwoordden wij dus maar.
In de daarop volgende stilte bemerkten we dat het alarmbelletje nog altijd rinkelde. Barend probeerde de kauwgum weer los te peuteren. Plots kreeg Victor het op zijn heupen, wrong zich richting de deur en schalde door de liftkoker: “Ha dei francobolli?! Vorrei del caffè!”
Victor, hou je in! Dit is geen moment om naar postzegels of koffie tevragen. Blijf nu maar rustig staan hyperventileren en laat Annette het gesprek voeren!”,
Vivian sleurde Victor bij de liftdeur vandaan. Annette riep de mevrouw en excuseerde zich voor Victors gedrag. Er kwam geen antwoord. De mevrouw was weggegaan.
Een niet geringe tegenvaller. Barend haalde een vers stuk kauwgum voor de bel te voorschijn en Victor kondigde opnieuw aan dat hij bezig was flauw te vallen.
Na lang wachten keerde de vrouw terug.
“Signore?!”
“Si?!”, bulderden wij geestdriftig.
Meer geratel, ditmaal wisten we een aantal essentiële woorden op te vangen: il telefono, ai pompieri, en vooral: mi lasci in pace, presto!. Oftewel: de brandweer was gebeld en als we haar nu niet onmiddellijk met rust lieten dan zou ze terugbellen dat het niet langer nodig was. We bedankten de mevrouw en schakelden de bel weer uit.

Terwijl het zweet ons tappelings over de rug liep, wachtten we. Eerst een kwartier, toen een half uur.
Annette kreeg de slappe lach: ze realiseerde zich de absurditeit van het rinkelende alarmbelletje in een stad waar zelfs een Fiat 500 voorzien was van een soortement vrachtwagentoeter. Hoewel haar vrolijkheid aanstekelijk werkte, waren toch vrij snel weer uitgelachen: van lachen krijg je het nog warmer.
Vijf minuten verstreken.
Victor constateerde hardop dat hij dorst had, hetgeen Vivian er aan deed denken dat ze naar de wc moest. Vrijwel onmiddellijk hadden we alle vijf dezelfde problemen.
Terwijl we in de krappe ruimte van het ene op het andere probeerden te hupsen, kropen tien minuten voorbij.
Om de feestvreugde te verhogen riep ik jolig in het pikkedonker: “Ik zie, ik zie wat jullie niet zien en het is zwart.” Reden voor Annette om een flinke mep uit te delen. Helaas stond Victor tussen ons in en was hij het slachtoffer.
Warmte maakt prikkelbaar, zo bleek eens te meer. We wachtten en vroegen ons af hoe heet het in de lift zou zijn. Vervolgens raakten Barend en Vivian in onmin.
“Wat loop je toch tegen me aan te rijden, man?”
“Ja, rot op zeg, blijf je even normaal doen?”
“Ik vind dat zo kinderachtig om zo’n situatie te misbruiken. Echt nog erger dan die ventjes in de bus.”
“Schatz, als het aan mij zou liggen, dan zou ik niet eens bij je in buurt staan: je verspreidt een misselijkmakend penetrante geur, dus ga jezelf nu niet lopen vleien met de gedachte dat ik zelfs maar tegen je aan zou willen rijden.”
“Ik voel het toch duidelijk, klootzak!”
“Wishful Thinking, I guess. Hoe weet je eigenlijk dat ik het ben?”
“Jij bent toch degene die achter me staat? Bovendien zat je ook al de hele avond naar mijn borsten te staren!”

Een luide sirene maakte verder gesprek onmogelijk. De pompieri reden de straat in! Toen de sirene was uitgeschakeld, drukte Vivian bij wijze van antwoord nog even op het alarmbelletje. Prompt kregen we opnieuw de slappe lach en konden we de mededelingen van de pomieri niet verstaan.

We luisterden met gespitste oren. Gestommel op de trap. Vier man omhoog.
Stilte.
Vier man omlaag. Lange tijd niets.
Vier man omhoog. Klappen op een deur.
Weer stilte.
Het geluid van een ijzerzaag. Victor vroeg zich af of ze misschien gemakshalve de liftkabel doorzaagden. Vivian betwijfelde dat. Plots een stem vlakbij: het zou niet lang meer duren.
Kort daarop kwam de lift in beweging. Heel langzaam kroop de lift omhoog, de deur van de elfde verdieping kwam in zicht.
Op het moment dat de deur werd geopend wrong Victor zich met geweld naar buiten en wilde de dichtstbijzijnde brandweerman de hand schudden. Luid congrazi roepend, stak hij zijn hand naar de man uit. Die wilde zich echter niet laten feliciteren door Victor. Al helemaal niet toen hij zag dat er vijf man uit de lift kwam. Hij riep zijn collega’s erbij die al even verontwaardigd keken.
De diensdoende commandant kwam erbij en begon ons uit te voeteren. Hoe wij het in Maria’s naam in ons hoofd haalden om met zijn vijfen in die lift te gaan staan? Ter verdedging voerde ik aan dat het bordje in de lift vermeldde dat er wel zes personen in de lift mochten, maar dat mocht niet baten. De commandant verklaarde ons nog steeds voor gek: zelfs een kind kon immers zien dat dat nergens op sloeg. We waren toch niet gek? In Italië betekende zo’n bordje helemaal niets, zo melde hij in niet mis te verstaan Italiaans. Vervolgens haalde hij een boekje te voorschijn en schreef een forse rekening uit die hij Victor in de nog immer uitgestoken hand duwde.
De brandweer vertrok en wij spurtten de laatste trap op. Bij de voordeur kregen we ruzie over wie er het eerst naar de wc zou mogen.
Het bleef nog lang onrustig in verhit Rome.


Ah…Roma!!


Boze brandweerman

About emilio