Vol goede moed, aflevering 26: Ardenner kou

Hitler verkeek zich indertijd ook lelijk op de Ardennen. Het Ardenner-offensief dat Hitler in de winter van ’44 verordonneerde, was een wanhoopspoging. De actie was slecht georganiseerd. Bij de geallieerden was het echter ook een zooitje, dus het had nog best een strijd met gruwelijker afloop kunnen worden, ware het niet dat Hitler geen rekening had gehouden met de weerzinwekkende koude. Die koude, in combinatie met de slechte begaanbaarheid, deed de nazi’s uiteindelijk de das om (of eigenlijk juist niet: als ze dassen hadden gehad, was het wellicht allemaal anders gelopen). De geallieerde strijdkrachten werden mede gevormd door Australiërs en Britten. Als er iets is dat Britten en Australiërs veel doen dan is het schapen hoeden. En schapen resulteren in warm wollen ondergoed. Dankzij dat ondergoed vroren de geallieerden niet dood in de Ardennen en de nazi’s wel.
Als we lering hadden getrokken uit de geschiedenis, dan waren we misschien verstandig geweest en waren we niet naar de Ardennen afgereisd op het moment dat het in Nederland al meer dan tien graden vroor. Maar we trokken geen lering en reisden wel degelijk af.

Het kleine kasteel, diep in de bossen, lag er idyllisch bij temidden van de kale bomen. Een dik pak stuifsneeuw tegen de voordeur en echte ijspegels aan de dakrand. Over het bospad slipten onze auto’s naderbij, er werden bewonderende kreten geslaakt.

De natuurlijke schoonheid van huis en omgeving had onze blik vertroebeld; het zou nog duren eer we ons realiseerden dat we een ijskoude hel waren binnengestapt. Een lekkage op de tweede verdieping had een dikke ijslaag op de wanden veroorzaakt, het was binnen minstens even koud als buiten. Het zou dagen duren alvorens de dikke, natuurstenen muren van het kasteel voldoende warmte hadden opgenomen om de ruimtes behaaglijk warm te krijgen. Gelukkig zwierven er kruiken door het gehele pand.
Terwijl de rest van het gezelschap druk in de weer was met houtblokken en blikken stookolie, gingen mijn zuster en ik in de kelder op zoek naar de hoofdkraan van de waterleiding. Na lang zoeken kwamen we tot de conclusie dat die zich niet in kelder bevond maar in een schuurtje enkele tientallen meters verwijderd van het eigenlijke kasteel. Nadere inspectie van de kraan leerde bovendien dat de vorige bezoekers bij vertrek het water nogal slordig hadden afgetapt. Er was geen beweging in te krijgen.
“Wat denk je?”
“Tja, aangezien alles hier uit de vorige eeuw lijkt te stammen, kunnen we er wel vanuit gaan dat ook de kraan stamt uit het pre-safesex-tijdperk, lijkt me.”
“Que?”
“Geen rubbertje maar een leertje.”
“Het wordt hoog tijd dat jij weer eens aan de vriendin raakt, makker. Als je seksuele toespelingen gaat maken bij het zien van een kraan, dan is het ernstig met je gesteld.”
“Zal best, but first things first: eerst maar eens zien of er in dit schuurtje iets is waarmee we het zaakje kunnen opwarmen.”

We duikelden een brandertje en vers gaspatroon op. En veroorzaakten bijna een ontzettende brand. Door de kou wilde het butaan zich niet als gas gedragen, het stroomde als vloeistof over de brander en ontbrandde pas als het er aan de onderkant vanaf droop. Ik liet de brander vallen en toen we het kreng gedoofd hadden, concludeerden we dat het toch nog wat kouder was dan we hadden verondersteld. Nadat we onszelf en de brander bij de kachel gewarmd hadden, wisten we de kraan zonder al te veel moeite te ontdooien en stromend water was ons deel.

Een koud bed nodigt niet uit tot uitslapen, dus stond ik de volgende ochtend reeds om zeven uur in de badkamer gereed voor een verwarmende douche. Toen ik de kraan opendraaide gebeurde er bitter weinig. Een paar armetierige druppeltjes. Wat nu? Zou iemand slaapdronken de kraan hebben dichtgedraaid die we veiligheidshalve hadden laten lopen?
De kraan bleek echter nog open. Sinds wanneer bevriest stromend water? Zo koud was het nu ook weer niet.
Nadere inspectie van de waterleiding in de schuur toonde onomstotelijk aan dat het wel zo koud was. De waterleiding was bevroren, maar bij wijze van schrale troost niet gesprongen. Dus maar weer de brander ter hand genomen en ontdooien die handel. Al doende bleek de leiding weliswaar niet gesprongen, maar het ijs had wel een koppeling losgedrukt. Met een knal schoot het ijs los en een krachtige waterstraal spoot tegen het plafond. Op dat moment kwam mijn zuster de schuur binnen.
“Er is geen water.”, mompelde ze met een stem nog dik van de slaap.
“Dat zou ik zo niet willen zeggen,” antwoordde ik vochtig, “aan water geen gebrek, lijkt mij zelfs. Het is meer een logistiek probleem.”
“Okay, dan ga ik douchen.”
“Dat is goed. Zet je ook even koffie?”

Ze liep weg. Ik dook de waterstraal in om bij de hoofdkraan te komen. Na dichtdraaien bleek dat de hoofdkraan toch rubbertjes bevatte. Er bleef water stromen. Niet veel, maar wel teveel om de koppeling naar behoren te kunnen solderen. Met oude lappen, tape, een slangklem, een eind touw, een hamer, een gebruikte zakdoek, met krachtermen doorspekte argumenten, naald en draad, een gebroken stoeptegel, twee stukjes kauwgum en veel geweld wist ik de koppeling weer zo’n beetje vast te improviseren. Drijfnat en rillend van de kou constateerde ik a. dat het nog steeds enigszins lekte, maar b. dat alles op zijn plaats bleef zitten en dus c. dat er koffie kon worden gezet. Dat leek me voorlopig voldoende.

Terwijl de rest van het gezelschap door de prachtig besneeuwde bossen ging struinen, togen mijn zuster en ik naar een nabij gelegen dorp voor rubbertjes, soldeer, extra gaspatronen en andere loodgietersattributen. Na de gebruikelijke communicatieproblemen (wie verwacht nu dat ze in Wallonië aan een gaspatroon refereren met het woord bonbon?) maakten we ons op voor een volgende koude douche. Wie een rubbertje (of leertje) wil vervangen, draait de hoofdkraan dicht, schroeft de kraan uit elkaar, et voilà. Maar wat nu als je een rubbertje wilt vervangen in de hoofdkraan zelf? Wel, dan wordt het een waterballet. En dus haalde ik voor de tweede maal die dag een nat pak. In de schuur was inmiddels een spekgladde ijsvloer ontstaan en terwijl het water de mouwen binnengutste en onze oksels onder hoge druk reinigde, forceerden we, ternauwernood ons evenwicht bewarend, verse rubbertjes in de hoofdkraan. Daarna stonden mijn zuster en ik te vernikkelen tijdens het solderen van de koppeling. Uiteindelijk functioneerde alles weer naar behoren.
Na heet douchen, droge kleren en koffie met cognac (veel cognac), waren we de ergste ellende vergeten en genoten we van een prachtige partij schaak nabij de warme open haard.

De volgende ochtend werd ik wakker geschud door een van de dames uit ons gezelschap.
“Word eens wakker…”
“Ha Janine, gezellig. Kom je me warmen?”
“Nee. Er is een probleempje”
“Ga weg!”
“Nee, luister nou, toen ik vanacht even naar de wc ging, heb ik helemaal per ongeluk, uit een soort gewoonte, automatisch…”
“Ga weg! Ik wil het niet horen!”
“… de kraan die je had laten lopen…”

Ik verborg mijn hoofd onder het kussen.
“… dichtgedraaid.”
Ik wilde dood.
“Sorry.”, klonk het benepen.
Even overwoog ik haar te wurgen maar ik zag er vanaf. In plaats daarvan besloot ik helemaal niets te doen. Ik bleef gewoon liggen, ik zou niet de hele dag in die ijskoude schuur gaan staan kloten. Sterker nog, ik was vastbesloten niet eens op te staan. Nadat Janine een tijdje op een reactie had staan wachten, sloop ze op haar tenen de kamer uit. Ik kwam weer onder het kussen vandaan en keek wat uit het raam. Waren ze nou helemaal gek geworden? Ik bleef toch zeker niet bezig? Ik lag wat voor me uit te sputteren toen ik mijn zuster gelaten richting schuur zag sjokken. Haar gezicht sprak boekdelen.
Ik probeerde nog een tijdje koppig te zijn maar moest uiteindelijk toch toegeven dat ik een sentimentele slappe zak was. Dus schoot ik in mijn kleren en opende even later de schuurdeur.
Mijn zuster keek niet eens op.
“Zo. Daar ben je dan.”
“Ja, daar ben ik dan.”
“Een echte doorzetter ben je niet. Nu ja, dan moet je het zelf ook maar weten: aanschouw ons droevig lot.”

Ik keek. Ik wilde weer naar bed. Het was een ravage: ijs, losgeschoten koppelingen en opengebarsten leidingen. Mijn zuster zat er verslagen naar te kijken. Ik keek met haar mee. Alles zou vervangen moeten worden. Dagen werk.
Ga er eens tussenuit in de winter. Lekker voor je lol in de vrieskou waterleidingen aanleggen.
We besloten eerst maar koffie te gaan drinken in het nabij gelegen dorp. Met cognac. Veel cognac.

About emilio