Vol goede moed, aflevering 31 (Slot): Brief uit Brazilië

Brazilië, 13/10/’97Lieve Vrienden,

Waarschijnlijk zal deze brief voorlopig het laatste zijn dat jullie van me vernemen. Als jullie deze brief al ontvangen: de groep waarvan ik straks afscheid zal nemen, zegt wel dat ze de brief zullen posten als ze terugkeren naar Manaus maar of ze er ook daadwerkelijk aan zullen denken is nog maar zeer de vraag.

De afgelopen week ben ik op pad geweest met een stelletje Amerikaanse wetenschappers dat insecten zocht. Nu is zoeken een groot woord: je wordt hier bijkans gek van de insecten. Ze hadden een behoorlijke expeditie opgezet. Het is een vreemde ervaring om midden in het regenwoud kopjes oploskoffie te drinken.
Ik heb gisteren boven in de bomen gewerkt. Ik dacht dat we daadwerkelijk de bomen in moesten klimmen, maar daar hadden ze een andere, Amerikaans praktische, oplossing voor. Ze hebben een soort stoeltjes aan een touw vastgemaakt. Daar ga je inzitten en vervolgens hijst je partner je omhoog.
Een jongen die Phil heet, klom eerst de bomen in om de touwen voor de stoeltjes te bevestigen. Tegen de tijd dat ik mijn climbing-gear gereed had, was Phil al klaar met alle touwen.
De rest van de dag hebben we elkaar toen op en neer gehesen. Het kwam er feitelijk op neer dat ik de hele dag stond te hijsen: nadat ik een keer boven was geweest had ik er niets meer te zoeken.
Je moet namelijk niet denken dat je een uitzicht hebt daarboven. Je ziet niets dan bladeren. De begroeiing is daarboven nog dichter dan beneden. En aangezien de wetenschappers allemaal reuze boeiende wespen ontdekten op vijftien meter hoogte, was ik al snel veroordeeld tot de permanente hijsploeg.
Ik word langzaam gek van de insecten. Het dikke muskietennet in de tent helpt maar matig. Tenminste, het houdt kevers, kakkerlakken en ratten wel buiten je tent maar op een of andere manier komen muggen er toch doorheen. Het net slaagt er ook uitstekend in om warmte en vocht vast te houden. Gevolg daarvan is dan weer dat de lakens altijd vochtig zijn.

Eergisteren zijn we op termietenjacht geweest. Dave schijnt ervan te overtuigd dat ik een nieuwe soort heb ontdekt. Een venijnig bijtende soort, nog wel. Om termieten te vangen plaats je een deel van een nest op een soort dienblad, vervolgens breek je het nest open. De termieten stromen dan te voorschijn. Duizenden beestjes krioelen door elkaar. Terwijl ze rondrennen neem je een speciaal pincet ter hand en een voor een pik je ze op en stop je ze in een klein potje met wat alcohol. Er komt geen einde aan. Pak een termiet. Stop ‘m in een potje. Pak een termiet. Enzovoort. Heel rustgevend, op bepaalde manier. Het werkt beter dan mantra’s zingen.
Op die manier stonden we een paar uur beestjes in potjes te stoppen totdat re geen potjes meer waren. Intussen raakten onze muskieten-pakken bedekt onder een dikke laag muggen. Dat maakt een hoop lawaai, maar steken kunnen ze je niet steken. De wetenschap staat voor niets these days.

Ik ga de groep vanmiddag verlaten. Ik ben tenslotte niet naar het regenwoud gekomen om de hele dag met insecten te spelen. Een gids, Tino genaamd, zal me met een motorsloep brengen tot de plaats waar de Amazone niet langer Amazone heet. Nu noemen ze de Amazone hier nergens Amazone (het kreng heet Solimoes), maar jullie begrijpen wat ik bedoel.
Tino en ik hebben al eerder een toch gemaakt met zijn boot. Een vreselijk barrel. Het drijft maar net. Op een geven moment verloren we de schroef van de boot en moesten we twee dagen bomen om weer terug te komen in de bewoonde wereld. Tino bleef maar herhalen dat dit soort dingen anders nooit gebeuren. Op een of andere manier deed me dat denken aan E. en zijn zuster die altijd met pech langs de weg staan. Iedere keer weer oprecht verbaasd dat het barrel het begeven heeft. Waarschijnlijk zijn dergelijke gebrekkige voertuigen universeel.
Hoe dan ook, tegen de tijd dat we aankomen bij de splitsing van de Juruá en de Içá, zal Tino me nog helpen bij de aanschaf van een boot. Dat is jammer, want ik had eigenlijk gewild dat hij me de hele tocht zou begeleiden, maar hij verdomd het om verder te gaan. Hij zal wel weer denken dat het er spookt of zoiets. Het is een nogal bijgelovig man, deze Tino. Hij blijft ook maar zeggen dat ik niet verder moet trekken maar gewoon met een toeristenboot wat tochtjes moet maken. Hij kan me wat.
Vanaf dat punt zal ik het in mijn eentje moeten rooien. Tenzij ik daar een andere gids weet te vinden. Tino zegt dat die kans bijzonder klein is.
Waarschijnlijk is het beter als ik een tijdje alleen voortpeddel. In die rust kan ik mijn gedachten eens op een rijtje zetten. Misschien dat ik dan eindelijk een concreet idee krijg over wat ik hier nu precies doe. Het blijft raar. Ik weet nog steeds niet goed waarom ik hierheen gegaan ben. Nu ik er ben, heb ik wel het gevoel dat ik er goed aan gedaan heb.

Wellicht dat de Caboclos die verder stroomopwaarts aan de Juruá wonen, me verder kunnen helpen in mijn zoektocht. Een probleem is natuurlijk wel dat het lastig uitleggen blijft wat ik zoek. Misschien moet ik een Shaman op zien te snorren die eventjes aan de geesten kan vragen wat er allemaal gaande is. Makkelijk zal dat niet zijn. Ik zou daarvoor contact moeten weten te leggen met een groep Serstanistas. Dat zijn mensen die in opdracht van de Braziliaanse regering het contact houden met de Indianen. Tino kan of wil me echter niet uitleggen waar ik die zou kunnen vinden. Het schiet dus allemaal weer eens niet op.

Ik heb voor een paar weken voedsel (allemaal niet te vreten instant-hap, maar goed je kan op een trektocht niet kieskeurig zijn) en een rugzak waar een halve apotheek inzit, dus wat dat betreft voorzie ik geen problemen. Wel heb ik al een week een lichte koorts die maar niet over wil gaan. Erger wordt het echter ook niet. Misschien heb ik gewoon wat last van de warmte.

We zullen het allemaal wel merken verder.
Tino wil vertrekken dus ik moet afronden. Ik mis jullie. Maak je geen zorgen: jullie zijn nog niet van me af. Zodra ik gevonden heb wat ik zoek kom ik terug (tenzij ik word gekroond tot stamhoofd van de indianen. Haha!)

Liefs,
P.

About emilio