Bloedlichaampjes

Vol ongeduld scheurt Kerwin het pakpapier. Hij trekt het kleurige deksel van de doos. “Oh! Een microscoop!” roept hij. Netjes op een rij in smalle gleufjes uitgespaard in de piepschuimen bodem staat een tiental kleine rechthoekige glasplaatjes. Er boven een mesje als van de dokter, een pincet, een naald en een pipet, fel gekleurde vloeistoffen in glazen buisjes afgesloten met een kurk, en een klein vierkant houdertje van wit plastic. Ook is er een bakje met een klep van bruin karton. ‘Preparaten’, staat erop geschreven. Ernaast ligt het imposante metalen kijktuig vol schroefjes, vlakjes en buisjes.
“Ho, ho! Kalm een beetje, want anders is-t-ie meteen al stuk!” waarschuwt vader. “Wacht, laat mij maar even.”
Behoedzaam tilt hij het instrument uit de doos en zet het op tafel.
Moeder brengt uit de keuken een tablet vol koek en limonade binnen. “Jullie moeten je oma maar eens extra lief bedanken,” meent ze.
“Je kunt er alles groot mee zien,” zegt Kerwin tegen Pieter. “Wel vijftien keer meer dan met een vergrootglas. Ik doe hem op mijn kamer, daar maken we een laboratorium!”
“Goed zo!” zegt vader. “Maar laten we eerst maar eens controleren of alles naar behoren werkt. ” Hij schuift een stoel aan, gaat zitten en draait met de twee dikke schroeven aan de zijkant de kijkbuis omlaag en dan weer terug naar boven. Beneden in een wat gebold rond plaatje zitten drie smalle pijpjes: een hele korte, een langere, en eentje d’r tussen in.
“Wat een idioot ding!” vindt Pietertje. “Net een ongelukkig mannetje dat op zijn knieën zit. Met een kromme rug en een hele lange nek. En een platte kop met drie ogen!”
“Die nek, daar kun je door kijken,” legt vader uit. “Dat heet de ooglens. Het plaatje dat er onder aan vast zit noemen ze wel de revolver.”
“Pang!” doet moeder. “Wie wil er wat te drinken?”
“Dat komt van het Engels. Rievollef. Omdat je er aan draaien kunt.” Vader pakt een glas van het tablet en neemt een slok van de limonade. “De pijpjes in de revolver,” vervolgt hij, “dat zijn de objectieven. De langste, die is het sterkst. Als je die er voor draait, dan vergroot-ie het meest.”
Hij wijst op de vierkante plaat met in het midden een gat. “Dit is het blad,” zegt hij. “Daar leg je op wat je bekijken wil. Door het gat laat je er licht op vallen. Daarvoor zit er hier beneden een spiegeltje. Via de lenzen komt het licht in je oog, net als bij papa’s sterrekijker, maar dan in het klein.”
“Of de dia’s van vakantie,” zegt Kerwin.
Moeder schudt misprijzend haar hoofd. “Wijsneus! Mama die ziet liever een mooie kerk. Of het strand en de zee. Eng hoor, die vieze kleine beestjes!” Ze zet het tablet met lekkers op de tafel. “Affijn. Het is leerzaam zullen we maar zeggen. Als jullie me maar geen smerigheid in huis haalt.”
“Nou jongens? Wat zullen we eens proberen?” vraagt vader. Hij neemt een glaasje uit de doos en legt dat naast de microscoop.
Zijn ogen glijden langs de vaas met droge bloemen, de glazen met limonade, de schaal met koek, de pluisjes op het tafelkleed, de foto boven het dressoir van toen oma nog jong was, rond het waxine-lichtje bij het beeldje van Maria naast de radio…
“Ha!” roept hij dan. “Ik heb een idee!”
Uit zijn broekzak vist hij een aansteker. Hij pakt de lange naald uit de doos. Met een haal over het wieltje ontsteekt hij het vlammetje en houdt dat onder de naald, tot het puntje ervan begint te gloeien.
“Dat is om te desinfecteren,” zegt hij, “zoals wanneer papa een splinter uit je vlees haalt.”
Met de punt van de naald prikt hij in het topje van zijn linker wijsvinger.
Pieter maakt een sprongetje. “Ai!” roept hij.
“Giel toch!” gilt moeder afkeurend, maar op vaders vinger glimt al een knikkertje bloed.
“Kijk.”
Hij drukt met zijn duim in het topje van de vinger en druppelt een rond rood vlekje midden op het glazen plaatje. Met het puntje van zijn tong likt hij het restje van zijn vingertop.
“Bitter, hè pap?” vraagt Kerwin.
“Het is al weg, hoor,” lacht vader en laat een schone vinger zien. “Nou zullen we eens kijken wat daar wel niet allemaal in te beleven valt, in zo’n beetje bloed. Een hele wereld is dat!”
Uit het witte houdertje in de doos neemt hij een dun vierkant stukje glas tussen duim en wijsvinger en legt dat voorzichtig op de bloedvlek.
“Dat heet een dekglaasje,” zegt vader. “Om de lenzen te beschermen, zodat ze niet vies worden als je ze per ongeluk in de vloeistof draait, die je bekijken wilt.”
Hij zet het preparaatje vast onder de twee metalen klemmen op het microscoopblad.
“Als jij de schemerlamp wat dichterbij duwt, Ker, dan nemen we daar het licht van.”
Het snoer is lang genoeg.
Voorzichtig schuift hij de grote lamp langs de rand van de tafel. Vader zet zijn bril af, knijpt één oog stevig dicht en buigt zich over de microscoop heen. Hij draait het ronde spiegeltje onder aan de voet om er het licht mee te vangen.
“Hou de lamp maar een beetje schuin… Ja, zo… Zo krijg ik beeld.”
“Sss-pan-nénd!” sist Pieter.
Ze volgen de handen van vader die in kleine stapjes de revolver naar beneden draaien.
“Schitterend!” roept hij plots. “Bloedlichaampjes.”
“Net echt!” fluistert Kerwin. Zijn ogen stralen. “Mag ik nou, pap?”
Pieter slaat met zijn twee vuistjes op de rug van vaders stoel en begint wild te trappelen. “Ik wil eerst,” gilt hij, “ik éérst!”
“Wat krijgen we me nou?” roept moeder. “Wees toch rustig, driftkikker! Wacht jij maar eens op je beurt. Het is Kerwin die verjaart, eerlijk is eerlijk!”
Boos grist Pietertje een koek van het tablet. Hij laat zich languit op het bankje naast de keukendeur vallen. “Ik mag tóch nooit…,” moppert hij.
Vader schuift de stoel naar achteren en staat zijn plekje af aan Kerwin, die zich gretig over de ooglens buigt. Zelf neemt hij plaats naast de schemerlamp.
“Het is alleen maar donker!” zegt Kerwin teleurgesteld. “Ik zie niks!”
“Niet zo ongeduldig, jongen,” antwoordt vader. “Laten we eerst eens wat licht in die duisternis van je brengen.” Hij beweegt de lamp een stukje naar voren. “Als jíj nou aan het spiegeltje draait…”
“Ja!” roept Kerwin. “Het is er! Maar héél vaag… Alleen een rose vlek.”
“Je moet ook nog scherpstellen. Alle ogen zijn verschillend,” zegt vader. “Draai maar aan de knoppen.”
Kerwin duwt zijn oog weer op het kleine ronde lensje en tuurt er naar beneden, de diepte in. Met een zucht: “Nog steeds alleen een vlek en wat luchtbellen. Stroef hoor, die schroeven!”
Hij zet zijn vingers schrap op de karteltjes en draait, uit volle kracht…

Pieter, moeder, staande vader die de lamp houdt, geen van allen beweegt als met een korte, droge knak wel honderd minuscule rooie spatjes glimmend als robijntjes in het gloeilicht langs het microscoopblad heen over de tafel schieten.

“Och jee,” zei moeder.

– wordt vervolgd –J.K. Harsman

J.K. Harsman
J.K. Harsman is woonachtig te Parijs en verblijdt van daaruit de WB-redactie regelmatig met fraaie artikelen. Verder wijdt Harsman zich aan de wetenschap en het schrijven en regisseren van korte films en het produceren van muziek.

About j.k. harsman