Vol Goede Moed – Treinreis naar Flémalle

De reis ging naar Flémalle En niet zomaar Flémalle, Flémalle-Haute om exact te zijn. Daar, in het plaatselijke jeugdhonk, zou de Europese tournee van een internationaal theatergezelschap zijn aanvang vinden. Op zich geen reden om helemaal naar een lullig dorp in België af te reizen – theatergezelschappen en premières zat – maar het geval wilde nu eenmaal dat ik een tikje, meer dan ik wilde erkennen, verliefd was op Chaja, een van de acteurs van het theatergezelschap. Bovendien, zo maakte ik mijzelf wijs, kon ik deze onderneming mooi combineren met een uistapje richting het stadje Spa, bekend van het gelijknamige drankje. Een neef van mij had daar reeds twee jaar terug een toko geopend en ik was nog altijd niet langs geweest.
Een dergelijke onderneming hoeft niet per definitie in een fiasco te ontaarden.
Dat deed het wel.

Daaraan lag een volslagen domme dwaalgedachte ten grondslag.
Het was mij opgevallen dat het aantal keuzes tijdens verkiezingen zo gering is. Dat terwijl wij toch in een parlementaire democratie leven. In de Tweede Kamer der Staten Generaal zijn momenteel negen partijen vertegenwoordigd. Op vier daarvan wil ik niet stemmen omdat ze voortkomen uit christelijk gedachtegoed. Scheiding van kerk en staat is een groot goed. Blijven vijf partijen over. Twee daarvan vallen af; de ene schijnt liberaal maar is in praktijk voornamelijk conservatief, de andere schijnt links maar is in praktijk voornamelijk tegen (en daarmee ook conservatief). Blijft over PvdA, D’66 en Groen Links. Op Groen Links kan je natuurlijk alleen oprecht stemmen als je ook gebruik maakt van het Openbaar Vervoer. En dat probeer ik nu juist zoveel mogelijk te vermijden. Omdat zowel PvdA als D’66 fout op fout stapelen, wilde ik mijn keuzemogelijkheden uitbreiden en besloot met de trein naar Flémalle-Haute te gaan opdat ik in ieder geval voor Groen Links zou kunnen kiezen.
En zo verzeilde ik in de vroege morgen van een mooie zomerdag op een perron van het Centraal Station van Amsterdam en constateerde dat ik nog enkele minuten respijt had. Ik stak een sigaret op. Toen schalde de stationsomroeper door het station “Alle treinverkeer in de richting Utrecht is komen te vervallen. Excuses voor het ongemak. Ik herhaal: alle treinverkeer in de richting Utrecht is komen te vervallen. Excuses voor het ongemak.”
Van schrik trapte ik mijn sigaret uit. Wat nu?
Een heuse perronschef wist mij nadere informatie te verschaffen: er was een boot tegen een spoorbrug net buiten het station gevaren. Brug beschadigd, geen treinverkeer mogelijk maar, vertelde hij opgetogen, omdat ze bij de NS aardige jongens zijn die het beste met hun reizigers voor hadden, zouden er bussen worden ingezet richting Station Amstel en vandaar kon de reis dan weer gewoon verder. Ik diende mij aan de achterkant van het Station te vervoegen.
Ik vervoegde mij aan de betreffende achterzijde en aldaar bleek dat er ontzettend veel mensen met de trein reizen en dat ze, naar het zich liet aanzien, allemaal richting Utrecht moeten. Het zag er zwart van de mensen. Even verderop vocht een jonge vrouw met een jongen in skate-outfit omdat hij voor wilde dringen. Maar waar voor? Er was geen bus te bekennen.
Ik besloot niet aan deze ongein mee te gaan doen, liep terug het station in, nam de roltrap richting de kelder en zat even later in een vrijwel lege metro richting Station Amstel. Treinreizen is niet moeilijk, het vergt slecht een beetje inventiviteit, dacht ik opgetogen. En dat is nu eenmaal niet iedereen gegeven, vond ik ook nog.
Op Station Amstel was het een drukte van belang. Logisch: de reizigers richting Utrecht stonden weliswaar nog steeds op het Centrale Station te wachten op een bus, maar de reizigers uit de richting Utrecht kenden een vergelijkbaar probleem. Alleen dan in omgekeerde richting. Bovendien had de automatische bewegwijzering het door alle problemen begeven.
Ik stak een nieuwe sigaret op en nadat ik een spoorwegbeambte had aangeschoten en met buitensporig zinloos geweld had gedreigd, was de goede man zo vriendelijk mij de weg naar de juiste trein te wijzen.
treinDe trein vertrok. Met mij erin. De perspectieven waren dus gunstig. Treinreizen is niet moeilijk, het vergt slechts een beetje doortastendheid, dacht ik opgetogen. Een vrouw als een slagschip met in haar kielzog drie kleuters en vele tassen worstelde zich door het gangpad. De bonte verzameling hield halt bij mijn zitplaats en kwam naast en tegenover mij zitten.
Dit is nu weer minder, dacht ik.

En inderdaad: er begon direct een kleuter te jengelen.

Dit is bepaald minder, dacht ik. Ik stak een sigaret op.

De vrouw tegenover mij vond dat op haar beurt weer niet zo’n succes. Ze vroeg of ik mijn sigaret kon uitmaken. Ik tuurde door het gangpad. Er was nog volop ruimte in de niet-rokers afdeling. Dat zei ik de vrouw.
“Jawel, maar dan moet ik daar helemaal heen lopen. Kunt u niet daar gaan roken?”
“Nee mevrouw, dat is de afdeling voor niet-rokers.”
“Oh.”
“But, however: als u daar heenloopt, loopt u in de rijrichting van de trein. Zo slaat u twee vliegen in één klap. U bent van mijn storende tabakswalmen af. En u bent nog eerder op de plaats van bestemming ook!”
De vrouw keek me verward aan. Ze opende de mond om wat te zeggen. Ze sloot de mond en dacht na. Ze ging rechtop zitten, de mond ging weer open. Opnieuw zakte ze terug. De vrouw staarde kwaad uit het raam.
Intussen had een kleuter met een vilstift mijn krant bezoedeld.

Was het nog ver? Ja, het was.
KidsIk dacht aan de Chaja, de vrouw waar deze ellende om begonnen was.
Tijdens een beneficiaire middag waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan geblesseerde zwerfkeien in Mozambique (of zoiets), ontmoette ik haar. En omdat wij de enige twee waren die op de bijeenkomst de relatieve waarde van een dergelijke bijeenkomst wilden erkennen, waren we als snel zielsverwanten die tot ergernis van de organisatie aan de lopende band kritische vragen stelden.
In de pauze verzocht men ons dan ook te vertrekken.

Om een of andere mij volstrekt onduidelijke reden probeerde een van de kleuters nu mijn schoen uit te trekken. Ik gaf het kind ongezien een schop. Het zette het ogenblikkelijk op een krijsen. Waarna de vrouw het ettertje een ontzettende hengst voor zijn kop gaf. Ik schoot in de lach.
De vrouw overwoog mij ook een klap te geven. En zag daar bijtijds vanaf.

Na een gezellige avond wisselden we emailadressen uit en met een hoofd vol zonnige gedachten keerde ik huiswaarts. De volgende dag bleek het emailadres op weg naar huis al verloren. Twee weken later kreeg ik de uitnodiging om de première van haar nieuwe voorstelling bij te wonen. In Flémalle-Haute dus.
Dat beloofde wat.

Toen de trein Station Eindhoven was gepasseerd vond ik het al geruime tijd de hoogste tijd voor koffie. Nergens een karretje met versnaperingen te bekennen desondanks. Ik besloot op onderzoek uit te gaan.
Na Station Weert was ik te weten gekomen dat het karretje met versnaperingen nog op Centraal Station Amsterdam stond. Omdat de trein daar nooit was gearriveerd, kon het wagentje niet worden ingeladen.
Teleurgesteld keerde ik terug naar mijn zitplaats.
De vrouw met drie kleuters had intussen mijn jas elders in de coupé neergesmeten en één harer koters op mijn plaats gezet. De vrouw keek angstvallig zogenaamd toevallig uit het raam. Ik tilde het kind op en zette het op de zitplaats naast mij.

De vrouw keek me dreigend aan.
Ik keek dreigend terug en haalde mijn sigaretten te voorschijn. Ik stak op.

De vrouw keek me woedend aan.
Ik stak direct nog een sigaret op en om misverstanden te voorkomen gelijk maar een derde.

De vrouw keek weer uit het raam.
Een van de kleuters stak een vilstift in mijn oor. De andere twee speelden nu al twee uur ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’.
Wat mij betreft was het mooi geweest. Zijn we er al?! Ik wil eruit! Nu!

Ten langen leste was daar eindelijk Station Maastricht. Eerste prioriteit: nieuwe sigaretten. De ervaring leerde intussen dat treinreizen in een verhoogd sigarettenverbruik resulteert. Gezond is het niet, maar wel milieuvriendelijk natuurlijk. Vervolgens op zoek naar de trein richting Luik.
Ik sprak een vrouwelijke spoorwegbeambte met een dikke reet aan. Ga je bij de spoorwegen werken omdat je een dikke reet hebt of krijg je direct een dikke reet als je bij de spoorwegen gaat werken? Of zou het niet aan de spoorwegen liggen maar aan het uniform? Hetzelfde effect zie je immers bij politie-agenten. Omdat ik nog een perronnummer aan haar moest ontfutselen, besloot ik niet in te gaan op het hoe en waarom van haar dikke reet maar direct ter zake te komen.
“Dag juffrouw, waar vind ik de trein richting Luik?
“In Luik, meneertje, de Belgische spoorwegen staken.”
“Pardon?”
“Ze staken.”
“Daar komen jullie nu mee!”
“Nee hoor, dat wisten we vanmorgen al.”

“En zou het dan niet handig geweest om mij dat in Amsterdam te vertellen in plaats van mij eerst helemaal naar Maastricht te laten afreizen?”
“Misschien wel ja.”
“En nu?”
“Er is een kansje dat ze om een uur of negen vanavond weer gaan rijden.”
“U helpt mij hier niet verder mee, juffrouw.”
“Dat spijt mij, meneer.”

De vrouw draaide zich om en liep weg.
“U hebt een dikke reet!”, riep ik haar na. Zo. Die zat.

Maar nu. Rechtsomkeert maken? Weinig aanlokkelijk. Bovendien was ik een beetje, meer dan ik wilde erkennen, verliefd op Chaja, de actrice naar wie ik naar op weg was. Het tochtje naar Spa kon ik wel vergeten, maar Flémalle-Haute moest toch haalbaar zijn.

Dwalend over het busstation net voor Station Maastricht, merkte ik dat het al behoorlijk warm was geworden. Waarom was ik eigenlijk niet gewoon naar Zandvoort gegaan? Treinen rijden die kant op, zon, warmte, mooie dames… Wel zo gemakkelijk. Nu ja, voor verstandige gedachten was het nu te laat.
Ik vond een Belgische bus die me rechtsreeks, of in ieder geval zonder overstappen, naar Luik zou rijden. Dat de chauffeur niet kon wisselen van 1000 Belgische Franken en ik vervolgens middels een wel heel wonderlijke wisselkoers getild werd, maakte minder uit: ik was weer op weg. Na twee uur gehobbel in een slingerende, bloedhete bus over de binnenweggetjes van Zuid-Limburg en Land van Herve, had de bus zo’n veertig kilometer afgelegd en naderden we het eindpunt van de lijn, Luik.
Na enig zoeken bleek dat ik -hoe verrassend- de aansluiting met de bus in de richting Flémalle-Haute had gemist. Dat kwam me eigenlijk wel goed uit, dat gaf mooi de gelegenheid op een zonovergoten terras een lichte lunch te gebruiken. En een biertje! Want nu ik niet meer naar Spa hoefde, had ik opeens weer zeeën van tijd. Maar eerst een krant met Waals nieuws. Eens zien of de gemeente Luik nog altijd failliet was.
Zo ging de middag heen met lunch, krant, vele sigaretten, een paar Belgische biertjes en gesprek met twee meisjes uit Eersel – dat ligt bij Eindhoven. De meisjes waren gewapend met zware rugzakken op weg naar het provinciestadje Huy alwaar ze uit religieuze overwegingen deel wilden nemen aan een processie waarbij het gebruikelijk is op je blote knieën de Muur van Huy – bekend van de wielerklassieker – op te kruipen. Dat leek mij een tamelijk waanzinnig idee en dat vonden zij op hun beurt dan weer vreemd: het betrof hier namelijk een eeuwenoud gebruik. Dat leverde een wat wonderlijke situatie op, daar beide partijen hetzelfde argument wilden gebruiken om tegengestelde standpunten kracht bij te zetten.

Door al dat geleuter moest ik me toch nog haasten om op tijd in het theather van Flémalle-Haute te komen. Dat de bus eerst tot op vijfhonderd meter de gemeentegrens van Flémalle naderde maar niet binnenreed was daar zeker een factor in. Mijn smeekbedes aan het adres van de chauffeur om de bus te stoppen, keren, motorpech te simuleren, desnoods de Maas in te rijden, maakten geen enkele indruk. De chauffeur sloeg linksaf en tufte via talloze gehuchten richting Andenne. Daar keerde de bus en reed via de andere oever van de Maas, en wederom een schier eindeloze reeks dorpjes, terug naar Luik. Nu bleek er wel een halte in Flémalle-Haute. Die halte bleek ook nog eens recht tegenover het lokale theatertje. Mooier kon het haast niet. Afgezien van die détour van twee uur over Andenne dan.

De theatervoorstelling was weerzinwekkend. Laat ik ermee volstaan te zeggen dat ik, omdat ik graag als cultureel onderlegd persoon door het leven wil gaan, nog wel eens naar het theater ga en daarbij ook het alternatieve toneel niet schuw. En doorgaans vind ik het nog een hele zit. Maar dit ging alle perken te buiten. Hier moest Euro-subsidie aan te pas zijn gekomen.
Tijdens de voorstelling realiseerde ik me dat ik in de bus bij vergissing in mijn blinde paniek choufleur – bloemkool – tegen de chauffeur had geroepen. Logisch dat hij niet wilde stoppen! Een luid lachsalvo was het gevolg, helaas was ik de enige die erg moest lachen. Op het podium was de hoofdrolspeler namelijk juist bezig met de stervende zwaan te spelen.

Na de voorstelling wachtte ik in het aanpalende café, heel toepasselijk Café du Theatre genoemd, op Chaja, de actrice op wie ik een tikje verliefd was. Het was half twaalf toen ze eindelijk het café betrad. Ik was verdomme al bijna vijftien uur onderweg om deze vrouw te ontmoeten. Zou ik dan toch verliefder zijn dan ik wilde toegeven?
Vast wel. Ze zag er nu ook veel mooier uit dan ik mij herinnerde. En dus prees ik de gedurfde voorstelling, haar prestatie in het bijzonder, ik vervloekte de domme boer die zo moest lachen tijdens die prachtige en cruciale sterfscène en voordat we er erg in hadden, hadden we het reuze gezellig.
Totdat de leider van gezelschap, Chaja kwam ophalen. De bus stond klaar voor vertrek.
Bus? Vertrek?
Ja, bus. En ja, vertrek.
Het gezelschap moest er snel vandoor want ze moesten de dag daarop een voorstelling in de buurt van Bordeaux geven.
Chaja en ik werden gedwongen haastig afscheid te nemen en even later stond ik moederziel alleen op het verlaten dorpsplein van Flémalle-Haute. Ik vloekte eens hartgrondig. Even verderop sloeg een hond aan. Eenzaamheid kan zo snel als mist in een polder komen opzetten. Ook op een zwoele zomeravond in Wallonië. Of misschien wel juist dan.
pleinIk moest hier ogenblikkelijk weg. Zoveel was duidelijk. Ik stak nog maar eens een sigaret op.
Had ik mijn creditcard bij me? Ik had.
Vanuit een telefooncel bestelde ik eerst een taxi. Vervolgens belde ik naar een filiaal van Avis in Luik met de opdracht een auto voor me klaar te zetten die lekker veel zwarte rook produceerde. Groen Links moest het maar zonder mijn potentiële stem doen. In anderhalf uur reed ik plankgas, ieder snelheidsgebod negerend van Luik naar Amsterdam.

About emilio