Vraag het aan Freekje: grote psychologen

“La Théorie, c’est bon, mais ca n’empeche pas d’exister.”
Theorie is prachtig maar belet het bestaan van dingen niet.

Jean-Martin Charcot

Wie denkt dat abacadabra en heelmeesters gekleed in gewaden met patronen van hemellichamen en puntmutsen met bellen tot een ver verleden behoren en altijd ver zijn gebleven van de serieuze ‘wetenschappen’ zit er flink naast. Het is waar, wetenschappers als Ieteke Weeda vinden we moeilijk slikken en figuren als Jomanda zetten hoogstens als genodigde curiositeit een voet in door de staat gesubsidieerde Paleizen Der Kennis. Maar toch! Vergeet niet dat de alchemisten vroege scheikundigen waren en de sterrenwichelaars astronomen! Net zo kennen de vraagstukken uit de sociale psychologie hun wortels in een historie vol charlatanerie en nonsens, obscure theorieën en lachwekkende anekdotes: de wereld van het magnetisme, het mesmerisme en de hypnose. Een cronique scandaleuse.
mesmer
Mesmer’s dierlijk magnetisme
De geschiedenis van de sociale psychologie begint bij Franz Anton Mesmer (1734 – 1815). In 1766 behaalde deze Oostenrijkse jongeman zijn doctoraat in medicijnen aan de Universiteit van Wenen. Op de titelpagina van zijn dissertatie ‘Over de Invloed van Planeten’, zette hij verschillende andere predikaten voor zijn naam maar zoektochten door de archieven van universiteiten in Europa hebben nooit kunnen bevestigen dat hij deze graden ook daadwerkelijk behaald heeft. De inhoud van de dissertatie was grotendeels geënt op de ideeën van een Engelse volgeling van Isaac Newton. Deze volgeling beweerde dat de planetaire gravitatiekracht – de bevinding dat planeten en sterren elkaar’s baan op grote afstand kunnen beïnvloeden – tevens directe invloed uitoefent op levende wezens op aarde. In een van de weinige niet geplagieerde passages postuleert Mesmer deze kracht als een apart soort kracht die hij ‘dierlijke gravitatie’ noemde.
Na zijn afstuderen beoefende Mesmer zijn vak als arts sporadisch. Een verstandig man, trouwde hij een rijke, oudere weduwe en stortte hij zich volledig op het sociale leven. Als bekwaam amateur musicus raakte hij bevriend met Amadeus Mozart en in 1768 maakte hij de uitvoering van Bastien und Bastienne mogelijk, de opera die Amadeus op 12-jarige leeftijd schreef en die Mesmer liet uitvoeren in een theater dat hij speciaal had laten bouwen in een van zijn luxueuze tuinen.
Hoewel Mesmer nauwelijks praktiseerde, bleef hij steeds nauwkeurig op de hoogte van wetenschappelijke ontwikkelingen. Toen een locale jezuïeten priester genaamd Maximilian Hell hem enthousiast vertelde over magnetisme, bespraken de twee het onderwerp veelvuldig waarbij zij tot de conclusie kwamen dat magnetisme, net als elektriciteit, gravitatie en gassen, een van de vele onzichtbare en mysterieuze vloeistoffen vormde die van groot wetenschappelijk belang zou kunnen zijn.
flmcanIn 1773 behandelde Mesmer Francisca Oesterlin, een familielid van zijn vrouw, voor periodieke aanvallen die Mesmer ‘hysterische koorts’ noemde en die gepaard gingen met een scala aan symptomen als stuiptrekkingen, overgeven, hallucinaties, kataplectische trance, tijdelijke blindheid en andere ondetermineerbare maar vreselijke aandoeningen. In de eerste instantie wijdde Mesmer deze aanvallen aan het tij, gevolgen van de gravitatiekracht van de maan maar toen hij zich de nieuwe kracht van Hell herinnerde besloot hij om de therapeutische eigenschappen van het magnetisme te onderzoeken. Mesmer liet Oesterlin ijzerhoudende medicijnen slikken om vervolgens speciaal door Hell ontworpen magneten op verschillende plaatsen op haar lichaam te bevestigen. Spoedig maakt Oesterlin melding van een kracht die door haar heen stroomde waarna ze in een ‘crisis’ belandde met krampen, stuiptrekkingen en intense pijnen op de locaties van haar symptomen. En toen de crisis voorbij was, waren de symptomen voor enkele uren verdwenen. Na deze cyclus verschillende keren te hebben toegepast, bleek de behandeling compleet; Oesterlin was genezen van haar toevallen.
Mesmer herhaalde deze therapie bij andere patiënten die hij, nu hij wist wat er zou gaan gebeuren, van te voren duidelijk uitlegde welke effecten zij konden verwachten bij het aanbrengen van de magneten. En, hoe verrassend, de patiënten reageerden zoals verwacht. Vervolgens paste Mesmer dezelfde methode toe maar dan zonder het gebruik van magneten: hij liet simpelweg zijn handen over de lichamen van de patiënten gaan waarbij hij wederom met grote stelligheid gewag maakte van de te verwachten effecten. Weer reageerden veel patiënten zoals voorspeld maar in plaats van op basis van deze resultaten te concluderen dat magnetisme niets te maken had met de genezingen, poneerde Mesmer de hypothese dat zijn lichaam een sterke bron van dierlijk magnetisme was die net zo effectief bleek als de grote magneten van Hell. Hij speculeerde dat elk lichaam was omgeven door een magnetische veld dat soms verzwakt en ontzet raakte wat dan gepaard zou gaan met ziekte. De nabijheid van een extern krachtig veld zou het verzwakte veld kunnen herstellen net zoals een sterke magneet een spijker magnetisch kan laden, en op die wijze de symptomen wegnemen. In deze gedachtegang lag de kern van het foutieve doch hardnekkige idee dat het geheim van het fenomeen dat later hypnose zou worden gedoopt, lag in de mysterieuze krachten van de hypnotiseur in plaats van in de ontvankelijkheid van de receptor.

merlijnDe tobbe
Na in Wenen verwikkeld te zijn geraakt in twee voor zijn carrière wat minder geslaagde affaires, trok Mesmer naar Parijs waar het publiek zat te springen om modegevoelige trends, zeker als die werden vereenzelvigd met kleurrijke personen als Mesmer. Hoewel Mesmer slecht Frans sprak en enorme toeslagen vroeg voor zijn behandelingen, was de toestroom zo enorm dat hij een zich genoodzaakt zag groepssessies te ontwerpen; een soort van massaproductiesysteem. Hiertoe ontwierp hij een gesloten houten kuip – ‘le baquet’ of wel ‘tobbe’ – die hij vulde met gemagnetiseerde ijzeren onderdelen en water. Dit was in die tijd nog niet zo’n gek idee; andere onzichtbare ‘vloeistoffen’ werden immers ook gebotteld: denk aan de Leydsche fles van Van Musschenbroeck (1746) die elektrische vloeistof zou bevatten (in wezen de eerste elektrische condensator). Uit de kuip van Mesmer staken buizen die de patiënten, die in het verduisterde vertrek rond de kuip gezeten waren, vasthielden om de magnetische krachten door zich heen te laten stromen. In de belendende kamer speelde Mesmer etherische muziek op zijn glasharmonium en als de sfeer eenmaal goed gezet was – de bezoekers wisten inmiddels allen van de verhalen wat van hen verwacht werd – kwam Mesmer in zijn lila tuniek de kamer binnengetreden en wees naar een van de pijpen of patiënten die daarop onmiddellijk hun rol vervulden en in een staat van crisis vielen. Een mooie bijkomstigheid van de groepssessies was dat Mesmer niet alleen in kortere tijd meer geld opstreek maar de patiënten elkaar tevens ‘inspireerden’. Het aantal en de sterkte van de reacties op de magnetische behandeling namen toe, een fenomeen dat sociaal psychologen later ‘sociale besmetting’ noemden.
tobbeIn 1784 werd Mesmer’s praktijk echter bezocht door een wetenschappelijke commissie, waarin onder andere Lavoisier en Guillotin gezeten waren, die zich wilde vergewissen van de echtheid van Mesmer’s praktijken. De commissieleden bleken stuk voor stuk ‘resistent’ tegen de effecten van het magnetisme. De commissie rapporteerden dan ook dat zij
“unanimously concluded, on the question of the existence and the utility of [animal] magnetism, that there is no proof of its existence, that this fluid without existence is consequently without utility.”
Zij ontkende niet dat sommige bezoekers beïnvloed werden maar zij wijdde het effect aan verbeeldingskracht en niet aan een fysische kracht, een conclusie die dodelijk was want hoewel men vandaag de dag placebo-effecten onderkent, zag men toentertijd slechts simulatie, veinzen en dus oplichterij. Deze kwestie betekende het einde van Mesmer’s bloeiende zaak en hij dook onder.
In zijn hoogtijdagen had Mesmer echter de ‘Harmonische Sociëteit’ opgericht waar rijke studenten leerden hoe ze konden genezen middels magnetisme. Een van de studenten, Amand Marie Jacques de Chastenet, Marquis de Puységur (1751-1825) deed tijdens zijn opleiding een ontdekking die het magnetisme in een heel ander daglicht zou plaatsen.

Kunstmatige of lucide slaap
Puységur’s ontdekking kwam voort uit zijn afschuw van de roerige en vaak heftige crises die het magnetisme tot gevolg hadden. Op een dag moet hij dit ongenoegen geuit hebben in het bijzijn van een van zijn mannelijke bediendes, die in de daaropvolgende sessie als proefpersoon diende en in een soort vredige trance belandde in plaats van de welbekende staat van beroering. Ook bij andere patiënten wist Puységur deze op slaap gelijkende staat op te wekken en de crisis geheel en al te omzeilen, simpelweg door dat te suggereren vóór de sessie begon.
Puységur en zijn collega’s onderzochten deze nieuwe staat, die Puységur ‘kunstmatig slaapwandelen’ of ‘artificieel somnambulisme’ noemde, en ontdekte zo de verschillende effecten van hypnose zoals die vandaag ook nog bekend zijn. In deze toestand bleken de patiënten bijvoorbeeld nog in staat om vragen te beantwoorden en handelingen te verrichten die hen door de hypnotiseur werden opgedragen. De suggestibiliteit van de patiënten bleek drastisch verhoogd. Ook ontdekten zij de posthypnotische amnesie, het effect dat patiënten zich als zij uit hypnose ontwaken, niet kunnen herinneren wat er tijdens de hypnose heeft plaatsgevonden maar dit wel weer kunnen terughalen als zij opnieuw worden gehypnotiseerd. Ook de posthypnotische suggestie – tijdens de hypnose wordt verteld dat de gehypnotiseerde persoon een bepaalde handeling zal verrichten bij het ontwaken, bijvoorbeeld het raam openen als de experimentator zijn bril af doet, maar deze instructie te vergeten. Veel gehypnotiseerden handelen zoals opgedragen en flansen een plausibel klinkende verklaring in elkaar als hen gevraagd wordt waarom ze het gedrag uitvoeren, bijvoorbeeld dat ze de ruimte plotseling wel heel stoffig en warm vonden.
Puységur geloofde dat personen niet tegen hun zin in gehypnotiseerd konden worden en ook niet aangezet konden worden tot handelingen die indruisen tegen hun moraal. Hierin bleek Puységur geen gelijk te hebben maar ondanks dat zijn stellingen niet altijd waar bleken, wist hij het voormalig magnetisme of ‘mesmerisme’ uit de blubber van het bedrog te trekken door een reeks intrigerende en reproduceerbare fenomenen bloot te leggen die bestudeerd konden worden buiten de emotioneel verhitte omgevingen zoals Mesmer ‘baquet’.
Een andere stap voorwaarts werd gedaan door de Portugees José Custodio dit Faria, die de voor de hand liggende vraag stelde waarom niet iedereen even vatbaar was voor het magnetisme. Want waarom zou slechts een deel van de bevolking reageren op universele krachten? Een van de onbeantwoorde vragen die de commissie had doen besluiten Mesmer’s sessies als vals te bestempelen. Faria was echter in tegenstelling tot de commissie van mening dat er wel degelijk iets plaatsgreep tijdens de sessies alleen iets van niet-magnetische aard. Om dit te bewijzen demonstreerde Faria dat dezelfde geestestoestand bereikt kon worden zonder poeha, entourage en het bij het magnetisme behorende vocabulaire. Via deze weg kwam Faria tot hetzelfde resultaat als Puységur, een toestand die door Faria ‘lucide slaap’ werd gedoopt. Ook liet Faria zien dat de lucide slaap bij vrijwel iedereen opgeroepen kon worden, mits de persoon in kwestie over voldoende aanleg beschikte. Het geheim van het mesmerisme werd door Faria dus verlegd van de duistere krachten van de experimentator naar de vatbaarheid, aanleg en suggestibiliteit van de proefpersoon.

charcotHypnose en de medische toepassing
De reizende mesmeristen, die tijdens hun publieke sessies vaak hun krachten toonden door personen een soort kunstmatige narcose op te leggen, trokken in 1837 de aandacht van de Londense arts John Elliotson. Tot het midden van de 19e eeuw werden operaties bij gebrek aan chemische verdovers uitgevoerd op patiënten die volledige bij zinnen waren en aan de operatietafels vastgebonden moesten worden om het spartelen ten gevolge van helse pijnen te voorkomen. Hoewel de meeste doktoren van mening waren dat het ondergaan van de pijn noodzakelijk was voor goed herstel, waren er enkele artsen die zochten naar middelen om operaties minder gruwelijk en traumatisch te maken. Elliotson zag medische mogelijkheden in de mesmerische krachten en plande een reeks onderzoeken in het ziekenhuis waar hij werkzaam was, naar de mogelijkheid Mesmerisme als narcose-middel te gebruiken. Het werd hem echter verboden deze onderzoeken naar malpraktijken als mesmerisme en dierlijk magnetisme uit te voeren in een serieuze omgeving als het universitair ziekenhuis. Ellioston nam ontslag en was dientengevolge niet meer in de gelegenheid zijn geplande onderzoeken te voltooien. Verschillende andere artsen, waaronder de engelse chirurg W.S. Ward en de schotse arts James Esdaile, die in India meer dan 300 operaties tot een succesvol einde bracht, experimenteerden echter wel met deze vorm van verdoving. Hoewel Esdaile’s resultaten opzienbarend waren – het sterftecijfer onder zijn patiënten zakte van 50% tot 5% – werd hij op racistische gronden niet serieus genomen: zijn inheemse patiënten zouden zijn gemagnetiseerd door even suspecte inheemse assistenten en de patiënten zouden zelfs genieten van de pijn. Ondanks dat mesmerisme een van de eerste succesvolle verdovers bleek, is deze methode nooit op grote schaal toegepast aangezien tegen die tijd ook chemische verdovers als ether en chloroform werden ontdekt, die een betrouwbaarder en universeler werking hadden.
Uiteindelijk was het de schotse arts James Braid die het mesmerisme voorgoed uit de duistere sferen haalde door vele goed gecontroleerde experimenten uit te voeren. Braid ontdekte weinig dat niet als door Faria en Puységur was bloot gelegd maar repliceerde de resultaten nauwkeurig en benadrukte de rol van de proefpersoon, in tegen stelling tot Mesmer’s nadruk op de krachten van de magnetiseur. Net als Faria was Braid van mening dat de mesmerische toestand leek op slaap en hij doopte het fenomeen dan ook hypnose, van het Griekse ‘hypnos’ – slaap. Braid bleef in tegenstelling tot zijn voorgangers op goede voet met de medische wereld en publiceerde over zijn gedegen experimenten waarbij hij de nieuwe naam ‘hypnose’ gebruikte. Sindsdien had hypnose in Engeland een plaats in de medische banken en de wetenschappelijke laboratoria.

bollekeNancy versus Salpêtrieère
Rond de figuur van de plattelandsdokter Auguste Ambroise Liébeault (1823-1904) ontstond de Nancy-school voor hypnose. Liébeault liet zijn patiënten de keus gratis behandeld te worden met behulp van hypnose of middels de standaard methoden tegen de standaard prijs. Wat begon met slechts een paar durfals – hypnose had in Frankrijk nog steeds de slechte reputatie – groeide al snel uit tot systeem waarbij de patiënten betaalden naar eigen inzicht, afhankelijk van de mate van genezing. De dokter liet de patiënten diep in zijn ogen kijken en gaf ze de instructie in slaap te vallen en in deze slaaptoestand kregen ze te horen dat de symptomen spoedig zouden verdwijnen, wat inderdaad ook vaak het geval was. Rond 1860 werd zijn praktijk groter dan hij aankon en Liébeault besloot zich tijdelijk terug te trekken om een boek te schrijven getiteld “On sleep and its analogous states, considered especially from the point of view of the action of the mind on the body”. In dit werk verkondigde Liébeault de stelling dat hypnose was als slaap behalve dan dat de gehypnotiseerde persoon in contact bleef met de hypnotiseur. Het boek was echter zowel commercieel als literair een grote mislukking – Liébeault verkocht 1 exemplaar in de erop volgende tien jaar – en Liébeault zou in de vergetelheid geraakt zijn als zijn werk niet de aandacht had getrokken van een jonge dokter uit Nancy genaamd Hippolyte Bernstein (1840-1919).
Bernstein onderzocht de verschillen tussen de mensen die sterk of zwak reageerden op hypnose en concludeerde dat zij die sterk reageerden veelal afkomstig waren uit de lagere sociale klassen. Hij speculeerde dat dit effect het gevolg was van het feit dat mensen uit lagere klassen meer dan hun rijkere medemens geleerd hadden gehoorzaam en volgzaam te zijn en dat dit hen vatbaarder maakte voor hypnose. Er zou, zo vervolgde Bernstein, een algemene trek bestaan, suggestibiliteit, en zij die hoog suggestibel waren, zouden gevoeliger zijn voor praktijken als hypnose.
Rond diezelfde tijd verkondigde Jean-martin Charcot (1825-1893) in Parijs echter een heel andere verklaring. Charcot, eveneens arts en befaamd om zijn vele verschillende onderzoeken naar onder andere epilepsie, MS en andere neurologische aandoeningen, stelde dat hypnose en hysterie verwante aandoeningen waren die hun oorsprong vonden in dezelfde neurologische aandoening. Waar hysterie de voorgaande eeuwen was gezien als een gesimuleerde ziekte die exclusief vrouwen trof, ontkende Charcot deze beide uitgangspunten. Volgens hem waren zowel hysterie als hypnotische suggestibiliteit tekenen van een neurologische ‘aandoening’ waar ieder mens in meer of mindere mate ‘last’ van had.
Charcot was een goed observeerder. Sigmund Freud, die tussen 1885 en 1886 bij Charcot in de leer was, schreef over hem:
“He used to look again and again at things he did not understand, to deepen his impression of them day by day, till suddenly an understanding of them dawned on him.”
Charcot hechtte dan ook veel meer waarde aan zijn observaties dan aan theorie. Toen een student hem er ooit op wees dat zijn conclusies op basis van zijn observaties in strijd waren met de Young-Helmholtz theorie over het zien van kleuren, zei Charcot gortdroog:
“La Théorie, c’est bon, mais ca n’empeche pas d’exister.”
ofwel
“Theorie is prachtig maar belet het bestaan van dingen niet.”
Uiteindelijk was het de verhitte discussie tussen de twee Franse scholen die hypnose in Frankrijk weer onder de aandacht van de wetenschap bracht en de nalatenschap van Mesmer een nieuwe draai gaf.

JomandaOpkomst van de sociale psychologie
Sinds de Franse Revolutie waren verschillende wetenschappers geïnteresseerd geraakt in het gedrag van grote mensenmenigten. Toen hypnose en haar verschillende kenmerken weer een correct onderwerp van gesprek en onderzoek werden, zagen verschillende wetenschappers parallellen tussen het gedrag van groepen en het irrationele gedrag van gehypnotiseerden. Onder hen was Gustave Le Bon (1841-1931) wiens geschriften de belangrijkste vragen van de nieuwe disciplines sociologie en sociale psychologie bevatten.
Le Bon was een racist en een nou niet wat men noemt een voorvechter voor de gelijke rechten. Hij schreef ooit dat menigten altijd intellectueel inferieur waren aan het geïsoleerde individu en gekenmerkt werden door karakteristieken zoals “impulsiveness, irritability, incapacity to reason, the absence of judgement and of the critical spirit, the exaggeration of the sentiments, and others besides – which are almost always observed in beings beloning to inferior forms of evolution – in women, savages and children, for instance.”
Toch zijn Le Bon’s geschriften wel interessant om te lezen. Hij onderzocht het gedrag van menigten en ondanks zijn verborgen agenda waarin niet veel goeds besloten lag, heeft Le Bon wel enkele zeer cruciale kenmerken van groepsgedrag blootgelegd. Zo poneerde hij drie factoren die het gedrag van groepen kunnen verklaren. Allereerst stelde hij dat mensen in een groep zowel de macht voelen van met veel zijn als de anonimiteit: zij voelen zich niet meer zelf, als individu verantwoordelijk. Ten tweede noemde Le Bon het van Mesmer’s ‘baquet’ reeds bekende effect van sociale besmetting: als mensen anderen op een bepaalde manier zien handelen, dan voelen zij zich minder geremd datzelfde gedrag te vertonen. Het derde effect betreft de suggestibiliteit, eveneens bekend uit de geschiedenis van het mesmerisme en de hypnose: net zoals onder hypnose zouden mensen in een groep eveneens de controle uit handen geven en zich laten leiden door anderen.

Vandaag de dag nog bouwt de sociale psychologie voort op de vraagstukken betreffende de processen van sociale beïnvloedbaarheid zoals die zich oorspronkelijk voordeden in het magnetisme, Mesmerisme en de hypnose. Onderwerpen als overreding en overreedbaarheid, attitude verandering, suggestibiliteit, leiderschap, gehoorzaamheid, conformiteit en sociale ‘vergemakkelijking’ (punt 1 en 2 van Le Bon) vormen nog steeds de belangrijkste onderwerpen in de standaardwerken van de sociale psychologie.

Zo ziet u maar: hoewel de bronnen van de vraagstukken waar sociaalwetenschappers momenteel hun hoofd over breken niet altijd even kosjer zijn en vaak zelfs louche en duister, zijn het juist die malpraktijken waar de (sociale?) wetenschap die we nu zo hoog in het vaandel dragen, op gestoeld is…
Denkt u daar maar eens aan als er weer eens een kaartje in de bus valt van een kwakzalver die al uw kwalen weg kan ‘denken’ of u op de site van Jomanda leest dat het mogelijk is ingestraalde inlegzolen te verkrijgen. Zou ze ook aan ingestraalde inlegkruisjes doen? Dat lijkt me echt een gat in de markt!

Sofie van der SluisL’edicola; WB-archief
meer stukken van deze auteur
meer stukken in dezecategorie
alle in hetarchief hoekhoek

About sofie van der sluis