Vraag het aan Freekje: Het geluid van een lijnstuk; Synesthesie deel II

Vorige maand is uiteen gezet wat synesthesie is. Deze maand komen de verschillende theoretische verklaringen van dit fenomeen aan de orde, evenals de (persoonlijkheids-) kenmerken van synestheten en synesthesie als/in kunst.
Synesthesie
deel 1:Het geluid van een lijnstuk I
Link

Additionele kenmerken synesthesie
Vrouwelijke synestheten komen veel vaker voor dan mannelijke synestheten. Cytowic vond in de US een ratio van 3:1 (1989) terwijl Baron-Cohen in de UK (1993) zelfs een ratio van 8:1 vond. Gezien deze sekseratio is het voor de hand liggend te concluderen dat synesthesie erfelijk is en als dominant gen ligt op de x-chromosoom.
Synestheten zijn veelal linkshandig, hebben over het algemeen een gemiddelde tot hoge intelligentie maar de cognitieve vaardigheden zijn vaak onregelmatig verdeeld. Hoewel een minderheid werkelijk lijdt aan dyscalculie (rekenstoornis, vergelijk met dyslexie), heeft de meerderheid te kampen met kleine rekenkundige deficiënties zoals het omzetten van gesproken getallen naar hun cijfermatige evenbeeld. Ook komt links-rechts verwarring (allochiria) en matig gevoel voor richting regelmatig voor. Deze kenmerken wijzen op een sterke dominantie van bepaalde hersendelen (let op: niet één bepaalde hemisfeer. Rekenvaardigheid ligt immers besloten in de linker hemisfeer terwijl gevoel voor richting juist door de rechter hemisfeer wordt bepaald.)Bij 15% van de directe familie van synestheten komen autisme, dyslexie en concentratie stoornissen voor, een significant hoger percentage dan doorgaans. Heel zelden is de synesthetische waarneming zo intens dat deze interfereert met het denkvermogen. Cytowic kende alleen het geval S beschreven door Luria in zijn boek The Mind of a Mnemonist, bij wie de overweldigende zintuigelijke ervaringen soms dusdanig aanwezig waren dat zij hem het denken onmogelijk maakten en hij de werkelijkheid ‘slechts kon ondergaan’. Baron-Cohen maakt later melding van ene Julie Roxburgh die behept was met een twee-dimensionale vorm van synesthesie: zij zag niet alleen kleuren als ze geluid hoorde maar hoorde ook geluid als zij kleuren zag. Deze laatste vorm is werkelijk zeldzaam wat niet onlogisch is gezien de mate waarin deze vorm aanpassing aan en omgang met de omgeving verstoort: maladaptieve stoornissen komen om ‘evolutionaire redenen’ nu eenmaal minder vaak voor. Julie’s twee-dimensionale synesthesie ging gepaard met stress, duizeligheid, een gevoel van een bombardement aan informatie en de noodzaak situaties te mijden die of te lawaaierig zijn of te kleurrijk. Deze vorm van synesthesie leidt dus daadwerkelijk tot terugtrekking uit sociale situaties en is niet zoals veelal het geval, een zeldzame doch niet tot onaangepastheid leidende afwijkende ‘mutatie’.

Ongewone ervaringen die verbonden lijken met het limbische systeem – een persoonlijkheidsopbouw die typisch is voor mensen met temporale lob epilepsie – lijken bij synestheten meer voor te komen, zo meent Cytowic; in zijn synesthetenpopulatie in 17% van de gevallen (wat weinig zegt omdat het percentage voor de gehele bevolking onbekend is). Bij deze persoonlijkheidsconstellatie moet men denken aan attributen als deja vu, helderziendheid, voorgevoel en het gevoel van een ‘aanwezigheid’, ‘a presence’.
De impressie dat synestheten inherent artistiek zijn – denk aan bekende gevallen als Vladimir Nabokov, Olivier Messiaen, David Hockney en Alexander Scriabin – lijkt eerder een gevolg van selectie; deze mensen zijn bekend eerder om hun artistieke gave en niet om hun synesthesie. De mogelijkheid bestaat uiteraard dat er vele synestheten zijn die geen artistieke aanleg hebben of in ieder geval te weinig om er naam mee te maken.Liszt
Verklaringen
Een intrigerend fenomeen als synesthesie vraagt natuurlijk om een scala aan alternatieve verklaringen die sterk uiteenlopen in geloofwaardigheid en inventiviteit. Veel vroege theorieen zijn grappig omdat de ideeën over de opbouw en de karakteristieken van het zenuwstelsel erg gedateerd zijn. Neem bijvoorbeeld de zintuigelijke reflextheorie: synesthesie zou vergelijkbaar zijn met de reflex zoals we die kennen bij de knie (tik op de juiste plek onder de knieschijf en het onderbeen schiet omhoog). In het geval van synesthesie zou de reflexboog niet uitmonden in een motorische uitkomst, zoals bij de kniereflex, maar een zintuigelijke uitkomst.
Het onderstaande overzicht van theorieen geeft een goed beeld van de diverse paden die de wetenschappers bewandeld hebben om synesthesie te verklaren.

Bewaard gebleven neurale connecties
Het volwassen menselijke brein mag dan geen directe connecties bevatten tussen auditieve en visuele gedeelten van de hersenen, in de jonge, ontwikkelende hersenen van vele diersoorten zijn zulke connecties wel degelijk te vinden. Ook bij pasgeboren mensenbaby’s zien we koppelingen die bij oudere kinderen niet meer terug te vinden zijn. Zo kunnen baby’s bijvoorbeeld hun armen en benen vaak niet onafhankelijk van elkaar bewegen; een motorische koppeling. Baudelaire
Deze theorie gaat er vanuit dat, waarschijnlijk om genetische redenen, de directe paden tussen de verschillende delen van de hersenen die karaktertistiek zijn voor pasgeborenen, behouden blijven. Synesthesie zou dan dus een teken zijn van een onvolgroeid neuraal stelsel.
Mocht deze theorie waar blijken, dan zou dit betekenen dat wij allen synestheten zijn totdat met de rijping van de cortex rond de derde levensmaand de scheiding van de zintuigen inluidt. In dat geval zou Cytowic’s uitspraak dat synestheten ‘cognitive fossielen’ zijn, kloppen.

De genetische theorie van synesthesie
Galton (1883) lijkt de eerste te zijn die veronderstelde dat synesthesie een aangeboren deviatie is. Deze verklaring sluit eigenlijk aan bij bovenstaand uitgangspunt: Aangenomen dat de directe paden tussen verschillende zintuigelijke hersendelen ook inderdaad aanwezig zijn bij pasgeboren mensenkinderen, is de verklaring dat het bestaan blijven van die paden (en dus synesthesie) erfelijk is, de meest spaarzame.
Er vanuit gaande dat deze hypothese klopt, is de vraag welk deel van de biologische ontwikkeling door de genetische ‘afwijking’ beïnvloed wordt. Enerzijds is het mogelijk dat nieuwe paden tussen gebieden worden gecreëerd of verstevigd, anderzijds bestaat de mogelijkheid (aansluitend op bovenstaande theorie) dat de tijdens rijping van de hersenen normaliter afstervende neuronale verbanden, bij synestheten om genetische redenen onaangetast blijven.

Omgevingsgestuurde hersenrijping
Het is denkbaar dat omgevingsfactoren een rol spelen bij de vorming van de hersenen door bekrachtiging van bepaalde neuronale connecties en ‘ontkrachting’ van andere. Aangezien onderkend wordt dat ‘hersenervaringen’ van invloed zijn op de vorming van de hersenen, is het mogelijk dat het (veelvuldig) gebruik van bepaalde normaliter kortstondige verbintenissen tussen hersendelen, door gebruik bekrachtigd en bestendigd worden. Deze theorie suggereert, in tegenstelling tot de genetische verklaring, dat wij allen synestheten hadden kunnen zijn of beter: kunnen blijven.

Zintuigelijke lekkage
Deze theorie werd gelanceerd door Jacobson e.a. (1981) en vindt haar wortels in het uitgangspunt dat in veel delen van de hersenen auditieve en visuele neuronale paden anatomisch dichtbij elkaar liggen. Op deze punten zouden postsynaptische vezels in elkaar kunnen klitten en op die manier de synesthetische waarneming veroorzaken. Voor deze aanname is maar weinig bewijs gevonden. Wel liet onder andere een studie van Graziano, Yap en Gross (1994) zien dat er klassen van neuronen zijn die ontvankelijk zijn voor de stimulatie van meer dan één zintuigelijke modaliteit; deze geven bijvoorbeeld zowel visuele als auditieve informatie door. Het bestaan van bimodale responsieve neuronen zou kunnen betekenen dat andere delen van de hersenen ambigue interpretaties kunnen produceren naar aanleiding van het vuren van deze neuronen. Hoewel de bron van de stimulatie veelal duidelijk zal zijn, is het mogelijk dat in geval van verstoorde hersenfunctionaliteit, informatie over de bron van de stimulatie verloren gaat.
Een argument tegen deze klasse van theorieen – waarbij dus uitgegaan wordt van disfunctionaliteit van het zenuwstelsel – is dat deze verstrengeling van informatiebanen ook andere gevolgen zou moeten hebben. Deze theorie voorspelt enerzijds een beschadiging van het intellect; vreemde, toevallige connecties zouden immers logischerwijs resulteren in vreemde denkpatronen en waarom zou de ‘lekkage’ niet ook in andere gebieden in de hersenen plaatsvinden? Anderzijds voorspelt deze verwarde, lukrake reacties op perceptuele stimuli. Geen van deze voorspellingen worden in de praktijk bevestigd wat deze theorie onwaarschijnlijk maakt.

Cytowic’s theorie
Cytowic stelt dat synesthesie veroorzaakt wordt doordat de connecties tussen delen van de hersenen, met name tussen de cortex en het limbische systeem, afgesneden raken waardoor de processen van het limbische systeem die normaliter een onbewust onderdeel van het informatieverwerkingsproces zijn, het bewustzijn binnendringen en synesthetische ervaringen veroorzaken. De disconnectie zou plaatsvinden als reactie op een bepaalde stimulus waardoor de gehele stofwisseling in de hersenen verandert.hersenen
In zijn boek The Man Who Tasted Shapes maakt Cytowic melding van de resultaten van hersenonderzoek bij een zekere MW die geuren voelt. MW krijgt radioactieve gasdeeltjes in zijn bloed gespoten aan de hand waarvan vervolgens via de scans achterhaald kan worden welke delen van de hersenen actief zijn tijdens de synesthetische ervaring en welke niet. Dit onderzoek liet een soort kortsluiting in de cortex zien, hier vond vrijwel geen activiteit meer plaats. Hoewel Cytowic middels deze techniek geen zicht had op de activiteit in het limbische systeem, was zijn veronderstelling dat de bron van de synesthesie wel daar moest zetelen. Middels de PETscan kan de activiteit van het limbische systeem echter wel onderzocht worden. Onderzoek van Paulescu en Frith liet zien dat er veel verschillen in PETscans waren tussen synestheten en niet-synestheten maar dat die zich niet voordeden in het limbische systeem. MW’s synesthesie was echter van een andere aard dan die van de proefpersonen van Paulescu en Frith (zijn synesthesie was polymodaal en zijn bloedstroomniveaus weken af van de norm) wat een verklaring kan zijn voor het uitblijven van replicatie van de onderzoeksbevindingen. Onderzoek naar de bloedstroomniveaus van andere synestheten en PETscans van dezelfde proefpersonen zou interessante informatie kunnen opleveren over specifieke kenmerken van eventuele soorten synesthesie en de generaliseerbaarheid van de bevindingen van Cytowic’s case studie.

Aangeleerde Associatie Theorie
Het idee dat synesthesie niet meer is dan een aangeleerde associatie die wellicht wat hardnekkiger is dan normaal, werd oorspronkelijk geopperd door Calkins (1893). Zo zou de kleur-letter synesthesie het resultaat zijn van gekleurde alfabetblokken, -boeken of letterbakken. Hoewel deze verklaring wellicht steek houdt voor pseudo-synesthesie, zijn er verschillende argumenten tegen deze verklaring voor ‘ontwikkelingssynesthesie’. Zo biedt dit uitgangspunt geen verklaring voor de scheve sekseverdeling want waarom zouden vrouwen zoveel meer ontvankelijk zijn voor aangeleerde associaties dan mannen? Uit onderzoek naar de kleurwaarneming van letters onder synestheten blijkt dat opeenvolgende letters regelmatig aan elkaar verwante kleuren ‘dragen’. De ‘M’ is bijvoorbeeld zeegroen, de ‘N’ olijfgroen en de ‘O’ grasgroen. Uitgevers van alfabetboekjes daarentegen, doen juist altijd erg hun best te waarborgen dat opeenvolgende letters in totaal verschillende kleuren worden gedrukt. Tevens blijkt uit familie- en tweelingonderzoek dat de kleur-letter waarnemingen van verschillende gezins- of familieleden, erg van elkaar kunnen verschillen, een resultaat dat men niet zou verwachten op basis van de aangeleerde associatie theorie.
Aan deze theorie verwante theorieen zijn de associatie theorie uit 1922 die stelt dat als A B suggereert, dat A en B dan ooit samen moeten zijn voorgekomen/ervaren, en de emotional tone theory die stelt dat de stimulus en de synesthetische respons eenzelfde emotionele achtergrond hebben.synesthesistische symphonie
Crossmodale ‘matching’ theorie
Onderzoek naar crossmodale matching – ofwel het samengaan van verschillende modaliteiten (verschijningsvormen) – heeft als onderzoeksgroep hoofdzakelijk de niet-synestheten en onderzoekt bij hen of bepaalde modaliteiten met enige regelmaat samen gaan met andere. Met crosmodaliteit doelt men op het fenomeen dat wij vaak aan een voorwerp kunnen zien hoe het zal voelen en bijvoorbeeld van kleurloze vloeistoffen verwachten dat ze minder sterk of minder aromatisch ruiken dan gekleurde vloeistoffen. Veel onderzoek richt zich op crossmodale parallellen van kenmerken zoals helderheid en luidheid (geluidssterkte). Zo blijkt uit onderzoek dat hoge tonen vaak als helder en licht worden gewaardeerd en lage tonen vaak als donker en ‘troebel’. Dit effect blijkt constant over tijd. De vraag rijst vervolgens of deze associaties aangeleerd zijn (cultureel bepaalde metaforen of ervaring) of het gevolg van residuele interzintuigelijke neuronale connecties (resten of herinneringen aan de tijd toen we net geboren waren en de zintuigen nog gekoppeld waren).

De modulariteitstheorie
Om te kunnen nagaan of een bepaalde waarneming van visuele, auditieve of olfactorische (etc.) aard is, moet er een structuur ontwikkeld zijn om de bron van de informatie te kunnen nagaan. Het is dan ook waarschijnlijk dat wij een modulaire structuur hebben ontwikkeld voor discrete identificatie van zintuigelijke waarnemingen. De neuronale modulariteit zoals die wordt aangenomen in de theorie van de bewaard gebleven neurale connecties, heeft zijn tegenhanger in de functionele modulariteit. Waar bijvoorbeeld visuele en auditieve indrukken bij niet-synestheten functioneel gescheiden zijn, zo zijn deze bij synestheten juist functioneel gekoppeld waardoor geluiden visuele attributen krijgen. Of deze koppeling daadwerkelijk functioneel is of het gevolg van een degeneratie in modulariteit (een gebrekkige modulariteit), is dan de vraag.Scriabin
Synesthesie als/in kunst
Wanneer de koppeling tussen synesthesie en kunst gemaakt wordt, is de eerste naam die valt altijd die van de Rus Alexander Scriabin (1872-1915), die wel de eerste moderne componist wordt genoemd en synestheet was. Scriabin zou ooit tegen een vriend gezegd hebben:
“It would be terrible to remain nothing more than a composer of sonatas and symphonies.”
Bij gevolg componeerde Scriabin niet zomaar muziekstukken maar creëerde hij hele multimediaspektakels zoals zijn sympfonisch gedicht ‘Prométhée’ waarbij hij gebruik maakte van een kleurenklavier dat bij de verschillende tonen de bijbehorende kleuren op een groot doek geprojecteerde. Ook plande hij een grootst spektakel ‘Het Mysterium’ waarbij orkesten, koren, dansers, een kleurenklavier, een geurklavier, poëzie, voordrachten en aan zeppelins zwevende bellen zouden worden opgevoerd om het publiek als het ware via alle zintuigen te benaderen. Dit alles zou plaatsvinden in een speciaal gebouwd amfitheater in India en werd door Scriabin beschouwd als een reinigingsritueel door kunst voor de mensheid. Het is er echter nooit van gekomen.
Andere kunstenaars die verondersteld worden synestheet te zijn geweest, zijn Liszt, Rimsky-Korsakov, Messiaen, Nabokov, Kandinsky en Hockney. Ook heeft het fenomeen synesthesie de interesse weten te wekken van de filmmaker Sergei Eisenstein en dichters als Rimbaud en Baudelaire.

Dat is natuurlijk prachtig, al die artistieke synestheten en de kunst die ze ons dientengevolge (of niet) voorschotelden. Maar wat heeft u daar als niet-synestheet nu eigenlijk aan? Om de te veel ontwikkelde hersenen, het gebrek aan zintuigelijke lekkage, de degelijke modulaire opbouw van onze hersenen of het gebrek aan aangeleerde associaties en dientengevolge het uitblijven van synesthesie te compenseren, bieden verschillende sites software aan om muziek grafisch weer te geven; Synaesthesia, Debian en The Music Animation Machine bijvoorbeeld.muziek grafisch weergeven

Synaesthesia

Debian

The Music Animation Machine

De synesthetische ervaring mag dan pseudo zijn en genotypisch niet vergelijkbaar met het echte werk, fenotypisch komt u met een beetje oefenen een heel eind! En zo kan wie geen afwijking heeft, in ieder geval doen alsof!

Sofie van der SluisL’edicola; WB-archief
meer stukken van deze auteur
meer stukken in dezecategorie
alle in hetarchief hoekhoek

About sofie van der sluis