Wim T Schippers – deel drie: interview

Als een furie raast hij door het Transformatorhuis van de Amsterdamse Westergasfabriek. Wim T. Schippers is ‘brimstig’. Dat krijg je na een dag lang repeteren en schaven aan teksten. “Gisteren had ik dat ook al,” zegt Schippers, “toen heb ik in een tv-programma Tom Egberts sufgeluld met alleen maar onzin. Maar ze hebben het allemaal opgenomen. Gek, hè? Vooruit, stel eens een vraag! Dit gaat allemaal van je tijd af, hoor.” Maar die kans wordt niet gegund, want meteen heeft Wim T. Schippers weer een idee. “Als we nu eens wat van die stop-motion foto’s maken?” roept hij naar de fotograaf, “zeg maar wat ik moet doen.” Maar zelf weet hij het al. Hij fietst rondjes door het decor en valt expres over een plantenbak. Hij pakt een bezem, goochelt er wat mee en veegt rücksichtslos alle uitgestalde fotoapparatuur op een hoop. Dan beent hij naar de kantine: “God, en dan moeten ze nog koffie hebben ook!”

Eenmaal aan de koffie zakt de ‘brimstigheid’ een beetje. Wat rustiger geworden legt Wim T. Schippers uit wat ‘brimstig’ is: “Het is een bestaand Zeeuws woord, en betekent: obstinaat, vervelend. Maar toen het in het boekje van Ingmar Heyze en Vrouwkje Tuinman (`Verdomd interessant, maar gaat u verder’, De taal van Wim T. Schippers – LD) kwam te staan, heb ik allerlei reacties gehad. Mensen uit Friesland zeiden dat het daar vandaan kwam.”

Kudde schapen
Zonder Titel heet zijn nieuwe toneelstuk. Wim T. Schippers schreef het in opdracht van Toneelgroep Amsterdam (TGA). Schippers: “Eigenlijk was het bedoeld als afscheidscadeautje voor Peter Oosthoek, toen hij wegging bij Toneelgroep Amsterdam. Hij heeft indertijd ook Kutzwagers geregisseerd. Maar het schrijven heeft wat langer geduurd. Later zou Gijs de Lange het regisseren. Maar uiteindelijk is het dus Titus Muizelaar geworden. Ach ja, de tijd vliegt.” Voor Wim T. Schippers, die vooral in de jaren tachtig veel voor toneel schreef, was het een buitenkans. “Het is toch prachtig als je een productie groot kan opzetten? Je krijgt niet vaak de kans om met zo’n grote bezetting te werken.” Die greep hij dan ook met beide handen aan. In de eerste opzet van Zonder Titel zou er een kudde schapen over het podium gaan. Maar dat is geschrapt, zó groot was het budget nu ook weer niet. Bovendien hadden de herder en zijn kudde niks met het verhaal te maken, Wim T. Schippers zette ze er alleen in om Toneelgroep Amsterdam te pesten.

Gezellig ruziën
Drie jaar lang heeft hij aan Zonder Titel gewerkt. Na wat startproblemen kwam er een idee: “Als mensen mij om iets vragen zeggen ze altijd: ‘Wim, jij verzint wel wat. Jij bent zo creatief’. Maar in het begin wilde er niks komen, en daarom liep ik te mopperen en me te ergeren op de Kloveniersburgwal. Er kwam een Engels echtpaar langs dat mij de weg vroeg. Toen vroeg ik ze: ‘U bent op vakantie?’ ‘Ja,’ zeiden ze. ‘Nou, dan heeft u toch genoeg tijd om het zelf uit te zoeken?’ Thuis gekomen heb ik daar hartelijk om gelachen. Het is het uitgangspunt voor dit stuk geworden. En dat je op een gegeven moment beseft dat je zo gezellig in het Engels staat te ruziën, daar zou je dan nog wel even mee door willen gaan. Daarna kreeg ik de inval van die adoptie.” En zo is een nieuw theaterstuk geboren. Maar het echte werk moest toen nog beginnen. Wim T. Schippers: “Ik heb nooit een verhaalstructuur, maar ik laat me leiden door de karakters. Dat vraagt veel energie. Vaak was ik echt moe na het schrijven van weer een scène.”

Magisch moment
Een TGA-medewerker wenkt hem. “Zie je dan niet dat we bézig zijn, verdomme!” lacht de toneelschrijver. Maar het blijkt dat de nieuwe muziek van componist Boudewijn Tarenskeen er is. Die wil hij toch wel horen. Hij loopt naar de zaal als de muziek van Hou van mij! klinkt. Eventjes ontstaat er een magisch moment. Het is een klein uurtje voor de laatste try-out, en één voor één druppelen de spelers van Toneelgroep Amsterdam binnen. Pierre Bokma, Kitty Courbois, Hajo Bruins, Kees Hulst, Roeland Fernhout, allemaal staan ze met open mond te luisteren, midden in het decor en te zeer betoverd door de muziek om te bewegen. Net als Wim T. Schippers en regisseur Titus Muizelaar. Als de band is afgelopen wordt er geapplaudisseerd en iedereen is diep onder de indruk. De hele groep is erg betrokken bij Zonder Titel.

Ballengruis
Terug in de bar van het Transformatorhuis komt het gesprek op acteurs. Het is een fabeltje dat Wim T. Schippers vroeger alleen een voorkeur had voor amateur-spelers. “In het begin wilde ik alles door elkaar roeren. Amateurs én professionele acteurs. Al vroeg werkte ik met acteurs als Carol van Herwijnen. Ik weet nog goed dat hij in een scène kerstartikelen moest verkopen. Alles was uitverkocht. Hij had alleen nog maar ballengruis te koop, de resten van kapotte kerstballen. Fantastisch sprak hij dat uit! ‘Ballengrrruis’.” Tegelijkertijd plukte Wim T. Schippers zijn personages van de straat. “Cees Schouwenaar, die Henk Pal speelde – jeweetwel van ‘leuke lamp overigens’ -, heb ik in een drukkerij ontmoet. Hij kwam binnen met een stapel dozen, en ik dacht meteen: ‘die moet ik hebben’. In zijn eerste scène kwam hij dan ook op met zo’n zelfde stapel dozen.”
“Ach, in die jaren zocht ik gewoon naar een belachelijke manier om tv te maken, het effect van die persoonlijkheden mengen met de professionaliteit van beroepsacteurs.” Al die typetjes als van Oekel, Servet en Pal zorgden voor flink wat verwarring op de Nederlandse tv, maar vriendin en regisseuse Ellen Jens klaagde dat ze hun teksten beroerd uitspraken. Ellen Jens hield van serieus toneel. Schippers: “Ik wilde mijn vriendin imponeren, en dus ben ik voor het theater gaan schrijven. Ik wilde alleen iets heel anders dan gangbaar was. Je had toen het Werktheater en die brachten van die ellenlange stukken, waarvan je na afloop alleen kon opmerken: ‘Erg, hè.’ Toneelgroep Centrum leek me een gezellige groep. Voor hen heb ik toen Evengoed nog een hele zit en Waar gaat het over? geschreven.”
De tafel wordt schoongemaakt. Vorige gebruikers hebben broodjes genuttigd en een barman veegt de tafels af. “Mag ik alsjeblieft die kruimeltjes hebben?” vraagt Wim T. Schippers, en duwt hem een plastic koffiebekertje toe. “Doe ze hier maar in.” Het hele gesprek blijft Schippers het bekertje koesteren.

Soap
Iets van het chaotische van zijn tv-werk is nog wel blijven hangen. Nog steeds weigert hij een logische structuur in zijn vertelling aan te brengen. “Ik wil geen frame stofferen met dialogen. Dus zijn er geen bruggen van de ene scène naar de andere. Als ik naar een toneelstuk zit te kijken, dan hoor ik ook meteen als de auteur van de ene situatie naar de andere moet. Dan krijg je van die rare zinnen. Dan gebruik ik liever harde lassen.” Wim T. Schippers is fan van de aanpak van Susan Harris, de schrijfster van Soap, een parodie op soapseries uit eind jaren zeventig. “Zij zocht altijd naar rigoureuze oplossingen. Aan het begin van een episode liet ze bijvoorbeeld de twee moeders iets als ‘Wat heb ik toch een afgrijselijk leven’ verzuchten. Dan volgde een opsomming, van: ‘mijn zoon is zo..’ en ‘mijn man doet dit’, en dan was je weer helemaal bij.”
Soap was een parodie, net als We zijn weer thuis. En net als Soap liep die serie vijf jaar. Maar Schippers mocht er niet mee doorgaan van de VPRO. “Noodgedwongen moest ik stoppen. Jammer, want ik had nóg wel vijf jaar door willen gaan. Maar misschien maken we nog een keer een vervolg. Alleen is iedereen die toen in de cast zat nu weer veel te druk.”

Lul
Regisseur Titus Muizelaar komt erbij zitten. Het gesprek komt op ‘seksistisch’ taalgebruik. Muizelaar: “Waarom is het toch zo dat als je ‘een eng mens’ zegt, iedereen meteen aan een vrouw denkt?” Wim T. Schippers geeft voorbeelden uit zijn werk waar hij dit taalgebruik juist op zijn kop zet: “In We zijn weer thuis liet ik mijn televisiemoeder geërgerd uitroepen: ‘Van u krijg ik ook een dikke lul!’. En in Ronflonflon zegt Wilhelmina Kuttje op een gegeven moment: ‘Wat ben ik toch een lul’. Jan Vos begint dan dat dat helemaal niet kan, ofzoiets. Waarop Wilhelmina Kuttje antwoordt: ‘Die lul moet je overdrachtelijk zien’.”

Proefjes
De 58-jarige Schippers is nog steeds populair bij jongeren, zo blijkt ook uit het publiek bij Zonder Titel. Toch schrijft hij niet bewust voor jeugd. “Voor een jeugdserie bij de IKON gaat er een commissie om de tafel zitten, die gaat nadenken over het thema ‘Wat vinden jongeren leuk?’. En dan krijg je zo’n serie die zich afspeelt in een discotheek en gaat over liefdesperikelen. Het is ook zo’n misvatting dat popmuziek gepresenteerd zou moeten worden door iemand die jong en fris is. Met Van Oekel’s Discohoek leek het ons een aardig idee om een popprogramma te laten presenteren door iemand die nog ouder was dan de ouders van de kijkers. Platenmaatschappijen wilden daar eerst helemaal niet aan, maar toen ze zagen hoe populair het werd wilden ze allemaal hun bands in het programma. Later kwamen ze ook zelf met ideeën. Toen hoefde het voor mij niet meer.”
Ook aan de allerkleinsten past Wim T. Schippers zich niet aan. “Bert en Ernie laat ik praten over het heelal en over de Reis- en Kredietbrief. Ik denk altijd: als ze het nu nog niet begrijpen dan komt dat later wel. En dat gebeurt ook.” Het verwondert hem dan ook niets dat de twee zo populair zijn, in een tijd van Nintendo en Pokemon. “Zij stijgen boven het niveau van poppen uit. Dat komt door Jim Hanson, die heeft ze zo liefdevol gemaakt. Eenvoudig, maar toch vol leven. En de karakters zijn zo mooi. Bert die een paperclipverzameling heeft en heel veel houdt van duiven. Ernie’s levenshouding is meer empirisch, die wil graag proefjes doen.”

Overigens
Wim T. Schippers’ veelzijdige werk heeft dus een tijdloos karakter. Dat komt waarschijnlijk doordat hij het in de eerste plaats voor zichzelf maakt, en niet voor een bepaald publiek. Schippers: “Ik doe wat ik leuk vind. En blijkbaar ben ik niet zo uniek dat niemand anders dat ook leuk vindt.” Even is hij stil. “Ach, en zo tobben we maar voort…” besluit hij het gesprek. Oh nee! Eén ding wil hij nog kwijt. “Ik heb een nieuw idee. Elk interview dat ik doe besluit ik net als Cato. Die eindigde elk verhaal met: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’.” Ceterum censeo Carthaginem delendam esse, dus. Maar de Amsterdammer verzint elke keer een variant op zijn stad: “Overigens ben ik van mening dat ze het Paleis van Volksvlijt in de oude staat terug moeten brengen.” Dan vervalt hij in een tirade over de huidige staat van het Frederiksplein. “Het was een mooi symmetrisch plein, maar al die stoepgroente die daar staat verpest het helemaal. En nu met de komst van de Euro is de Nederlandse Bank ook niet meer nodig. Die kunnen ze dus afbreken.” En weg is hij, om de regisseur nog even lastig te vallen met wat laatste aanwijzingen. Maar niet nadat hij zijn zelfgemaakte bordje bij de ingang recht heeft gehangen: ‘Vergeet niet in de pauze en na de voorstelling uw gsm weer aan te zetten.’

Foto’s: Sjef Prins

About leendert douma