Het plagiaat – Theo Thijssen

Met z’n vrije middag wist Kees eigenlijk niet goed raad. Regenen dat het deed, het water stòrtte de hemel uit. Moeder had hem gezegd dat-ie maar thuis blijven moest en op de winkel passen. Ging zij wel met Truus en Tom naar opoe om de nieuwe buisjes te laten kijken. Nou, bleef-ie liever binnen! Mocht er nog-es iemand aankomen dan kon ie tenminste nog iets zínnigs doen met z’n vrije middag.
Vanuit de kamer hield hij met een half oog het deurtje van de winkel in de gaten. Moest er-es een dure heer binnenkomen, om te schkeesuilen. Zou-ie bij het schellen van de winkelbel kalmpjes opstaan en eerbiedig het winkeltje instappen. ‘Goedenmiddag’ zei hij beleefd. En de heer opkijken natuurlijk van zulk een omgang. Misschien kon-ie dan nog iets in het frans zeggen. Was-ie helemaal beduusd, die heer. Da’s geen gewone jongen, dacht die dan. Vroeg de heer of hij, Kees, misschien van een franse familie afstamde dat-ie zoveel woorden kende. Nee meneer. Hoe-of ie dat dan geleerd had? Nog al natuurlijk hè, op school! Wat heeft díe jongen een fatsoen, zou die heer denken en hij zou eens rustig rondkijken en zijn ogen laten gaan over de planken van hun winkeltje. Zou-ie verbaast staan van de fraaie schoenen die ze verkochten. Of Kees z’n vader d’r niet eens langs kon sturen om hem een paar van die glimmende hoge rijgschoenen aan te meten, zoals ze dragen bij de jacht. Nou, dat zou Kees dan even fijn noteren. Zou zijn moeder opkijken als ze terugkwam. Hielden ze er een stel gewichtige klanten aan over ook. Geen gevraag meer of het misschien te duur kwam. Een paar centen, daar keek d’r lui niet op. Geldzorgen? Bij Bakels niet hoor!
Zouen ze zich specialiseren gaan in die schoenen en hem, Kees, werd gevraagd of-ie niet eens méé wilde op jacht. Wilde hij wel maar had-ie geen paard natuurlijk. Werd er hem een toegewezen. Groot en zwart. En maar briesen door die machtige neusgaten. Of-ie die wel aankon want het was geheel geen makkelijke. Zou-ie d’r mee wegstappen hè, als was het een mak lam. En dan ging hij eens laten zien hoe of hij schieten kon. Pats! Inééns raak. Of-ie dat soms eerder gedaan had? Nee meneer. Nou, dan had ie me een boel talent zeg. Daar zouden ze van óphoren, die heren met hun malle pakkies. Of-ie ze misschien maar wat wijsgemaakt had? Echt niet meneer. Daagde hij ze uit. Gaf ie ze op hun ziel natuurlijk. Zag-ie een groot everzwijn, zou-ie ze vóór zijn hè. Moeiteloos. Begonnen de heren toch al àkelig wit te zien zeg. Schudden ze hem na afloop stil de hand en zouen ze vragen of-ie ze dat niet een léren kon ook. Nam-ie ze voortaan op sleep, door bossen en velden…

Maar het bleef stil op straat. Het was natuurlijk ook géén weer. Moest-ie zich tot die tijd maar anders zien te vermaken. Daar viel zijn blik op de atlas. Wereldkunde, machtig mooi vak. Kees boog zich eens over de kaarten die hij met vader gekocht had. Wat een fijne platen toch! Glimmen deden ze, alsof ze pas nog gepoetst waren met een knap stukkie doek. En lekker ruiken deed het ook, dat boek. Geléérd. Zuinig was-ie d’r op ook. Geen smet te bespeuren. De Veer had wel’s gevraagd of dat-ie er-es mocht komen kijken maar die had-ie mooi geweigerd. Die maakte d’r misschitheoen nog wat an. Zou eeuwig zonde zijn. Aan zijn atlas geen vieze vingers of ezelsoren. Ezels? De jongens uit zijn klas misschien, maar híj niet.
Hij wist ze zo wat allemaal te noemen al hoor, de landen. Tot in de verste uithoeken kende hij de namen. Zou hij eerstdaags zo maar-es op staan tijdens de les en dan zou-en ze ópkijken hè. Stil werden ze er van. Zou de meester na de les toch eens gaan vragen hoe of het zat. ‘Bakels, hoe komt het toch dat jij er zo veel méér van weet dan die andere jongens?’ Nog al eenvoudig! Gestudeerd had-ie. Je moest er bepaald een kóp voor hebben ook. Maar hij was niet zo’n straatslijper als de anderen. Die vonden hem misschien een dooie maar inmiddels was hij, Kees, ze vér vooruit. Feilloos zou-ie de meester dan vertellen over Afrika en Azië. Zou-ie verbaasd staan over z’n kennis. Of-ie er soms gewéést was, wilde de meester weten. ‘Och nee’, antwoordde Kees dan, ‘ik ben maar een gewone jongen’. Maar later zou-ie gaan reizen. Op zo’n grote oceaanvaarder met een stel kajuíten en een boeg, zo hoog als de Westertoren. En zo’n fijn leren ransel zou-ie hebben ook, met van die goude gespen. En een stel laarzen, niet mooi meer! Bergen beklom hij dan, de één na de ander. En zeeen zou-ie oversteken alsof het plassen waren. Ging hij helpen bij opgravingen in Noord-Afrika, pyramides een van binnen kijken en er schàtten zien, och! Of verkenningsreizen maken in Zuid Amerika en een onbekende beschaving ontdekken. De krant zou-ie ermee halen ook. En de jongens van zijn klas zich dan afvragen ‘Hé, is dat niet Bakels, die vroeger bij ons op school ging?’ En ja hoor, zo kwam hij dan ook eens Rosa Overbeek tegen, gewoon op straat. Zou hij haar áánspreken natuurlijk. En zij zou hem onmiddellijk herkennen. En dan liepen ze samen te kletsen hè, alsof ze elkaar gisteren nog gezien hadden. Zou hij haar vertellen van zijn avonturen en zij vertelde hem van d’r thuis. En dat ze altijd gedacht had al, dat hij het ver schoppen zou. Dat-ie éxtra was en altijd zo plechtig keek. Anders was, tóen al, had je aan alles kunnen zien. De andere jongens met d’r malle fratsen, nee, dan Kees…

About sofie van der sluis