Het plagiaat: De Odyssee

Odysseus en zijn mannen zijn net ontsnapt aan de Kikonen, die de Grieken – nadat Odysseus hun stad verwoest had en de vrouwen en kostbaarheden eerlijk verdeeld waren onder de helden die de Trojaanse oorlog hadden overleefd – in alle vroegte verrasten en na een één dag durende strijd op de vlucht joegen.

Zo voeren wij over de gapende muil van de zee en mijn mannen kliefden de wijnkleurige golven met hun riemen tot wij een veilige hahomerusven bereikten bij de Lotofagen. Daar ontscheepten we ons en aten wij de spijzen die we de Kikonen hadden ontvreemd. En wij jammerden en beweenden onze vrienden die de dood hadden gevonden aan het scherpe zwaard der Kikonen die ons eerst, met zoveel als er bladeren vallen in de herfst, overrompelden bij de gekrulde stevens van onze snelle schepen.
Maar de droefheid van ons hart won niet van de vermoeidheid die ons na negen dagen ononderbroken dolen over de brede rug van de zee, overviel. Athene goot zoete slaap over onze oogleden en in de schaduw der schepen sliepen wij de slaap der onschuldigen.

Homerus, een fantast
Toen Eoos was opgestaan van het bed dat zij deelde met Tithonos om licht te brengen aan Goden en mensen, beval ik twee van mijn meest trouwe makkers te ontdekken wat voor soort mensen daar eigenlijk woonden. En met hen zond ik een heraut. In zeven haasten gingen zij op weg en vonden de Lotofagen, die hen gastvrij ontvingen, zoals het welopgevoede stervelingen betaamt. Spoorslags spoedde de heraut zich terug naar de schepen om mij van de goede aard van het volk te vergewissen. Snel als de Argosdoder Hermes op zijn gevleugelde sandalen volgden wij de heraut, verheugd een goedaardig volk te treffen en hopend op mooie geschenken waarop een gast gewoonlijk recht heeft. Zo kwamen we aan bij de glanzende poort van de stad der Lotofagen en inderdaad werden wij hartelijk ontvangen, als oude vrienden die na jaren zwerven over Poseidon’s wateren, thuiskeren.
De eetzaal was gereedgemaakt en vele stoelen met gekromde poten en purperen zittingen, werden aangeschoven. Op de tafels, die ingelegd waren met stenen die schitterden als de zeegroene ogen van Pallas Athene, verschenen de manden met de honingzoete bloemen, het voedsel der Lotofagen. Eerst weifelden wij. Zouden we deze onbekende kost tot ons nemen? Maar, oh dwazen, opnieuw won nieuwsgierigheid van verstandde argos en beleefdheid van wijsheid en wij, ongelukkigen, tastten toe. En wij lieten het ons smaken want de bloemen der Lotofagen, zo zegt men, zijn delicaat als de nectar waaraan de goden zich op de Olympus te goed doen.

Odysseus’ schip de Argos. Nog een wonder dat het zoveel stormen en rampen overleefde…Maar wie at van de honingzoete vrucht van de lotos, wilde niet meer teruggaan naar het vaderland maar was de thuisreis finaal vergeten. Niet langer werd het hart door heimwee verscheurd maar gedwee en mak als pasgeboren lammeren maakten de vruchten ons.
Zo leefden wij lange tijd bij de Lotofagen en menigmaal zagen wij vanaf hun land hoe Eoos haar schone lokken schudde. En de herinnering aan ons vaderland en de felbegeerde thuiskomst was door de zinnenstrelende bloemen uit onze gedachten gewist, zoals de westenwind de hemel schoonveegt van wolken.
Middelerwijl maakten de mannen die ik bij de schepen had achtergelaten, zich ongerust over mij, de stedenverwoester Odysseus, en hun trouwe metgezellen. Behoedzaam en zwaar bewapend kwamen zij ons zoeken bij de Lotofagen en zij vroegen mij te spreken. Maar ik liet mij niet overreden de terugreis te aanvaarden. Jammerend omvatten zij mijn knieën en ze smeekten mij hun hart, dat door heimwee en verlangen naar de dag van thuiskomst verteerd werd, te verlichten. “Wat voor woorden ontsnappen de haag van jullie tanden?!”, riep ik geërgerd uit en nors hermesheb ik hen weggestuurd, hen naroepend dat zij hun plicht verzaakten door de schepen onbemand achter te laten.

Hoewel de herinnering aan het huis van mijn vader, mijn geliefde Penelopeia en zoon Telemachos, onder invloed van de hemelse vruchten van de lotos mijn hart onberoerd lieten, was het mijn vrienden wél gelukt met hun gejammer ergernis in mij op te wekken. En dus besloot ik wat te wandelen langs de steile klippen waarop de aardschokker Poseidon, de God met de blauwe haren, zijn grijze golven hun verwoestende spel laat spelen. En toen ik daar over de rotsen liep, kwam plots Hermes, de God van de gouden staf, mij tegen en hij leek op een jongen met het eerste dons op de kaken, de allercharmantste leeftijd voor mannen. En hij zei, terwijl hij mij hartelijk bij de schouders pakte: “Ach, ongelukkige, waarheen voert het noodlot je nu weer? En wat zie ik, onvervaarde Odysseus, ben jij, zelf befaamd om je geslepenheid, nu zelf het jammerlijk slachtoffer van een arglistige val? Ben je huis en haard vergeten en bedwelmd door de honingzoete dis der Lotofagen? Kom, laat me je raden!”, zo riep de jonge God en hij gaf vleugels aan zijn woorden.

Hermes – “hij leek op een jongen met het eerste dons op de kaken, de allercharmantste leeftijd voor mannen”…”Hier, neem dit edele kruid en geef het aan een tiental van je mannen. Dwing het hen te eten want bitter smaakt het als de onrijpe bessen en zij zullen niet gewillig toetasten. Maar het kruid zal hen weer bij zinnen brengen. En zij zullen zich de vrouwen herinneren die handenwringend het huis bewonen dat leeg is zonder hun man, maar belaagd wordt door vrijers die zich vrijpostig gedragen, de runderen slachten en hen brutaal de hand vragen. En hun kinderen zullen zij zich heugen, die uitgroeien tot edele jongelingen en schone dochters zonder ooit hun vader te hebben gekend. En als zij bij zinnen zijn, dwing je met hen de anderen, hun luide protest negerend, naar je snelle schepen en vaar dan weg, zo snel als de wind je voert”.
Hermes vertrok direct na zijn wijze raad naar de grote Olympos, mij op de rotsen achterlatend. Maar sterker dan de aan nectar gelijke spijzen van de Lotofagen was de raad van de God Hermes want bedwelmd als ik was, luisterde ik naar hem en at van het kruid dat hij mij gewezen haUlyssesd.
En onmiddellijk hervond ik mijn wilskracht en ik spoedde me naar de schepen om de achterblijvers aan te sporen mij te helpen.

Odysseus zwerft nog altijd rond. Maar nu als sateliet.En toen de zon vanuit de weergaloze zee de koperen hemel insteeg, hebben wij gezamenlijk enkele makkers het bittere kruid te eten gegeven. En zodra het kruid hun benevelde geesten gezuiverd had, hebben wij de resterende, hevig klagende mannen, naar de schepen gesleurd en hen met strakke touwen vastgebonden onder de banken in de holle schepen. De anderen zochten hun plaats bij de dollen en sloegen in een rij de asgrauwe zee met hun riemen.
En over de brede rug van de wijnkleurige zee voeren wij, bedroefd van hart, en kwamen bij het land aan van de Kyklopen, een overmoedig en zedeloos volk…

About sofie van der sluis