Liefde is een bitter zuurtje

JONGEN
Slaap je? Droom je?

MEISJE
Nee, ik ben wakker.

JONGEN
Gek, ’t zag eruit of je sliep.
Ik dacht dat, dat je sliep.

MEISJE
Ik sliep niet.

JONGEN
Nee, maar je wekte die indruk.

MEISJE
Hoezo? Hoezo wekte ik die indruk?

JONGEN
Nou eh…
De manier waarop je met je ogen knipperde.
Was net of je sliep.

MEISJE
Ik was wakker.
Ik sliep niet.

JONGEN
Ja, je sliep niet.
Al de tijd was je wakker.
Gewoon hier met je gedachten.

MEISJE
Dat zeg ik niet. Ik was wakker.
Maar ik dagdroomde.

JONGEN
Dus toch.

MEISJE
Maar niet echt slapen.
Dagdromen.

JONGEN
Fijn gedagdroomd?

MEISJE
Heel fijn.
Ik dagdroomde van witte was, opbollend in de wind.
Op een of ander Grieks eiland.
En ik dan op mijn blote voeten door het zand.
De zee spoelde m’n tenen schoon.
Ik ben bloot.
Bruin als een zeehondje.
Duik ik de golven in.

JONGEN
Was ik er ook?

MEISJE
Jij?
Nee…
Nee, dat geloof ik niet.
Als ik dagdroom ben ik meestal alleen.

JONGEN
Ja…
Dat snap ik wel.
Dat is juist prettig, toch.
Dat je dan even alleen bent.
Schept wat eh ruimte.

MEISJE
Ruimte ja.
Precies.
Ruimte in je hoofd.

JONGEN
Pis!

MEISJE
Wat?

JONGEN
Gewoon, pis.

MEISJE
Ik heb de bus gemist.
En ook van mijn leven.
Daar ook van.
De bus snap je wel.
Dat-ie wegrijdt, de deuren gaan al dicht en je tikt nog op het raampje.
En de chauffeur ziet je wel, maar hij reageert niet.
Dat je daar staat en meestal regent het en is er verder niemand.
En je weet: de volgende bus ga ik ook missen.
En die daarna ook.
Omdat je dat gewoon weet.
Want zo’n type ben je.
Zo’n de busmissend type.

JONGEN
Ja, dat weet ik.
Dat zag ik meteen aan je.
Iets ontheemds.
Zo van: die is nergens thuis.
Dat vond ik meteen zo beestachtig aantrekkelijk aan je.
Ik wist: die kan ik niet houden.
Maar wel even.
Even kan ik die hebben.

MEISJE
Eendagsvlinder.

JONGEN
Zoiets. Ach, pis.

MEISJE
Waarom nou pis?

JONGEN
Gewoon, omdat het leven pis is.
Dat is mij duidelijk, een dikke straal pis.

JONGEN
Ik hou van je, ik meen het.
Vanaf het eerste moment dat ik je zag wist ik het.
(wijst) Zij.

MEISJE
Gek.
Dat heb ik nou helemaal niet bij jou.
Ja, dat zal jij wel weer als een afwijzing zien.
Maar ik kan ook alleen maar eerlijk zijn.
Toch?

JONGEN
Ja tuurlijk.
Dat waardeer ik ook zo in jou.
Die eerlijkheid.
Dat is een van de dingen waarom ik denk:
(wijst) jij.

MEISJE
Je weet toch wel iets van de wetten van aantrekken en afstoten toch?
Hoe meer jij mij wil, hoe minder ik daar op in zal gaan.

JONGEN
Okay, ik wil je niet.
Heb je nooit gewild.
Ben liever alleen.
Moet er niet aan te denken mijn leven met iemand te moeten delen.
Zou me alleen maar pijn doen.
Pijn, nog meer pijn en dan tenslotte nog meer pijn, als je ging.
Want ze gaan altijd.
Langdurige relaties zijn een marketingconcept.
Die bestaan niet meer.
Ja, vroeger misschien, in de jaren vijftig.
Of in een of ander achtergebleven dorp.
Nee hoor, ik hoef jou niet.

MEISJE
Mooi, ik jou ook niet.
(gaat)JONGEN
Maar de wetten van aantrekken en afstoten dan?
Huh?

Don Duyns

About don duyns