Pravda in de Polder

Journalisten in Nederland, opgepast! De dagen van het klakkeloos overtypen van a4-tjes zijn voorbij. Er is een nieuw tijdschrift ‘voor onderzoek en analyse van de Nederlandse media’ in Nederland.
Met knikkende knieën bel ik met de redactie van het blad…
[Nieuwe Revu, een aantal weken geleden, over Extra!]

Hoofdredacteur Martin Hulsing kan er hartelijk om lachen. Hoewel de Nieuwe Revu het kersverse blad Extra! in een paar krachtige zinnen direct tot de top van tot mislukken gedoemde bladen tracht te degraderen, vindt Hulsing dat het erbij hoort:

“Die journalist van de Nieuwe Revu belde met mijn collega-redacteur. Zeven minuten na het telefonisch interview belde de journalist terug en las het resultaat voor. Vol met fouten natuurlijk, waarvan hij er een aantal onwelwillend verbeterde. Het was duidelijk dat hij het stuk al had klaar liggen vóór het interview plaatshad en slechts nog een paar quotes nodig had om zijn stuk op te leuken. Zo gaat dat nu eenmaal”.

Het lijkt een onmogelijk project. Het is voor nieuwe tijdschriften altijd al lastig vaste voet aan land te krijgen, maar als het beoogt de collegae-media kritisch onder de loep te nemen, lijkt de poging bij voorbaat gedoemd. De bovenstaande quote uit Nieuwe Revu bevestigt dit eens te meer: de media kunnen initiatieven maken of breken en desgewenst een kritisch geluid in de kiem smoren. En dat zijn nu precies de praktijken waar Extra! zich over buigt.

Toch zag op 19 oktober 2001 de eerste editie van Extra! het licht. Patrick Pubben en Martin Hulsing besloten hun al vaak besproken plan om een mediakritisch tijdschrift op te richten, ten uitvoer te brengen. Het was een geval van ‘nu of nooit’: met de aanslagen op het WTC op 11 september bestond er nauwelijks nog twijfel dat de media een belangrijke, en soms ook dubieuze, rol spelen bij de verslaggeving en interpretatie van politieke gebeurtenissen. De oorlogsretoriek dreunde door op de radio’s, televisieschermen en in de kranten. Maarten van Rossem sprak van emotionele journalistiek en de persvoorlichters van de Taliban (te sympathieke vijanden in een mediaoorlog?) werden de mond gesnoerd. De tijd was rijp om de pers eens flink aan de tand te voelen. En daarmee voor Extra! Een interview met hoofdredacteur Martin Hulsing over doel en achtergronden van dit initiatief.

De oprichting van Extra! kort na de aanslagen op 11 september is opvallend. Zijn jullie speciaal met het oog op deze aanslagen begonnen?
Nee, dat niet. Ik speel al zo’n acht jaar met het idee. Na 11 september dacht ik wel: nu moet ik het gewoon doen. Patrick Pubben en ik hebben toen een kantoorruimte geregeld en computers aangeschaft, en nu moeten we wel.
Het blad is opgericht vanuit de gedachte dat vaak wordt geroepen dat de media niet deugen. In Nederland zijn echter maar drie studies gedaan naar het functioneren van de pers. Extra! stelt zich ten doel onderzoek en analyse van de Nederlandse media op schrift te stellen. Het is een poging om de vooroordelen over de media op wetenschappelijke – dat wil zeggen: voor anderen controleerbare – wijze te onderzoeken.

Bij onderzoek moet je dan denken aan wat bijvoorbeeld de Glasgow Media Group sinds 1978 doet. Zij bestuderen waar media wel en niet over berichten. Ze verzamelen bijvoorbeeld berichten over stakingen en ‘tellen’ hoe vaak en hoelang iemand van de vakbond door de pers aan het woord gelaten wordt en hoe vaak en hoelang iemand van het bedrijf zelf. Ook wordt bekeken hoe de sprekers worden gepresenteerd: waar en bij wie worden wel of juist consequent géén vraagtekens geplaatst. Of ze tellen wie spreektijd krijgt in vooraanstaande praatprogramma’s. Dan blijkt 89 procent van de gasten man te zijn en het gros te komen uit het bedrijfsleven, de regering of aanverwant ‘establishment’; het leeuwendeel van de bevolking wordt dus niet om hun mening gevraagd. Zelfs als het hen heel specifiek aangaat, zoals bij onderwerpen als de gezondheidszorg.

In het blad pikken jullie een onderwerp uit en laten zien wat wel gerapporteerd is en wat genegeerd is. Of jullie laten zien dat de woordkeuze bepaald niet vanzelfsprekend is. Dat er bijvoorbeeld consequent wordt gesproken van ‘terroristen’ en niet van ‘vrijheidsstrijders’. Maar het tijdschrift komt niet over als een wetenschappelijk journal. Nu zijn jullie natuurlijk net begonnen, maar de vraag is of je deze wetenschappelijke pretenties waar kunt gaan maken.
We willen niet alleen een ander geluid laten horen, maar daadwerkelijk aantonen dat er een scheefheid in de verslaggeving bestaat die maakt dat mensen over bepaalde zaken wel nadenken en over andere niet. Dit onderzoek is in feite heel eenvoudig; een frequentietabel uitdraaien is bij wijze van spreken afdoende. Extra! zou dergelijk onderzoek zeker kunnen doen en erover kunnen rapporteren. Kleine onderzoekjes, gericht op de actuele berichtgeving.
Denk bijvoorbeeld aan een vergelijking van de verslaggeving over schending van de mensenrechten van Kosovaren door Serviërs met die van de Koerden door Turken. Wordt er in dezelfde termen over Turkije gesproken als over Servië? Ik denk het niet. Ik geloof niet dat het beleid van Turkije ooit ‘afschuwelijk’ is genoemd. Integendeel, Turkije wordt gepresenteerd als bondgenoot. Iedereen maakte zich druk over wat een boef Milosevic was en hoe we daar moesten ingrijpen. Dat was het effect van constante media-aandacht. Maar over wat er gelijktijdig met Koerden in Turkije gebeurde, hoorden we vrijwel niets. Dat is vreemd, want met Milosevic hadden we eigenlijk niet zoveel te maken, maar met de Koerden des te meer: die worden met Nederlandse wapens vermoord, met ons geld en onze diplomatieke steun. Daar is Nederland dus indirect medeverantwoordelijk voor. Nederland had met relatief simpele maatregelen kunnen ingrijpen; een duidelijke veroordeling kunnen uitspreken of diplomatiek en financieel daden bij woorden voegen. Dit in tegenstelling tot het complexe ingrijpen in Servië toentertijd.
Als je dergelijke selectieve verslaggeving hard wilt maken, zul je het moeten onderzoeken en met feiten moeten komen. Dat is wel haalbaar en voornamelijk een kwestie van een goed knipselarchief aanleggen.

Die selectieve verslaggeving; kun je daar nog een goed voorbeeld van geven?
Wat ik wel een aardig voorbeeld vind is de vakbond Solidariteit in Polen. We weten allemaal wat er gebeurde en spraken schande van de twee vakbondsleden die door politieagenten vermoord werden. Maar van de vele duizenden vakbondsmensen die in Latijns Amerika op gruwelijke wijze vermoord zijn, weten we vrijwel niets, wederom omdat de media er nauwelijks aandacht aan besteedden. Dat is merkwaardig: met de vakbond in Polen had Nederland niet veel te maken, met die in Argentinië des te meer – we leverden vliegtuigen aan de toenmalige ‘democratische’ regering. Ik verwacht van de pers dat ze meer aandacht besteedt aan onderwerpen waar Nederland zelf een rol in speelt. Maar het tegendeel lijkt eerder het geval: mensen werden geïndoctrineerd om zich druk te maken over de communisten en niet over ‘de vrije en bevriende democratische krachten’ die echt op afschuwelijke wijze hebben huisgehouden in Latijns Amerika.
Ik vind het niet gek dat mensen zich daar niet druk over maken, want ze lezen er nooit over. Maar dat het land waarin je woont indirect oorlogsmisdaden steunt en dat mensen daar niet van op de hoogte zijn, druist mijns inziens in tegen het democratisch gedachtegoed. Je kunt stellen dat mensen de kranten niet klakkeloos moeten volgen, maar ik neem het de gewone burger lang niet zo kwalijk als de redacteuren van de dagbladen. Die weten verdomd goed wat in de wereld gebeurt, kennen de rol van Nederland hierin, maar selecteren desondanks, willens en wetens bepaalde onderwerpen uit.

Toch is het moeilijk om je dat voor te stellen. Waarom zouden de redacteuren dat doen? Is dat een soort lafheid, doen ze dat bewust? Hoe gaat dat dan in zijn werk, denk je?
Nu, daar is natuurlijk ook wel onderzoek naar gedaan. Zo heb je het befaamde propagandamodel van Edward Herman en Noam Chomsky. Zij onderscheiden een aantal ‘filters’.
Adverteerders en kapitaalgroepen zijn de belangrijkste financiers van kranten en zijn daarmee feitelijk degenen die de lonen betalen van de journalisten en zorgen dat de kranten draaiende blijven – niet die 50.000 tot 100.000 lezers. Lezers kunnen boze brieven schrijven, maar kapitaalgroepen kunnen zich terugtrekken. Met die groepen dient dus rekening gehouden te worden, anders betekent het een soort zelfmoordactie. Maar stel je voor, je bent een jonge frisse freelance journalist, je weet ergens veel vanaf, je wordt toegelaten tot de gelederen van een krant en vervolgens kom je erachter dat van de tien artikelen die je schrijft, er negen niet worden geplaatst. De journalist zal zich uiteindelijk richten op de onderwerpen waarvan hij weet dat de plaatsingskans groot is. Je blijft niet je tijd verdoen aan onderwerpen die keer op keer worden afgewezen. Zo neemt de journalist de normen en waarden van de regerende elite voor lief, puur uit zelfbehoud.
En dan heb je ook nog het fenomeen dat ‘flack’ wordt genoemd: als kranten eens het lef hebben om te publiceren over zaken die niet in overeenstemming zijn met de wensen van de elite, dan wordt er een ‘belasteringsmechanisme’ in werking gesteld. Soms betreft het zelfs een georganiseerd orgaan, zoals de Joodse lobby in de VS. Iedereen die het lef heeft om iets ‘fouts’ over Israël te schrijven, wordt belasterd, thuis opgebeld, echt het leven zuur gemaakt. Een actieve manier om de media te sturen.

Wat zou er dan gebeuren als een Nederlandse journalist zou schrijven dat Turkije de Koerden onderdrukt en mishandelt? Zou hij een dissident zijn? Belasterd worden?
Je kunt dat best een keer publiekelijk beweren, maar er zijn grenzen. Als je je niet aanpast aan de normen en waarden van de elite, word je afgestraft. Denk aan Stan van Houke die publiekelijk geofferd werd nadat hij de krakersrellen van 1980 in de Amsterdamse Vondelstraat op ludieke, gewaagde wijze versloeg door soms met ‘wij’ te verwijzen naar de keurige burgerij – die tanks richting barricades stuurde – en soms naar de krakers. Van Houke raakte zijn baan bij de Amsterdamse radio kwijt en heeft zich uiteindelijk als VPRO-journalist gedeisd gehouden. Maar nee, je wordt hier niet, zoals in El Salvador, in mootjes gehakt als je als journalist te vaak je mond opendoet. Het ergste wat je kan overkomen is ontslag. Een eerlijke journalist moet dat risico durven nemen.

Nu is er dagelijks een oneindige hoeveelheid nieuws. Hoe tussen deze berichten te kiezen?
Het zou al wat zijn als er niet honderd artikelen aan A en twee aan B gewijd werden; als de balans minder scheef was. Nu berichtten de Nederlandse media vooral over Milosevic, in plaats van over Turkije en Koerdistan. Het zou eerder andersom moeten zijn gezien de relatie tussen Nederland en Turkije. Als je geen handelsbetrekkingen hebt met Servië, je heb feitelijk niets met Servië te maken, maar je hebt ontzettend veel handelsbetrekkingen met Turkije, je hebt een hele Turkse gemeenschap en een Koerdische gemeenschap hier wonen, je hebt een Koerdisch parlement in huis, dan wordt het lichtelijk bizar om niets over Turkije te schrijven en des te meer over Servië.
Het is de plicht van de media in een democratisch land om over zaken die het land aangaan te schrijven. Geografische nabijheid, politieke nabijheid, daarop zou je kunnen selecteren.

Kritische democratische pers!
De rol van de media is groot. De pers beslist waar de aandacht van de burgers op een bepaald moment naar uit gaat. Ik denk niet dat mensen willen dat er met hun steun mensen worden vermoord. En als dat gebeurt willen ze daarvan op de hoogte zijn, lijkt me. Die kennis lijkt mij te behoren tot het recht van een burger in een democratie.
Kijk, we zouden verbolgen zijn als een Pravda-journalist klakkeloos de mening van een machthebber overneemt. Je verwacht – terecht – dat die journalist informatie controleert en zich niet opstelt als willoze, hersenloze spreekbuis van de machthebbers in zijn land. Je verwacht een kritischer houding. Dergelijke verwachtingen zouden we ook moeten hebben over de vrije Westerse pers, en onze eigen pers in het bijzonder. Wat me dan ook beangstigt is dat indoctrinatie hier in het Westen veel effectiever lijkt te zijn dan in bijvoorbeeld de Sovjetunie. In de Sovjetunie heb je nog wel eens mensen die hun bek durfden open te doen, met gevaar voor eigen leven. Een dergelijk dreigement lijkt in het Westen niet eens meer nodig.

Maar is het niet ook de plicht van de burger zelf om na te denken en op zoek te gaan naar meer genuanceerde informatie? Moeten we het De Telegraaf kwalijk nemen dat ze schrijven wat ze schrijven of moeten we het de Telegraaflezer kwalijk nemen dat ze nooit eens iets anders lezen?
Ik vind dat je het vooral de redacties van de betreffende kranten kwalijk kunt nemen. Neem nu het ‘jubileum’ van de Vietnamoorlog enkele maanden geleden. De NRC vraagt nota bene Kissinger om een hele pagina te vullen. Denk je in dat Goebbels een hele pagina had gekregen om 25 jaar na de tweede wereldoorlog terug te kijken op de Duitse strijd! Kissinger’s visie is wellicht vanuit intellectueel oogpunt interessant maar mijns inziens moet je die niet als enige, zonder kanttekeningen plaatsen. De man spuit pure propaganda! De krant hoort de lezer feiten te presenteren en niet slechts ruimte te bieden aan inherent gekleurde informatie. Ik mis dan de visie van Vietnamese betrokkenen, van slachtoffers, zowel Vietnamese als Amerikaanse.

Om weer even terug te komen op Extra! Wat zijn de toekomstplannen?
Artikelen schrijven, media-onderzoek doen, turven, kijken, lezen, vergelijken. De leugen van gister vergelijken met de rapportage van vandaag. Actief ruimte geven aan actueel nieuws, maar ook aan meer vergeten zaken. Uiteindelijk willen we laten zien dat bepaalde onderwerpen onderbelicht worden in de pers of alleen op zeer gekleurde wijze in het nieuws komen. Een mooi voorbeeld hiervan is het artikel van Koen Vossen in de Extra! van 2 november over Leefbaar Nederland. Vossen laat zien dat, hoewel de partij wel behoorlijk wat aandacht krijgt, deze vrijwel louter schertsend en neerbuigend van toon is. De pers maakt zich in wezen schuldig aan stemmingmakerij en daarmee wordt de nieuwe partij een eerlijke kans bij voorbaat ontnomen.

En hoe zit ’t met de zakelijke kant? Hoe gaat een blad als Extra! zichzelf bedruipen?
Om het hoofd boven water te houden moeten we uiteindelijk zorgen voor een afname van zo’n 1000 exemplaren per editie. We hopen dat mensen actief zullen gaan meelezen met Extra! en het gevoel krijgen dat ze het kunnen verbeteren en veranderen. Mensen moeten het blad zien als een initiatief dat het waard is gesteund te worden, geldelijk of in de vorm van tekstuele bijdragen. Dit in tegenstelling tot het gemakkelijke en meer statische karakter van een abonnement op een dagblad als de NRC, de Telegraaf of de Volkskrant.
We willen dus dat het blad gedragen wordt door de lezers. Fondsenwerving is wel een mogelijkheid maar uiteindelijk moet de steun voor het initiatief zichtbaar worden in een ‘achterban’ van abonnees. We hopen op de steun van individuen maar ook op steun van instellingen. Enerzijds van organisaties die zelf weten dat ze in de ‘media-marge’ staan – denk aan initiatieven als Kerken voor Vrede en Vrouwen voor Vrede die eigenlijk zelden spreektijd krijgen – en anderzijds van organisaties die zich met (de rol van de) pers bezighouden, zoals vakgroepen communicatiewetenschap of de school van journalistiek.
Het creëren van naamsbekendheid en het werven van de abonnees is een enorme klus op zich, naast puur het vullen van het blad. Elke vorm van steun is dan natuurlijk ook welkom.

Bij dezen!

Melissa van Amerongen & Sofie van der Sluis

Informatie (abonneren, verspreiding blad, contact, en natuurlijk de artikelen) over Extra! is te verkrijgen op de Extra!-site: http://www.extra-media.nl

About sofie van der sluis