Winnaar Plagiaatwedstrijd: Tulipa Ridiculare – Godfried Bomans

De staatssecretaris was de eerste die het zag. Hij zat naast de katheder waarachter van Toeteren, de minister van Landbouw, een gloedvol betoog stond te houden over het verbod op het exporteren van tulpenbollen dat gisteren unaniem door Europese Gemeenschap was opgelegd.

Hij had het over massahysterie, onwetenschappelijk geraaskal en nog meer van dat soort kreten maar die verstond de staatssecretaris niet meer. Zijn blik was gefixeerd op de oren van de minister waar zachtgeel poeder uit wolkte. Het was eerst nauwelijks waarneembaar maar het werd allengs beter zichtbaar toen het spul als een soort roos op de met stemmig donkerblauw beklede schouders neerdaalde. Als de staatssecretaris zijn papieren goed gelezen had, en dat had hij, dan waren dit de eerste symptomen van de maffe-tulpenziekte. Snel bladerde hij terug. Ja daar stond het: symptomen waaraan de maffe-tulpenziekte, in medische termen tulipa ridiculare genoemd, herkend kan worden. In het beginstadium scheidt het lichaam een meelachtig product uit dat flinke niesbuien veroorzaakt. De herkomst van deze afscheiding is onderwerp van intensief onderzoek, maar in dit stadium viel er nog weinig over te zeggen… De staatssecretaris sloot het rapport en keek gefascineerd toe hoe de minister onder het praten met beide handen in zijn broekzakken dook. Hij had zo’n haast met het zoeken van zijn zakdoek dat hij de zakvoering mee naar buiten trok. De minister nieste een klein niesje, maar dat bleek slechts de voorbode van één eindeloze niesbui. De Kamer hoorde het eerst beleefd aan maar werd al spoedig ongeduldig. Men begon beschaafd te kuchen en vanuit de confessionele hoek werden pakjes met papieren zakdoekjes naar de ministerstafel geworpen. Mevrouw Wolkjemelk van de koffie, die een zwak had voor van Toeteren, kwam met een flesje Bekend Homeopathisch Panacee aanlopen. Toen de minister om haar te bedanken even tussen twee niesen door de zakdoek voor zijn gezicht weghaalde verdween haar ‘kijk mij eens behulpzaam zijn’-blik als bij toverslag van haar gezicht. Zij slaakte een gil. Dat deed zij wel vaker, dus dat maakte geen indruk. Zij slaakte nog een gil en maar lette deze keer op er wat meer drama in te leggen. De Kamer verstomde. Alle ogen waren gericht op de gele bevuilde zakdoek die van Toeteren in zijn handen hield. Drie leden van de socialistische fractie stormden naar voren, springend en struikelend over het lichaam van Wolkjemelk dat in een elegante pose ter aarde lag. Zij wilden het fenomeen wel eens van dichtbij zien en de minister liet ze begaan. Hij stond daar maar, verstijfd van schrik met de zakdoek in zijn hand. Gele zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. Koortsachtig ging hij zij geheugen na. De incubatietijd was veertien dagen… Twee weken terug had hij de bollenexpo officieel geopend. Men was zelfs zo vriendelijk geweest een nieuw ontwikkelde tulpsoort naar hem te vernoemen: een donkerblauwe, zeldzaam kleurtje. Hij had gelijk drie kisten vol ‘van Toeteren’s’ meegenomen en ze in de border naast de oprijlaan gepoot… Naambordje erbij want dat was leuk voor de buurt. Toen moet het gebeurd zijn.

Van Toeteren schrok op uit zijn gedachten. Iemand riep: ‘Kijk, hij begint al te trillen!’ Het was de eenmansfractie van een wat dubieus partijtje, in de persoon van Harry Hupse, die een gelegenheid rook om voor de camera te verschijnen. Hij stelde zich op, vlak voor de arme minister, waar hij de verschijnselen goed kon bestuderen. Met zijn vinger volgde hij het lijstje van ziekteverschijnselen op bladzijde zesentwintig van het rapport. ‘Knikkende knieën,’ riep hij in de richting van de camera, ‘Dat moet het volgende zijn. Excellentie, hoe staat het met uw knieën?’ De staatssecretaris keek behulpzaam onder het katheder. Op dat moment neeg van Toeteren voorover naar de microfoon en fluisterde: ‘Mijnheer de voorzitter, ik vraag om een onderbreking, ik voel een griepje opkomen.’ ‘Het zijn leugens!’ protesteerde Hupse enthousiast, ‘De Kamer wordt hier opzettelijk verkeerd ingelicht. Mijn fractie wil een parlementaire enquête. Wij betreuren ons eerdere standpunt geen vertrouwen in deze minister te hebben. Het ware een daad van politieke moed geweest om dit nu op te zeggen. Wij…’ Hupse’s woorden werden gesmoord in het tapijt. Op een of andere manier waren zijn benen verward geraakt in een losliggend snoer. Twee cameramensen wisselden een blik van verstandhouding. Voor een paar seconden was van Toeteren weer in beeld. Toen zeeg hij ineen en werd afgevoerd.

De rust keerde weer. De premier nam het woord en sprak een paar gepaste woorden van droefenis. Hij roemde de collegialiteit en rechtschapenheid van de minister en sloot af met sterktewensen aan het adres van de zo zwaar getroffen familie. Van Toeteren was weliswaar nog niet dood maar volgens het rapport zou dit niet lang op zich laten wachten. Gebeurd is maar gebeurd dacht de premier die bekend stond als een efficiënt man. Bovendien naderde het zomerreces en lokten de Bahama’s.

De Kamer ging weer over tot de orde van de dag. Het bleek dat het incident met de minister de betrokkenheid van de deelnemers bij het debat aanzienlijk had doen toenemen. Een enkeling verdacht de ministerraad zelfs van opzet en verwachtte dat van Toeteren weldra met een luid ‘gefopt!’ in de deuropening zou springen. Anderen waren druk aan het berekenen hoe hun kansen stonden voor de invulling van de ontstane vacature maar verreweg het merendeel mengde zich luidkeels in het debat. Er groeide een sfeer van verbroedering nu er een gemeenschappelijke vijand was: de Europese Gemeenschap. Het taalgebruik werd met de minuut minder diplomatiek. De liberale voorman sprak aanvankelijk nog van het ‘nemen van passende maatregelen ter beïnvloeding van het onderhandelingsklimaat’. Even later schreeuwde een fractiegenote onder luid gejuich dat ze die bordenwassers uit Brussel wel even een poepie zou laten ruiken. Ze voegde de daad bij het woord wat haar tijdelijke populariteit weer gelijk tot nul reduceerde. Vele handen grepen naar de interruptiemicrofoon om elkaar steun te betuigen. Mannen sloegen elkaar op de schouder en de vrouwelijke parlementariërs belipstickten de wangen van hun collega’s. Uiteindelijk lagen er drie voorstellen op tafel:

1. Een importverbod op goederen van Europese partners,
2. Oorlog,
3. Het blokkeren en traineren van de besluitvorming binnen de E.G.

Het eerste voorstel vond onvoldoende weerklank. Velen vreesden de ontbering van Franse wijn, Italiaanse kaas en Griekse olijven. Het tweede voorstel werd, in verzwakte vorm, aangenomen. De oorlog zou zich beperken tot het voetbalveld. De op hand zijnde Europese Voetbalcompetitie bood een kans die niet gemist mocht worden.
Het laatste voorstel werd algemeen aanvaard: gewoon het mes op de keel zetten en afdwingen die handel. Toen het besluit eenmaal gevallen was werd het even plechtig stil. De minister-president nam de gelegenheid waar om alle argumenten nog een keer samen te vatten:
‘Ten eerste,’ sprak hij, ‘Iets wat niet wetenschappelijk bewezen is, bestaat niet.’ Hier was even een verstoorde reactie te bespeuren bij de partijen met een kerkse aanhang. ‘Ten tweede: wij tolereren geen ondermijning van onze economie, die is van levensbelang voor onze natie. En àls… en ik zeg àls, er een epidemie mocht ontstaan waarvan we de oorzaak niet kennen dan zullen we dat van de positieve kant bekijken. Het verlies aan werkgelegenheid in de bollenteelt kunnen we dan mooi compenseren met extra banen in de gezondheidszorg.’

De minister-president veegde zijn papieren bij elkaar ten teken dat hij klaar was, waarop alle parlementariërs hem een staande ovatie gaven. Ontroerd bleef ’s lands leider staan. Na tien minuten gebaarde hij de Kamer tot stilte, liep plechtig naar de interruptiemicrofoon en nam die van de standaard met het gebaar van een gevierd artiest. Terwijl iedereen ademloos toekeek staarde de minister-president met een peinzende uitdrukking in zijn ogen naar het plafond van de hoge zaal om zich daarna weer tot de leden van de Tweede Kamer te richten. Men verwachtte een paar vlammende woorden aan het adres van de Europese Gemeenschap, maar tot ieders verbazing begon de premier te zingen, eerst zachtjes, zoekend naar de juiste toon, maar al snel luider en krachtiger. ‘Tulpen uit Amsterdam’, zong hij, en na het eerste couplet viel de hele Kamer in. Een strijdlied was geboren. Toen het uit was begon men gewoon opnieuw. Dit maal in polonaise achter de ministers aan. Op straat begrepen pers en burgers al snel wat er aan de hand was en sloten zich aan. Alle ambassades van de Europese partners werden in de route opgenomen en bij elk gebouw werd het strijdlied minstens drie keer aangeheven. Uiteindelijk ging de lange sliert richting kroeg waar nog tot in de late uurtjes is geprotesteerd. Toen de minister-president tegen de ochtend thuis kwam, en zijn Marian hem slaperig vroeg of hij weer lekker het volk vertegenwoordigd had, kon hij dit volledig beamen.

About machteld-vos-de-wael