Het Plagiaat: Max en Maurits

Zevende list

Eert uw vader, acht uw moeder
Ducht uw meester, vreest uw hoeder
Toon respect en piëteit
Voor God, kerk, en geestelijkheid
Iedereen – van graaf tot oen
Kent die regels van fatsoen

Zo was het dan, als m’neer pastoor
Zich begaf onder God’s gehoor
De mensen bogen, en hem groetten
Als zij hem op straat ontmoetten

Reeds bij ’t zien van dees bekleder
Sloegen ogen rap teneder
Vlogen hoeden van de knarren
Zo een man zal men niet sarren
Veeleer kust men hem de voeten
Of biecht zonde en moet boeten
Max en Maurits, evenwel
Interesseerde lof geen tel

Kijk, daar hangt in spitse nok
De goudblinkende kerkklok
Waarmee d’pastoor met hels geluid
De aanvang van de mis inluidt

Snel beschikt en zie aldaar
Gewapend met een mes en schaar
Beklommen de twee hartelappen
De wentelende torentrappen

Snipper, snap! Als met een sabel
Bewerkten zij de zware kabel
Met daaraan de bronzen bel
Hoog bovenin de dakkapel

Met hun werk ten zeerst tevreden
Verzwonden de twee met rasse schreden
Om vanachter ’t struikgewas
Te wachten tot het dienstijd was

Reeds kwam d’pastoor daar aangebeend
In hem God’s heil en vrucht vereend
Stijf en voor den orde zin
Met den knoop totaan den kin

Ter verkondiging van God’s woord
Greep de plebaan het schellekoord
Wilde hieraan vroom gaan rukken
Maar trok het rotte touw aan stukken
En met ongekend gedonder
Kwam de klok toen naar heronder
Razende balken, splinters, stenen
Boem! Rang! Klap! Pastoor verdwenen
Gevangen als een deliquent
Onder God’s instrument
En de twee galgebrokken
Ziet men van het lachen schokken

Dit was dus de zevende list
En de achste volgt beslist

About sofie van der sluis