Het Plagiaat: Toergenjew’s Jagersverhalen

Op een ochtend in juli was ik vroeg opgestaan om op wilde eenden te gaan jagen. Hoewel de zomerzon nog niet haar volle sterkte had bereikt, was het de voorgaande dagen al drukkend warm geweest en voor een jager, wachtend en aan de rand van onbeschutte plassen, was die warmte geen pretje.

Ook kon ik niet wachten om de benauwde nacht achter me te laten. Het bonkige bed en het bedompte vertrek waarin ik had overnacht, hadden me beklemmende dromen bezorgd en ik verlangde naar de frisheid van de prille ochtend.
Het dorp waar ik logies had kunnen krijgen was nog in diepe rust toen ik vertrok. Zelfs van de kleine bruine hennen, die de dag ervoor als vliegen door de onverharde straten hadden gezwermd, was nog geen spoor te bekennen. Mijn trouwe hond was echter al uitgeslapen en kwiek en dweilde links en rechts voor me uit, snuffelend aan omgevallen troggen en staldeuren. De lege weitas hing aangenaam licht, bijna hoopvol, van mijn schouder en er stond een koel briesje dat als een tedere hand de slaap uit mijn ogen veegde.

Al snel lieten we het dorp achter ons en strekten zich links en rechts van ons de velden uit. Ondanks de warmte was het gras nog dik en de aarde zwart en vet. Slechts een eerste streepje zon was zichtbaar aan de einder en de weilanden lagen er nog blauwig en verlaten bij. In de verte stonden wilgen als beschaamde gestalten aan de waterkant, de rug afgekeerd van de wereld vol treurnis. Over de velden lag als een tere voile de zilvergrijze ochtenddauw die mijn laarzen en broekspijpen donker kleurde.
Hier en daar klonk een eerste geritsel. Meerkoeten die als zwarte bollen op het water hadden liggen slapen, rekten zich uit en begonnen hun oneindige zoektocht naar takken om hun nest mee te verstevigen. Een waterhoen plonsde, snaterde. Verderop stond een hongerige blauwe reiger tot aan de buik tussen het kroos, de kop spits vooruit, geconcentreerd turend naar het bewegingsloze wateroppervlak. Een kievit vloog hoog gillend op toen wij haar nest naderden. Een tweede volgde.
Langzaam begon de wereld kleur te krijgen. De klavers kleurden purper op onder de eerste stralen zon, als blozende meisjes die plots in het middelpunt van de belangstelling staan. Boterbloemen en fluitenkruid sierden de weilanden tot zo ver het oog reikte en plukken zwanebloemen staken fier uit het water van de slootjes omhoog. Hier en daar klonk het gekwaak van kikkers, dat steeds verstomden als wij naderden en daardoor altijd ver weg leek. Een grutto scharrelde door het hoge gras, zijn lange poten dekt. Alleen zijn kleine kop met spitse snavel piepte soms tersluiks tussen de graspluimen en pinksterbloemen vandaan. En voor ons lag, als een spiegel in het gras, omlijst met riet, de plas waarop de wilde eenden dobberden.

Sofie van der Sluis

About sofie van der sluis