Het Plagiaat, Bordewijk’s Blokken

De bus ging zijn weg, recht, de verstralers voorop, versterkt door kristallen prisma’s. Het voertuig schoof door de nacht als een trage pijl met withete punt. Het doel was de stad. Er waren geen lichten langs de weg. Er was een overvloed van licht in de hemel. Daar waar de mens geen macht had leefde romantiek. Wild, vertoornd. De stormwolken gingen geweldig, fregatten van de nacht, óverspannen met zeil. De zeilen scheurden.
De aarde lag bepanterd met wit en zwart, bleekzwart, bleekwit. De bus bewoog door schaduw en licht. De maan barstte te voorschijn. Lichtvloeden kwamen af in watervallen. Het ravijn van de nacht stond vol watervallen. De bus met zijn withete diamant zocht de stad.
De dorpen, eens ruïnes, waren weggevaagd. Er was in Nederland voor dorpen geen plaats. Er waren grote centrale punten.
De bus ging langs bouwland, dan langs weide, dan langs bos. Er was geen licht op aarde en de maan werd overwoekerd. Winterhagel ruiste langs de metalen flanken, hij reed langs niet-bestaande heuvels op zijn weg naar de nieuwe hoofdstad. Even was de nacht volmaakt, – dan, aan de einder, blonk een diamant. Die week noch naderde: een bus die evenwijdig ging.
In de donkere cabine rezen passagiers van hun matras. De nacht, leeggehaald maar zwart gebleven, werd voller en voller van rode ogen, onder, boven. Ergens in een hoek van de hemel, schijnbaar heel hoog, was als een enorm sterrenbeeld, door rood glas bezien. De sterren schoven langzaam dooreen.
Een lijntje zwol en werd een luchtschip waarvan alle vensters straalden. Aan de andere kant bleef een diffuus melkig licht hangen, en dan brak het open zoals een ijsberg in zonneschijn breekt uit de mist, De Hollandse Meester, het fonkelnieuwe, fonkelende grootste gebouw van de nieuwe hoofdstad. Een stad boven de stad. De maan brak weer door, maar was nietig bij die nieuwe, allergrootste stralende wereld, al de manen omlaag gehaald, gekoppeld, geketend, dienstbaar met een rustige dienstbaarheid aan de mens. Het logo van De Hollandse Meester was te klein. De naam De Hollandse Meester was te klein, de fascistische regering zou de toren herdopen in een cijfer. Het cijfer 4. Het cijfer verbeeldt geen afmetingen.
De bus koerste schuin lang de toren heen, die lang een veeg gloed liet aan de kim. Na de overgang was de nacht voller van rode ogen, en een andere veeg licht recht vooruit, het busstation van de stad.
Nu was ook de weg volgestoken met hoge lichten in regelmatige rijen, een rechtlijnige tekeningen. Het busstation kwam in zicht, nog ver, zijn effen betonvierkant, krijtig in het vloedlicht. Een afbeelding van de bebrilde leider was op een blinde muur gestoken. Zijn vettige lippen glansden van neergeslagen mist.
De bus zocht zijn plek, volgde de pijlen, deinde even, stond, vouwde zijn deuren op. De passagiers stapten uit, hun verkeersvergunning op de borst tussen de dubbele politierij. De politietroepen doorzochten met toortsen de cabines. De Hollandse Meester scheen aan de einder.

About emilio