Je m

We kennen ze wel, die LPF stemmers. Die rancuneuze middenstanders, die revanchistische kleinburgers, die benepen racisten, die laffe egoïsten die achter elke asielzoeker een al-Qaeda lid menen te ontwaren. Een minder soort mensen, in wezen. Mensen zoals ik.

Want ook ik geraakte in het vroege voorjaar van 2002 in de ban van Fortuyn. Net als een groot deel van de kiezers waardeerde ik Fortuyn de rebel, die de vloer aanveegde met de gezapige technocraten van Paars. Fortuyn hield de belofte in van het overbruggen van de kloof tussen burger en politiek.

De speerpunten van Fortuyn vormen inmiddels zowaar de inzet van deze verkiezingen. In elk lijsttrekkersdebat gaat het over de wachtlijsten in de zorg, de (on)veiligheid op straat en de uitwassen van ons immigratie- en integratiebeleid. Maar dit waren niet de punten die mij in Fortuyn het meest aantrokken.

Fortuyn, dat mediagenieke wonder op de almachtige televisie, belichaamde voor mij voor alles de hoop op instant democratische behoeftenbevrediging. Zijn leus “We geven het land terug aan de mensen in het land” klonk mij als muziek in de oren. Want mijn keuze voor Fortuyn werd niet alleen ingegeven door zijn sterke kanten, maar ook door de zwakke kanten van zijn tegenstanders.

Eindelijk was er iemand die scherpe en duidelijke uitspraken deed, die niet maalde om politieke correctheid en die zich eens niet uitdrukte in onnavolgbaar Haags-departementaal beleidsjargon. Afgezet tegen deze extravagante en populistische Jesse James, verloren zijn tegenstanders het laatste restje politieke kleur. De regentenmentaliteit werd eindelijk ontmaskerd.

Duidelijkheid alleen is op zich echter geen reden op iemand te stemmen. In feite gaf de affaire rond de Schipholtunnel-fraude voor mij de doorslag. Van Gijzel, galante vertegenwoordiger van het volk, onvermoeibaar strijder voor de publieke zaak, werd door Melkert teruggeroepen. Mocht hij het Korthals niet al te moeilijk maken omdat de VVD Melkert anders zou aanvallen op de ESF-affaire?
Pure speculatie? Wellicht.

Minder speculatief is het volgens mij, dat een Van Gijzel wel had kunnen doorzetten als hij daar de politieke basis voor had gehad. Nu is het zo dat je, wil je in de Kamer komen, eerst in het gevlei moet raken bij een partijcommissie die je op de lijst kan zetten. Vervolgens lift je mee op het succes van je lijsttrekker en belandt je op het pluche. Wil je de volgende keer weer op de lijst komen, dan is het veeleer zaak de partijbonzen te vriend te houden, dan de kiezer. Hier is slechts 1 remedie voor: een al dan niet gemengd districtenstelsel, dat de volksvertegenwoordiger (in spe) zou dwingen persoonlijk kiezers van zijn of haar gelijk te overtuigen.

Het was vooral dit element in het denken van Fortuyn dat me het meest aansprak. Ik hoopte werkelijk op een verregaande democratisering van het landsbestuur en op een einde aan de partijpolitieke benoemingen van burgemeesters, commissarissen van de Koningin, en wat dies meer zij. In Fortuyn zag ik de fakkeldrager van deze hoop op een werkelijk democratisch Nederland. Zo kwam ik tot mijn keuze voor Fortuyn, waarbij het laatste zetje werd gegeven door zijn vele politieke tegenstanders, die in koor riepen dat het hier een ge-update versie van Mussolini/Le Pen/Haider/Dewinter betrof. Melkert sprak de legendarische woorden “Nederland wordt wakker!” en ik besloot voor deze ene keer zijn advies te volgen en stemde op de LPF.


Vervolgens braken de 87 dagen van doffe ellende met Balkenende aan. De vruchten van de politieke storm die was opgestoken, een storm die een roep om verandering inhield, werden geplukt door het CDA: de meest behoudende partij die Nederland rijk is, de partij die het meest wars is van ingrijpende hervormingen in het landsbestuur.
En nu moeten we weer naar de stembus. Veel sneller dan ik had gehoopt en gewild. Wat te doen? De LPF is voor mij geen optie meer. Uitleg lijkt in dezen overbodig.

Uit een recent onderzoek van het onderzoeksbureau Motivaction kwam naar voren dat 60% van de Nederlandse kiezers grote waarde hecht aan politieke vernieuwing en voorstander is van het referendum en van de gekozen burgemeester. Onder de aanhang van D66 en de LPF is dit percentage zelfs 80%.

Strange bedfellows, zou je denken. Waar D66 van oudsher de partij van de redelijkheid en de nuance is, de partij van ons soort mensen, is LPF platter, redelozer, wars van elke vorm van nuance. Volgens hetzelfde onderzoek zijn LPF-stemmers recalcitrante conservatieven, die waarde hechten aan directe democratie en geïnspireerd leiderschap. Aan dat laatste nu heeft het D66 na het vertrek van Van Mierlo jammerlijk ontbroken. Het is een partij met weinig ballen, een niet al te sterk ontwikkeld killersinstinct. Bovendien ook een partij die met en na de Nacht van Wiegel bewees meer te hechten aan het pluche dan aan de al 36 jaar zonder succes nagestreefde staatsrechtelijke hervormingen.

Toch zal ik 22 januari op D66 stemmen. De reden daartoe is van een ontzagwekkende saaiheid en lulligheid: omdat zij het beste programma hebben. D66 is voorstander van een gemengd districtenstelsel voor de Tweede Kamer, en voor de direct gekozen burgemeester. Bovendien onderscheidt D66 zich op twee andere cruciale punten van de concurrentie.

Elke politicus heeft de mond vol van de essentiële waarde van het onderwijs en het belang Nederland uit te laten groeien tot een kennisland. D66 keert zich tegen bezuinigingen op het hoger onderwijs en benadrukt de noodzaak iets te doen aan de 40.000 dropouts die jaarlijks het VMBO zonder diploma verlaten. Afgaande op de weinige daden die we op dit terrein van Balkenende cum suis hebben gezien, kan men niet anders dan concluderen dat het onderwijs bij centrum-rechts in slechte handen is. Dit is het eerste cruciale punt.

Het tweede cruciale punt betreft het onderwerp dat bovenaan de politieke agenda zou moeten staan, maar op miraculeuze wijze slechts onderaan diezelfde agenda bungelt: Europa. Terwijl 50% van onze wetgeving uit Brussel komt, terwijl de EU wordt uitgebreid met tien landen, terwijl een autonoom buitenlandbeleid steeds meer een illusie wordt, terwijl de euro ons dwingt tot een op onze buurlanden afgestemde economische politiek – zwijgt men tijdens de lijsttrekkersdebatten in alle talen over Europa. D66 maakt een duidelijke keuze: we moeten toe naar een federatie. En daar ben ik het volledig mee eens.


Drie vragen zijn voor Nederland op de lange termijn bepalend. Hoe richten we onze democratie in zodat de burger behalve een stem ook daadwerkelijk invloed op het beleid krijgt? Hoe zorgen we ervoor dat Nederland uitgroeit tot een kennisland met een hoogopgeleide beroepsbevolking en een technologisch hoogwaardige en dynamische economie? En, tenslotte, hoe verhouden wij ons tot het proces van Europese eenwording? Het komt mij voor dat D66 relatief de meest bevredigende antwoorden op deze vragen levert. Vandaar dat ze deze keer op mijn stem kunnen rekenen: juist nu!

Jacek Magala

About jacek magala