Kultur!

Ooit, heel lang geleden, vond ik het leuk om te tekenen. Ik had nog geen weet van kunststromingen, nog nooit gehoord van de zogenaamde maatschappelijke rol van de kunstenaar. Ik zag een boom en tekende deze op een stukje papier, liep er vervolgens mee naar mijn vader of moeder en kreeg te horen dat het ‘mooi’ was. Diep tevreden met deze lof keerde ik terug naar mijn kamertje om een volgend blad vol te kliederen.
Na verloop van tijd mocht ik naar school. Daar deelde een juf velletjes papier uit, en ik kreeg te horen dat ik een boom moest tekenen. Dat was geen probleem, die boom kon ze krijgen. Juf was blij met mijn boom. Ik was blij dat juf het mooi vond. Iedereen dus blij.
De jaren verstreken en ik tekende lustig voort. Ooms en tantes bekeken mijn werkjes tijdens verjaardagen, en ik kreeg te horen dat ik talent had. Wat dat was wist ik nog niet helemaal, maar dat het wel goed was om talent te hebben was duidelijk.
Tegen de tijd dat ik vreemde verschijnselen bij mijzelf opmerkte, zoals een overslaande stem en haargroei op eerder nog kale plekken, werd plotseling van mij verlangd dat ik zou kiezen voor een vervolgopleiding.
Ik peinsde en peinsde. Wat zou ik toch ’s moeten worden? Op mijn bureautje zag ik een doos potloden liggen, en ja: ik wilde wel tekenaar worden.
Vol goede moed vertrok ik naar een school waar je ‘lekker grafisch’ bezig kon zijn.
Daar liepen leraren rond die mij aanmoedigden. Fijne dagen volgden, lessen te over waarin je urenlang ongestoord kon tekenen.
Met mijn diploma in de hand kon ik uiteindelijk de wijde wereld in. Ik droomde van een leuk kamertje waar ik lekker kon werken. Mensen zouden naar mij toekomen en vragen of ik voor hen een boom wilde tekenen, en die boom, die zou ik voor een klein bedrag voor hen op papier zetten. Van dat geld zou ik dan nieuwe potloden kopen, en wat brood en melk natuurlijk, om fit te blijven.

Men zal begrijpen dat mijn daadwerkelijke eerste stappen in de grote wereld al snel uitliepen op struikelen en onderuitgaan.
Gevolg was dat ik tewerk werd gesteld in een lokale cultuurtempel: een galerie annex theater. En zoals men pleegt te zeggen over mensen die graag friet eten: zet ze in een snackbar aan het werk en de lust vergaat hen snel, zo mocht ik ervaren dat het rondlopen in de wereld van de schone kunsten mij elke zin in tekenen ontnam.
Ik ontdekte dat het niet ging om mooi en lelijk, of om plezier en ontroering. Het ging er blijkbaar slechts om dat je een bepaalde groep mensen zo gek kunt krijgen om zelfs voor een emmer snot te klappen en daar een subsidie voor los te peuteren. Op zich een kunst, dat wel, maar niet bepaald een schone kunst.
Ik heb uiteindelijk een jaar in de Tempel vertoefd. Mijn onschuld liep al in de eerste week ernstige averij op.
Een jongeman en een aan vetzucht lijdend meisje betraden net na het middaguur de expositieruimte. Het betrof een zojuist aan de academie afgestudeerd duo dat grote stukken karton naar binnen droeg die ze tegen de muur wilden spijkeren. Dat is wat men ‘het inrichten van een tentoonstelling’ noemt.
Het bleek al snel dat op die stukken karton kopieën van krantenfoto’s waren geplakt. Op de sterk uitvergrote foto’s waren de gezichten van politici en ander bekend volk herkenbaar; ondanks dat er flinke vegen rode en witte verf over de beeltenissen was aangebracht.
Ze liepen wat rond, kwakten hier en daar stukken karton neer en kwamen al spoedig met een wat slepende gang op de bar af waarachter ik mij beroepsmatig ophield. Met een diepe zucht bestelden ze beiden een kopje kruidenthee.
Het eerste dat mij opviel was de grote hoeveelheid hang- en sluitwerk dat het meisje door haar gezicht had laten boren. Een stuk of twintig in omvang verschillende ringen staken door haar rechter wenkbrauw.
Haar mannelijke metgezel was daarentegen een mager kereltje met een ongezonde gelaatskleur en een slecht gebit. Zijn waterige oogjes leken onder invloed van heroïne of een ander verboden middel.
Zoals gezegd was ik tot op dat moment nog redelijk onbevangen. Overtuigd van ieders recht op een plekje onder de zon. Ik dacht dus een gesprek met de twee te kunnen voeren. Ik vroeg hen geïnteresseerd wat de bedoeling was van al die bekende koppen vol witte en rode verf. Nu, dat had ik beter niet kunnen doen.
Het vrouwspersoon nam zuchtend het woord. Ze keek mij hierbij niet aan, maar roerde ondertussen de bodem uit het theeglas.
Waarom… waarom vragen mensen mij altijd wat ik bedoel met mijn werk – zucht. Het is niet het waarom en de bedoeling – zucht -, het is de intentie – lange stilte, broedende blik van haar metgezel -. Het zijn geen bekende ‘personages’, – zucht – het zijn ‘beelden’ die in mij opkomen en die ik ‘noteer’. –zucht. Het zijn de ideeën die voortkomen uit een lange zoektocht en die als het ware uit mij opstijgen. Waarom is iedereen zo oppervlakkig… -zucht.’
Daar kon ik het mee doen.
Nu zou ik één zo’n lulverhaal nog wel kunnen afdoen als toevallig incident. Maar ik wist mij omringd door een heel regiment van dit soort halve garen.
kartonMijn dagelijkse gang naar de Tempel werd met de dag zwaarder. De betonrot sloeg met elke wauwelende klodderaar die het pand betrad dieper door in de fundamenten van mijn naïveteit.
’s Avonds zocht ik troost aan mijn tekentafeltje. Toch lukte het mij niet meer. Elke streep op het papier was een vraag met een kapitaal vraagteken dat vroeg of ik ‘ook zo’n gek was’.

Maar het zijn uiteindelijk niet de kunstenmakers geweest die mij de potloden aan de wilgen hebben doen hangen. Die eer verdient het publiek dat de galerie – en in het bijzonder de tentoonstellingsopeningen – bezocht.
Regelrecht tuig dat na een orakelspeech van de kliederaar dacht met bravo-gejodel te bewijzen dat ze ontwikkelde mensen waren. Dat kunstminnende volkje dat op hun zelfgekweekte luchtbel binnendrijft om zo snel als mogelijk hun ene klauw in een bak pinda’s te planten, zodat ze de andere vrij hebben om de gratis glazen gemeenschapswijn naar binnen te gieten. Het zeldzame gekwaak dat zij door de Tempel lieten galmen maakte haat van mijn ontgoocheling. Diepe hartgrondige haat. Half krankzinnig vluchtte ik uiteindelijk weg. Al wat ik ingelijst aan muren zag hangen wilde ik met schaar en vlammenwerper te lijf. Allergische reacties sloegen door mijn lijf bij alleen al het horen van de woorden ‘kunst & cultuur’.
Jaren heb ik zo rondgelopen, totdat ik op een goede dag in Keulen een museum inliep en daar gegrepen werd door de aanblik van een eeuwenoude marmeren kop van Aphrodite. Een uur heb ik op een wankel krukje naar dat hoofdje zitten staren. Overvallen door oprechte bewondering voor dat stukje kunst heb ik uiteindelijk de knoop doorgehakt. Ik zou zelf wel bepalen wat mooi is en wat lelijk. Wat Kunst is en wat kunstenmakerij, al denk ik niet dat de esthetische opvattingen die ik sindsdien koester in aanmerking komen voor een subsidie

kunstAf en toe kom ik nog wel ’s voorbij de Tempel, of ik lees in een plaatselijk sufferdje de aankondiging van een nieuwe tentoonstelling. Ik glimlach dan slechts en mik niet veel later een prop grijs krantenpapier met een kunstig boogje in de vuilnisbak.

Gerard Mutsaers
Dieren, augustus 2003

About gerard mutsaers