Mahler

Kawaguchi-ko is een meer aan de voet van berg Fuji. Op zonnige dagen weerspiegelt dit meer een helder hemelsblauw, maar als de omringende bergen door mistige wolken omringd zijn, kan men gemakkelijk in het grijsgrauwe water de reflectie van de eigen oerangst herkennen.

Een smal tweerichtingsverkeer weggetje scheidt het Kawaguchi meer van de dunne lijn restaurants, kleine hotels en pensions die al jaren door dezelfde families gerund worden. Of, zo lijkt het tenminste.

De uitgestoken vishengels vanuit de eenmansboten op het water, maar ook die van de verspreide mannen in rubberlaarzen aan de kade, steken scherp het levende water in. Nabij, links van mij, bewondert een klein kind de kringen die het veroorzaakt door het gooien van kiezelsteentjes in het water. Een oudere dame met een kleine aangelijnde hond loopt voor mij langs en tijdens de snuffelstop van het diertje lijkt ze zich met haar gerichte blik op het kind even af te vragen waar de ouders zouden zijn.

Maar niet te lang, want de dromerige achtergrondmuziek vanuit de luidsprekers op de grote parkeerplaats, dicht bij de kade, lijkt alle activiteiten in elkaar te vlechten tot een lappendeken van de gewone, aangename dag aan het meer.

Tenminste, totdat deze luidsprekers ontwaken met het nachtmerrie-achtige trompettengeschal van de opening van Mahler’s Vijfde Symfonie. Het lijkt onwezenlijk dat de muziek die Mahler in zijn zomerverblijf aan het Oostenrijkse Woerthermeer creëerde, hier dit Japanse meer ontmoet. En hoe het past. Het is alsof de duizenden kleine golfjes als handen van water naar de muziek grijpen om deze naar beneden, de diepte in te nemen.

Exact honderd jaar geleden kondigde de geboorte van deze trompetten van de Treurmars op duivelse wijze de komende dood aan van Mahler’s vier jaar oude dochtertje aan het Woerther meer. Ik vraag me af of de geschiedenis van Kawaguchi ook een vorm van een dergelijk genadeloze zichzelf vervullende voorspelling kent. De berg Fuji, bijna op tastbare afstand rechts van mij, blijft onbewogen.

KawaguchiInstinctief kijk ik weer naar links om te zien of het kind nog bij het water staat. Maar het is verdwenen. Ik maak me wijs niet bezorgd te hoeven zijn. Het kind kan overal zijn. Toch sta ik op van het houten bankje en loop naar de plaats van waar nu ook de waterkringen zichzelf tot onzichtbaarheid hebben uitgespreid. Hoewel het kind nergens te zien is, nestelt een gerust gevoel zich in mij als ik in het onverwacht ondiepe water kijk. Kalm loop ik terug naar mijn pension. Het is frisjes geworden met de toegenomen wolken die sneller voor de late namiddagzon bewegen.

Ik word bij de genkan, ingang, door niemand begroet. In het registratieboekje zag ik gisteren dat er slechts één andere kamer was geboekt. Dat kan aan het laagseizoen liggen. Of misschien hebben andere potentiële gasten zich laten afschrikken door het vreemde, bedrukte sfeertje dat bij binnenkomst van dit familiepension direct gevoeld wordt. Tijdens de registratie gisteren zag ik door de half geopende gordijnen achter de balie een geestelijk gehandicapt jongetje van een jaar of dertien, met leren riemen vastgebonden, in een speciale stoel in de woonkamer zitten. Een oudere volwassen man, waarschijnlijk zijn vader, probeerde de aandacht van het kind op zich te vestigen. Ik kon voelen dat de vrouw achter de balie droevig beschaamd was door mijn gegluur in haar woonkamer.

Dat zal waarschijnlijk de reden zijn dat ik vandaag niet verwelkomd word. Maar onaangedaan door de afwezigheid van anderen trek ik mijn schoenen uit, stap in de plastic gastenslippers en loop in de half verlichte hal de trappen op, rechtstreeks mijn tatami kamer in.

Het grootste plezier van mijn geelachtige tatami kamer komt van het ongehinderd uitzicht op de berg Fuji, aan de andere kant van het meer. Dicht bij het raam staand, valt uit mijn ooghoeken de onafgebroken stroom van auto’s op het smalle tweerichtingsweggetje tussen het pension en de kade van het meer op.

Uit de elektrische kan schenk ik heet water in de met theebladeren gevulde theepot, en langzaam, op een vreemde manier moe, ga ik aan de kotatsu, de vloertafel met verwarming, zitten. Wachtend op het verrijken van het hete water met de lichte metaalsmaak van groene thee.

Van beneden ontmoeten geluiden van familieactiviteiten mijn kamer. Voetstappen, geschuif van een tafel, keukengerei, en onmiskenbaar de geluiden van een schreeuwende jongen. De geschreeuwde woorden lijken in slowmotion te worden geuit en ik kan nauwelijks begrijpen wat er gezegd wordt. Soms wordt er door een vrouwelijk stem, de moeder van de balie, terug geschreeuwd in een luid “da-me”, “nee”, waarna de korte stilte die daarop volgt weer wordt verbroken door het stemgeluid van de jongen die langzaam in volume toeneemt.

De thee smaakt goed. Binnen een uur zal het vuurwerk op het meer beginnen. Ondanks het mooie uitzicht wil ik dat toch buiten meemaken, ongeacht de kou. Ik vertrouw erop dat het drinken van de thee zal voorkomen dat ik in slaap val en gerust sluit ik mijn ogen. Aan de binnenkant van mijn ogen projecteer ik de afgelopen dagen. De busreis van Tokio naar het kleine Kawaguchi station. De check-in bij het pension en de geestelijk gestoorde jongen. De wandeling rond het meer en het verdwenen stenen gooiend kind. Mahler. Zijn schepping van een honderd jaar geleden die het meer Kawaguchi bereikt. De schreeuwende jongen beneden.

mahler residentieSchreeuwen. Het geschreeuw wekt me volledig en met een schichtige alertheid zoek ik de klok. Ik moet zeker een halfuur ingedut zijn. Nog tien minuten voordat het vuurwerk begint. Ik sta op en pak mijn jas bij de ingang van de kamer. Als ik de schuifdeuren achter me dicht duw vallen mijn klamme handen me op. Ik voel me eigenlijk helemaal niet lekker. Misschien aan het meer vanmiddag kou gevat.

Beneden, bij de genkan, ontwaar ik de vrouw in het schemer achter de balie. Ik stap weer in mijn schoenen en deel haar mede dat ik buiten naar het vuurwerk ga kijken. Ze knikt afwezig. Ze schijnt vermoeid, de jongen tot bedaren hebben gebracht, maar omdat dit keer de gordijnen strak gesloten zijn stap ik de buitenkou in zonder extra informatie. Het is al donker. En bewolkt.

Ik sla rechtsaf en loop een paar minuutjes langzaam door totdat er voldoende ruimte is om me tussen de rijdende auto’s door, het weggetje overstekend, naar de overkant te manoeuvreren. Ik heb wat geluk bij een mooie opening aan de oever uit te komen. Van hieruit kan ik in de verte op het meer het drijvende platform zien waarvan het vuurwerk nu elk moment aangestoken kan worden. Dicht aan het water onderdruk ik snel het kippenvel gevoel veroorzaakt door de dicht achter mij passerende auto’s.

Hoewel ik er zeker van ben de deuren van het pension achter me gesloten te hebben, zie ik die links achter me toch wijd open staan.

Een enorme flits van exploderende kleuren hoog op het midden van het meer kondigt het begin van de vuurwerkvoorstelling aan. Ik richt mijn blik op het platform in de verte op het water en zie waarvandaan elke vijf seconden zich voortdurend delende kleuren zich de hemel in uitstrekken. Soms gepaard met een zachte dreun, soms met luid geroffel.

Opeens hoor ik een vaag bekende stem achter me, schreeuwend van vreugde. Het is de geestelijk gestoorde jongen. Hij moet me gevolgd zijn. Zijn vreugdevolle ogen, vol van verwondering, ontmoeten de hemel. Ontmoeten mij. Hij applaudisseert alsof onwetend over zijn motorische beperkingen. Ik beantwoord zijn glimlach. Blij blikt hij weer de hemel in. Ik kijk achterom en zie zijn moeder bij de deuropening staan. Ze moet ons van daar kunnen zien. Maar ze verroert zich niet.

tokioDe jongen schreeuwt luider en luider. Enthousiast beweegt hij zich naar voren, lopend als een dronkaard. Dichter bij het water. Ik herinner me het verdwenen stenen gooiend kind van daarstraks en langzaamaan begin ik me ongemakkelijk te voelen. Waarom komt zijn moeder hem niet ophalen. Ik kijk weer om en zie haar nog onbewogen bij de ingang staan, turend naar het vuurwerk. Misschien weet ze niet eens dat haar zoon is ontsnapt.

Het gespring en geklap van de jongen begint extatische vormen aan te nemen. Hij toont mij een warme grijns alsof ik zijn vertrouweling, zijn kameraad ben in het vuurwerk kijken. Maar ik stop met lachen. Ik zie hem gevaarlijk dichtbij de oever komen en als ik een stap voorwaarts doe om hem vast te pakken, komt op zijn gezicht plots een immens panische uitdrukking van onbegrip. Luid schreeuwend, zoals eerder die avond in zijn woonkamer, doet hij een aantal wankele stappen achteruit.

De explosie geluiden van het vuurwerk worden overstemd door een oorverdovend geluid van remmende auto’s. Een claxon. Het dreunende geluid van een botsing. Getoeter, en weer een auto die achter op een andere auto klapt. Gierende remgeluiden. Getoeter. Trompetten. De trompetten van een treurmars.

David Garceran

About david garceran