Commissie De Meisjes

Het buitenhuis ‘Oog in Al’ liet jonker Everard Meyster bouwen in 1664. Het was zijn derde. Amersfoort had hij al verblijd met de aanleg van de landgoe-deren ‘Nimmerdor’ en ‘Doolomberg’. Ook was hij verantwoordelijk geweest voor De Kei aldaar. In Utrecht bestond in die tijd het plan om de stad in westelijke richting uit te breiden langs de pas gegraven Leidse Vaart. Om uitzicht te hebben op de aanstormende stad en wellicht ook om winst te maken door de verkoop van grond kocht hij een stuk land ‘aan de Noordzyde van de Leidse Vaart, een quartier uur gaans van Utrecht’.
Het plan is niet doorgegaan maar het buiten is gebleven. In 1918 werd het huis met omringende weilanden, in totaal zo’n twintig hectare, aangekocht door de gemeente. In de weilanden werd een tuinwijk naar het ontwerp van Berlage aangelegd en het oorspronkelijke huis werd als restaurant het middelpunt van een openbaar park. Tegenwoordig zit er een dependance van de openbare bibliotheek in. De bijbehorende theekoepel aan de Leidse Vaart biedt sinds eind vorige eeuw ook uitzicht op het Merwedekanaal en het pittoreske sluizencomplex daarin. In de oude tuinmanswoning huist tegenwoordig het gezin van een opzichter bij de plantsoenendienst. Het is nog steeds een kwartier lopen van het station naar Oog in Al, een wijk met de sfeer van een villadorp.

Als rijke mensen een beetje vreemd zijn heten ze excentriek. Dat is ook de faam van de ‘dolle jonker’ E. Meyster. Zo was zijn eigen uitbreidingsplan voor Utrecht geschreven op rijm en liet hij verschillende bizarre publicaties uitkomen. Zijn landgoederen moesten zijn ideeën verbeelden. Het mag geen wonder heten dat hij na zijn dood wilde voortleven, en niet alleen als naamgever van een laan in ‘zijn’ wijk en in de spotnaam van Amersfoort en de Amersfoorters. De jonker is aan deze kant van gene zijde dan ook gesignaleerd in zijn oude tuinmanswoning en wel in de gedaante van zijn broek. De kinderen van de Groenopzichter zagen hem het eerst:
“Mamma, er loopt een broek door de kelder.”
“Ach, ongeremde kinderfantasie” dacht ze. Maar later zag ze zelf inderdaad een losse, lege broek door de kelder lopen en al lopend verdwijnen in de muur. De heer des huizes vroeg na enig beraad de bekende paragnost Leo Pannekoek om de zaak te onderzoeken. Pannekoek kwam en, verdomd, hij voelde inderdaad enige ‘aanwezigheid’ in de kelder. Hij vroeg eens door over de broek die er was gesignaleerd. Het bleek een typisch eind zeventiende-eeuwse broek te zijn.
“En waar is die broek precies verdwenen?” Paragnost Pannekoek raadde aan wat stenen uit de keldermuur te breken en zo werd een nog onbekende, lege ruimte ontdekt, zonder broek. Ook is waargenomen dat in het torenkamertje van een oud huis aan de overkant van de Leidse Vaart soms midden in de nacht een kaars brandt. Een jonggestorven geliefde van de broek van Everard Meyster zou daar gewoond hebben.
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al. Drama’s achter de begonia’s, hartstochten gesmoord in nimmer dorre coniferen.

Ik ken een familie die er al decennia woont . Mevrouw is een geboren Utrechtse, meneer is oorspronkelijk een kaasboer uit het Groene Hart. Toen hun jongste kind, een dochter, werd geboren leefden ze op de Richard Wagnerlaan. Daar woonden ze nog toen de kleine meid zes jaar was en Hansje werd genoemd, soms Hanne. Op een nacht lag ze rustig te slapen op dezelfde kamer als haar twee broers en haar zus Jacqueline. Opeens werd ze wakker met een onbestemd gevoel. Ze zag een vrouw in de kamer staan, of beter, een vrouwelijk silhouet, gehuld in een lichtblauwe robe. Haar gezicht was niet zichtbaar. Ze zei niets. Met ingehouden adem bleef het meisje liggen kijken, wachtend tot de vrouw bewoog, of iets zei. Plots hoorde ze haar oudste broer fluisteren:”Mama, ben jij dat?” en even later: “Jacqie, ben jij het?”Maar de vrouw antwoordde niet. Ze bewoog ook niet.Na tien heel stille minuten ging ze geruisloos naar het raam, zijwaarts schrijdend. Onzichtbare armen bewogen als trage engelenvleugels soepel onder haar blauwe kleed. Zo ging ze het raam uit en is ze verdwenen, opgelost, alsof zij nooit was verschenen.
Hansje wordt inmiddels Johanna genoemd, en ook wel eens Hanne, en vraagt zich nog steeds af hoe het gezicht van de vrouw eruit zag en of ze haar misschien iets had moeten vragen, maar wat?
Oog in Al, een tuinwijk met ’s winters een zwerm spreeuwen in het park. Bij het kanaal staat een oude fabriek waar sojameel wordt gemaakt en een comité is daartegen. Er zijn scholen waar gewone kinderen gewoon naar school gaan. Maar lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al, hoor je de skeletten rammelen in de muurkasten van de klassiek gemeubileerde kamers en-suite.

De familie heeft lange tijd geleefd van de meubelhandel en woninginrichting.’ En, ja, levering van bankstellen, stoelen en kasten, gordijnen en luxaflex, behang en tapijt betekent dat je letterlijk bij de mensen over de vloer komt. Zo had de zaak een huishouden als klant dat bekend stond als De Meisjes. Niemand kent eigenlijk de achternaam van het merkwaardig samengestelde ‘gezin’. Moeder de vrouw bestierde het huishouden en ving van alle kanten geld voor haar vreemde kostgangers. Ze had één pleegzoon die elders uit huis was geplaatst: Bert, in de wandeling Bert Met Het Ei, want hij had zo’n joekel van een bult bovenop zijn hoofd. Er was ook een zwakbegaafde dochter, die had ze van zichzelf. Vanwege de oorspronkelijke gezinssamenstelling van moeder en dochter stond het huis met de bewoners bekend als De Meisjes.
Moeder De Meisjes kreeg dus voor de zoon-met-het-ei geld om hem in huis te houden en voor de dochter omdat ze die thuis hield. Voor zichzelf had ze natuurlijk ook een uitkering. En ze was uitgekookt genoeg om ook voor haar gehandicapte vriendje een maandelijkse toelage geregeld te hebben. Want die huisde daar ook nog: de Blinde Fotograaf. Nee, hij is niet altijd blind geweest, het was al een oudere man die niet meer werkte. Dat was haar scharreltje. Omdat ‘ie door zijn blindheid overal in huis as morste mocht hij alleen nog op de WC zijn sigaretje roken. Eens kreeg hij een horloge van zijn geliefde vriendin. Hij kon de tijd er niet van aflezen maar hij was zo blij als een kind en liet de hele buurt naar zijn klokkie kijken:
“Ik heb een gouden horloge van d’r gekregen. Mooi hè.”
En iedereen, behalve hij, zag dat een goedkoop blikken dingetje was. Tenslotte was er nog De Jamkoker die zo heette omdat hij werkte in een jamfabriek. De Jamkoker was van niemand familie maar ook hij wierp zijn inkomen altijd braaf in de schoot van Moeder De Meisjes. Hij was feitelijk de kostwinner in huis maar hoe die relatie nu zat met moeder of dochter, of met wie dan ook… we weten het niet. Maar iedereen leverde het geld netjes in bij Moeders, zij ging over de pot. Het huishouden werd vervolmaakt door de bokser, zo’n hond met een platgeslagen neus en een laag voorhoofd, een soort dat nogal eens kwalijk wil rieken. De bokser werd dan ook elke dag rijkelijk geparfumeerd. ’s Morgens pakte Moeders zo’n ouderwets flesje met een kwastje aan de verstuiver en besproeide z’n hele hondenlijf. Meneer pastoor werd trouwens ook vaak gesignaleerd bij De Meisjes maar het is niet zeker of ook die dan geld meenam.

Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al en voel je als vreemde de vitrages opzij schuiven, zelfs als het huis verlaten is.

Alhoewel ze de meest bijdehante van het stel was, leek mevrouw De Meisjes ze niet allemaal op een rijtje te hebben. Drie keer in de maand belde ze naar de Woninginrichting voor nieuwe spullen, vooral behang. Telkens moest er een ander behangetje komen want “Nee, ik vind het toch niet zo bij de rest kleuren.” Buiten de middenstand profiteerde vooral haar zwakbegaafde dochter van de aanwezige centen. De dochter werd behandeld als een prinses. Haar pleegzoon Bert had het echter zwaar te verduren. Hij moest alle klusjes opknappen die zijn pleegmoeder in het hoofd had en hij moest dat doen op de manier die haar aanstond.

Dus begon Bert Met Het Ei de dag met een bezoek aan bakkerij Do Schat voor een halfje wit of bruin, al naar gelang De Meisjes wensten. De bokser, een uur tegen de wind in stinkend, ging steevast mee. Stakker van een dier, en stakker van een Bert.
Hansje had rond acht uur altijd dezelfde missie en stond vaak met Bert in de rij. De kleine meid was ervan overtuigd dat de hond een zeer menselijke eigenschap bezat:
“Pas op”, zei Hansje tegen iedereen, “niet roddelen over andere mensen, hoor. De hond hoort alles en vertelt alles door.” Het meisje was zeer beducht voor de bokser.

Elke dag ging Bert ook langs de groenteman en haalde daar elke dag aardappelen en prei. Daarna kon de slager bezoek van Bert verwachten. Hij kocht daar voor kapitalen aan vlees. Daarnaast was Bert nog buiten te zien als hij het bestek moest poetsen. Met zijn rossige haar rond die nooit slinkende buil zat hij dagelijks voor de huisdeur, met de besteklade op z’n knieën en het busje zilverpoets naast zich. In alle jaargetijden die Nederland maar heeft te bieden moest Bert Met Het Ei op de stoep het zilver poetsen. En ook moest hij, weer of geen weer, buiten de was doen voor het hele huishouden. Achter, in de tuin die door schuttingen een binnenplaatsje was geworden, in een grote houten tobbe. Moeders was dan gewoon om zonder veel plichtplegingen haar directoire uit het slaapkamerraam te gooien:
“Hier, Bert, vangen.”

Het werkse leven van Bert speelde zich verder af achter de geraniums en gordijnen van huize De Meisjes. Wat hij dan zoal deed bleek bij de talloze keren dat de woninginrichters langskwamen. Ze zagen Bert altijd zitten op een stoofje in de steenkoude keuken. Aardappels schillen, dezelfde die hij ’s morgens bij de groenteman had moeten halen en die hij ’s avonds ook weer moest vermalen, drijvend in de meer dan vette jus van een heel pakje boter. Dat had hij hard nodig, vond moeder De Meisjes, voor zijn zware programma overdag. Want terwijl Bert boodschappen en klusjes deed, kwam mevrouw De Meisjes alleen buitenshuis om nieuwe meubeltjes uit te zoeken bij de Woninginrichting. Dan kon ze weer even in de buurt zijn van de knappe stoffeerder die er werkte. Ze had al die tijd een oogje op hem en misschien was dat wel de enige reden voor haar klandizie. Terwijl zij futiele pogingen deed om zijn liefde te winnen, haalden de stoffeerders weer nieuwe bestellingen voor Commissie De Meisjes binnen.

Op een kwade dag ging de Jamkoker dood. Hij stierf opeens, viel dood neer na een hartstilstand. Paniek was het gevolg. Het hele huishouden (op de hond na) raakte dusdanig in verwarring, dat ze alle vier spoorslags naar het medicijnkastje snelden en handenvol van elkaars medicijnen naar binnensloegen: de pillen voor het zwakke hart van de Jamkoker, de kalmeringsmiddelen van Moeders, die tegen epilepsie van de dochter, de oogdruppels van de Blinde Fotograaf, bloedverdunners en bloeddrukverlagers, de hele bliksemse boel slikten ze door elkaar naar binnen. Het gevolg laat zich raden: niet alleen De Jamkoker mocht de binnenkant van het ziekenhuis aanschouwen, maar de hele familie volgde hem (ze waren dan ook erg aan elkaar gehecht). Het enige verschil was dat De Jamkoker in het mortuarium belandde en de rest van de familie op de Intensive Care.

Kort na hun ontslag uit het ziekenhuis zijn ze verhuisd naar het voormalige dorp Vreeswijk. Weer later zouden zij zijn verhuisd naar Nichtevecht. Verder is niets meer van het huishouden vernomen. Wel is bekend dat de bokser inmiddels het leven gelaten heeft, eindelijk verlost van het parfum waar zijn gevoelige hondenneus gek van geworden moet zijn.

“Een vreemd stel mensen”, vindt meneer, “Maar, het was een goeie klant.”
In een punt tussen twee kanalen, tevens begrensd door de uitvalsweg naar het westen, ligt de woonwijk Oog in Al. De doorgaande weg heeft een brede middenberm met hoge bomen en een mooie beeldengroep: drie mistroostige klompen steen die lijken op Rodin’s Burgers van Calais. Ze doen aan regen denken en luisteren naar de geheimen die gefluisterd worden door de bakstenen muren van het dorp Oog in Al..

Noot:

“Parken in Utrecht”, red. Bonica Zijlstra,
historische reeks Utrecht, dl.11 (Matrijs, Utrecht,1988)
NB: Namen van bewoners zijn gefingeerd (red)

Palescue

About palescue