HENRIK HENEGOUW

Henrik hoort er muziek bij – Handenarbeid – Cocolietjes en foraminiferen – Natuurlijke historie – James Last, en over de kiem van een roeping.
“Vouw je handen, Hendrik!” gebood de priester met een zware preekstem, waar iets jachtigs in doorklonk, “dat de Here in je vare …”
“Ik heet Hen-rik, vader,” fluisterde Henrik beschroomd, “zonder déé.”
Pater Augustinus scheen het niet te horen. Hij zei het nog een keer: “Vouw je handjes, Hendrik … Je hebt er je aandacht niet bij, mijn jongen! Handjes zijn er om te vouwen, in gebed. Hendrik, hoor je wat ik zeg?”
Henrik hoorde hem.
Hij deed zijn ogen dicht.
En gehoorzaam vouwde hij zijn handjes saam.

“…

‘En die monniken dan?,’ vroeg ma toen ze weer wat gekalmeerd was en, terwijl ik mij boven in de kleine betegelde douchecel voor de nachtrust verschoonde, dat met-Jagerman-de-grotten-in plan nog eens met vader had besproken. Had ik dan nooit gehoord wat er die twee ooit zo brave monniken in de gangen overkomen was?
Ze zat op het randje van mijn bed, de handen gevouwen.
Ik schudde mijn hoofd.
Het was lang geleden al, zei ze, maar daarom nog niet minder geldig. En dat ik goed luisteren moest om de wijze les die er te leren viel vast in mijn oren te knopen.
Luisteren …

Die verhalen … ze waren te dol voor woorden. Nu ja! Nu hoor ik er muziek bij: … een handjevol viool dat jachtig hakkelhijgend hoog toe naar een galmende leegte strijkt … begeleid door het geluid van voetstappen die als panisch maar met hier en daar een opmaat uitgekiend wegklikken over het hout van een studiovloer waar kundige doch onderbetaalde decoristen een donker woud oprichtten; en als ik mijn ogen dicht zie ik geen bruingekapte monniken in een paardenkar die in beschaamd (of is het beschamend?) godsvertrouwen eeuwig door de gangen trekken, maar een flard van mist uit de fles, een volle kunstmaan en spots van hoog vermogen om het dreigdonker van de na-avond in scherpe schaduwen mee te tekenen en uit te lichten; dan in close-up, snel, wijdgesperde vrouwenogen die wanhopig blikken naar of waar er nog een uitweg is; onder blonde warrig permanent gecoiffeerde lokken een ranke nek die keer op keer weer zó ver naar het achter keert, dat je het kraken van de wervels hoort; vervolgens een finale struikel, met in een flits ladders die in nylons klimmen, het duurdunne weefsel van een rok dat scheurt, bladgeritsel en takgerakkel met spinrag en nachtrijp … ha ja, nu hoor ik de muziek bij die verhalen!
Maar toen, in hun eerdere dagen, toen bangden ze me.
Ze broedden in mijn kop. ’s Nachts schoot ik er zweetbadend wakker van, als ik weer eens droomde over klepperende knekelmonniken die op hun schouders vleermuizen met gloeirode ogen droegen, als katten zo groot. Met eeuwig brandend fakkelvuur kietelden ze diep in de mergelgalerijen verdwaalde kindertjes onder hun voetzolen, om ze dan met hun heksennagels door de trommelvliezen te prikken dat ze het eigen gejank en geschreeuw niet meer konden horen. Dat leek me het ergste, dat je je eigen niet meer zou kunnen horen … Ik huiverde bij die gedachte en moest er ook heel erg van huilen. Onder de dekens, met lange gieren, dat het goed tot me door drong …
Het was allemaal olie op ’t vuur.

Een week later op school, na zijn catechismusles in onze klas, sprak ik pater Augustinus er over aan. Dat nee, de ouders d’r niks van hebben moesten, dat we met hem de grotten in zouden. ‘Ik mag niet, pater!’ zei ik, ‘en de anderen ook niet.’ En ik verhaalde wat moeder verteld had over vleermuisdemonen en monniken die met hun paard en een kar vol verse champignons een verkeerde afslag namen, en eeuwen al daar onder door de Pietersberg doolden, van God verlaten en verknekeld. Dat ze er nu probeerden hun zielen aan de duivel te verkwanselen in ruil voor een uitweg, want dat het zo nog erger was dan in de hel; en dat de Mefistel natuurlijk wel zou willen, maar er niet bij kon, vanwege dat het ordekruis nog op hun borsten bengelde.
‘Met hun vingers brandden ze zijn tekens in het mergel, pater, mijn moeder heeft het zelf gezien!’
Ik zag hoe de ogen van Augustinus lichtjes twinkelden.
‘Zo …,’ zei hij.
En nog een keer: ‘Zo!’
Hij knielde, zodat zijn hoofd ter hoogte van het mijne kwam. Zijn mond trok wat schuin, als van een lachje dat hij inhield.
‘Zo!’ zei hij weer. En hij legde zijn handen rond mijn heupen.
Hij rook wat zurig, naar zweet en tabak.
‘Zeg eens, jongen… Hoe heette jij ook weer?’
‘Henrik, vader,’ antwoordde ik, een beetje beschroomd. ‘Henrik Henegouw …’
‘Hendrik …’ herhaalde pater Augustinus zachtjes, bedachtzaam.
‘En hoe oud ben je precies? Tien? Misschien al elf?’
‘Ik ben al tien, vader.’
Hij kneep secondenlang zijn ogen dicht.
‘Dus jij zou wél wat graag met Wout in het diepe willen, is het niet? Maar je moeder, die vertrouwt het daar niet?’
Ik knikte.
‘Het is de Heer die je vertrouwen vraagt, jongen!’ zei Augustinus, en keek me daar streng bij in de ogen. ‘Maar we twijfelen allemaal. Ik begrijp dat wel … Misschien dat ik een keertje met je ouders praten moet?’
Ik sloeg mijn blik naar mijn schoenen neer en knikte weifelend.
‘En waarom kom je alvast niet op de woensdagmiddag naar de hobbyclub, hè? Lijkt je dat wat? Neem je vriendjes mee! We maken er de mooiste dingen, vooral veel van hout. Zagen, boren, lijmen, schroeven, timmeren … Handenarbeid! In de geest van Jozef! En omdat het bijna kerstmis is, staat er voor de komende weken een heuse kerststal op het programma! Met kribbe, dieren, koningen en al!’
Pater Augustinus legde een hand onder mijn kin en duwde mijn hoofd omhoog, dat hij mij weer in de ogen kon kijken.
‘En dat van die enge dingen in de gangen,’ zei hij zacht, ‘dat zijn bakerpraatjes, Hendrik …’
‘Ik heet Hen-rik, vader,’ fluisterde ik, ‘zonder déé.’
Pater Augustinus scheen het niet te horen.
‘Het duivelse donker van de gangen achter en onder de grotten, dat is het donker in de holten van ’s mensens hoofd. Die zijn het wat ze vrezen: de krochten en kronkels van hun eigen geest, jongen. In de Heer zie ík die onbevangen onder ogen. Het is allemaal een kwestie van vertrouwen. Enkel maar vertrouwen …” mompelde hij.
Hij legde zijn grote handen op mijn schouders en boog even zijn hoofd. Toen gaf hij mij een kneepje in de wang, richtte zich weer op en met een tikje op mijn billen stuurde pater Augustinus me de klas uit.
‘Allee,’ zei hij, ‘tot woensdag in de kelder dan! En zeg maar aan je ouders dat ik heel binnenkort eens langs zal komen. Om kennis te maken en er over te praten!’

Hij hield woord.

Die zaterdag na afloop van de avondmis stond hij bij ons op de stoep.
‘Hemel,’ hoorde ik moeder vanuit de keuken, “daar is-t-ie! En ik ben nog aan de afwas …’
Op zijn bellen deed ik open.
‘Kijk eens, Hendrik,’ zei pater Augustinus, met om zijn lippen weer dat scheve lachje. ‘Zie je jongen, daar ben ik al … Het komt wel gelegen?’
Hij was, als altijd, gekleed in zijn habijt, omgord met een wit koord met drie knopen. In zijn hand had hij een fles Franse cognac en onder zijn arm klemde hij een witte schoenendoos.
Ik trad opzij.
Pater Augustinus stapte het gangetje in.
Moeder kwam hem tegemoet.
‘Pater … Augustus … is het niet? Ja, we hebben U natuurlijk in de kerk al gezien. En Henrik, die heeft ons al heel wat over U verteld! Een hobbyclub, hè? En een mergelman ook!’ Ze meesmuilde. ‘Wat vriendelijk dat U nou eens langskomt! … Maar ik had er niet op gerekend, het komt wel een béétje onverwachts, hoor …!
‘Augustinus is het,’ zei hij, en glimlachtte.
Moeder stak Wout een slap handje toe en nam hem op, van top tot teen.
‘Komt U toch door,’ zei ze.
Ze veegde haar handen af aan haar schort.
In de zitkamer had vader in de gauwigheid zijn krant weggevouwen en de radio uitgezet. Hij legde zijn brandende pijp in de asbak en stond op uit zijn fauteuil.
‘Aangenaam. Henegouw,’ zei hij. Wout zette de fles cognac en zijn doos op de salontafel en schudde vaders hand. ‘Pater Augustinus,’ zei hij. ‘Maar dat is mijn kloosternaam, natuurlijk. Geboren ben ik Jagerman. Wout Jagerman. Zegt U vooral toch Wout, dat praat gemakkelijker.’

Terwijl vader drie glaasjes uit het buffet haalde en er cognac inschonk zocht moeder een plaatje uit met muziek die daar bij passen zou. Ze koos voor het Don Kozakkenkoor.
Wout wierp een blik op de piano die opzij naast moeders stoel tegen de muur stond. ‘Muziek!’ zei hij. ‘Dat is een zegen! Overal, natuurlijk, maar vooral toch in huis en in de kerk!’
Hij nam een glaasje van de tafel.
Vader en moeder volgden zijn voorbeeld.
‘Proost!’ zei pater Augustinus. ‘Op Uw gezondheid!’

Zo werd het die avond best gezellig.
‘Wat een prater is die pater!’ zei moeder de volgende dag. ‘Die windt je zo om zijn vingertje … en toch … ik weet het niet, hoor …’ Ze schudde haar hoofd en leek bezorgd. Maar vader lachtte. ‘Och, mens … hou toch eens op … Die man heeft heus het beste voor …’

In het begin mocht ik er nog bij zijn.
‘U weet niet half hoe of U het hier in deze streek getroffen heeft,’ begon Wout. ‘Miljoenen jaren geleden, U weet dat natuurlijk wel, toen onze Heer het Al maar net geschapen had en de zondeval nog iets voor de toekomst was, toen was het hier allemaal zee. En uit het – goddelijke! – leven van toen dat hier – hier! – bezonk, uit het bezinksel van ontelbaar vele coccolietjes en de skeletjes van foraminiferen, ontstond dit mergelland. Ik bedoel: die zee is er nog steeds! We leven hier als het ware in het oer van toen en het nu van heden tegelijk. Vroeger en later, in één band goddelijk versmeden. Zo zie ik dat.’
Hij nam een slok van zijn cognac en stak een cigaret op. Vader knikte peinzend en trok aan zijn pijp. Moeder wendde even haar hoofd af om een blijkbaar hinderlijk sliertje snot uit haar neusgat te pulken.
‘Er doen veel verhalen de ronde,’ ging Wout verder, ‘over wat er in de grotten en gangen aan ongeluk en streken van het Kwade woekert.’ Hij keek daarbij mijn moeder aan, die haar snottertje onopvallend tussen duim en wijsvinger droog draaide en het vervolgens als achteloos achter de piano schoot. ‘Bezinksel,’ schoot het door mijn hoofd, ‘toen maar ook nu!’
‘We moeten daar allemaal niet te veel geloof aan hechten! Neemt dat met een korreltje zout! Het zijn de schaduwen van vele, vele eeuwen, dat is onvermijdelijk als er ergens als hier zo grandioos tijdperken worden omvat; maar het zijn schaduwen, geloof me. Die bijten niet! En de Heer is onze herder, toch? Psalm 23: “Zelfs nu ik dwaal door het dal van de schaduwen des Doods vrees ik het Kwade niet!” … Dat is mijn eigen vertaling …’
Hij lachtte.
‘Nee, wat telt is niet die donkere kant. Die heeft elke medaille. Daar moeten we niet te zwaar aan tillen. Kijk maar eens áchter zo’n piano, bedoel ik …’ Wout zwaaide enthousiast met zijn armen en ik zag dat moeder verkleurde. Maar vader, die grinnikte.
‘Het gaat om het stichtelijke,’ vervolgde hij, nu weer ernstig, maar nog altijd met dat scheve trekje om zijn lippen. ‘De leerschool die hier haar poorten zo wijd voor ons open zet, en ons naar binnen noodt … U, mij … maar vooral ook de jeugd! Want daar beneden in die gangen, daar voel je dingen die we ons hier boven niet eens voor kunnen stellen. Zo dicht je daar onder tot het Hogere reikt … het is een mysterie …’
Hij schoof de schoenendoos naar het randje van de salontafel en haalde er de deksel af. Terwijl vader nog een keer rondging met de cognac, tilde Wout drie blanke halve bolletjes van steen uit de doos en stalde die uit op het blad van de tafel. Eén haast zo groot als een joods keppeltje, een tweede klein als een door midden gesneden appel, en een derde daar weer tussenin. Vanaf de pool van elk van de halve bollen waaierden stervormig de kerven van vijf fijngestreepte lintjes naar beneden uit. De ruimte tussen de linten was opgevuld met een mozaïek van schubvormige vlakjes.
‘Oh!’, riep ik. ‘Ouwe schildpadden, hè Wout?’
‘Niet slecht, Hendrik,’ lachtte hij. ‘Het lijkt erop, ja. Maar toch niet helemaal.’
Vader wist het beter.
‘Fossielen!’ zei hij.
‘Zo is het!’ antwoordde Wout. ‘Hemipneustes, om precies te zijn. Het mergel zit er vol mee. Natuurlijk. Want die beestjes zwommen in het begin der tijden hier in de zee. En in zekere zin doen ze dat nu nog steeds. Zeeëgels zijn het. Ze hebben wel wat van de zeeklit, waarvan je de skeletjes vaak op het strand ziet liggen. Maar in het zuiden kent U dat natuurlijk niet. Daar moet je als Wout Jagerman een Noorderling voor zijn! Maar ik bedoel maar … alle Natuurlijke Historie die hier zomaar voor het oprapen ligt; een Natuurlijke Historie die tevens een zo Goddelijke is … want deze egeltjes …’ – hij tikte met een nagel één voor één op alle drie de bolletjes – ‘dat waren paradijselijke wezentjes … die hebben, bij wijze van spreken, nog de Gabriël gezien toen die lichtend over de Wateren zweefde …’
Het was een tijdje stil in de kamer.
De plaat van het Don Kozakkenkoor was afgelopen.
Wout schoof de drie fossielen over het tafelblad naar de kant van moeder toe.
‘Ze zijn voor U, mevrouw Henegouw. Een presentje. Voor op de schoorsteen …’
‘Oh, pater! Dat meent U … nee, Dat kan – dat mág – ik toch niet accepteren, hoor!’
Pater Augustinus lachtte.
‘Best wel, mevrouwtje! Wout is een verzamelaar. Ik heb er genoeg, maakt U zich maar niet ongerust. Onder ons gezegd: zelf gebruik ik ze als presse papier, dat mijn zondagse preken niet van de werktafel waaien als de huishoudster in de pastorie de ramen openzet …’
Moeder was er maar wat verguld mee. Ze stond op, schoof twee vaasjes aan de kant, pakte de fossieltjes en zette ze te pronken op de schoorsteenmantel. Terwijl ze nog een beetje hier en nog een beetje daar aan de versteende beestjes draaide om ze in het schemerlampenlicht zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen, gaf vader mij met een vastberaden knik van zijn hoofd het teken dat het onderhand voor mij de hoogste tijd geworden was.
Ik stond op en stak Jagerman een hand toe.
‘Dag pater Wout,’ zei ik. ‘Bedankt dat U gekomen bent. Ik moet nu naar mijn bed toe, zegt vader. Is er woensdag weer hobbyclub?’
Wout legde één hand op mijn schouder, keek met zijn blauwe ogen diep in de mijne en kneep met zijn andere hand hard in de mijne.
‘Elke woensdag, Hendrik,’ zei hij. ‘Dat er van de Kerstmis in onze pastorie van kinderhand een kerststal staat!’ En zich tot mijn vader wendend: ‘Het wordt een presentje voor de pastoor.’ Hij keek er bedenkelijk bij. ‘Ik ben bang dat de goeie man het niet lang meer maken zal. Het hart, hè?’
Vader knikte, en woof mij met zijn hand de kamer uit.
Ik gaf vader en moeder snel een zoen, en ging de trap op, naar boven.

In pyjama, de tanden gepoetst en met mijn gezicht en handen zeepgewassen, lag ik even later in bed. Maar heel snel kon ik de slaap niet vatten. Ik dacht aan de grotten en de gangen. En of ik, na Jagermans pleidooi, nu wél mee zou mogen? Zouden we er dan samen ook fossielen vinden? En zouden dat werkelijk vroeger engelziende wezentjes geweest zijn? Hij had het gezegd, pater Augustinus. Maar die vleermuizen dan? Daar had ik hem niet over gehoord; en als ze het al niet waren, iets wat in uiterlijk dichter bij de duivel kwam kon ik zo snel toch niet bedenken. Bovendien, in die dingen stak een gevaarlijke hoop leven, daar kon zo’n dooie stenen egel, hoe angeliek die misschien ook wezen mocht, niet tegenop. Nee, helemaal vertrouwd was ik er toch niet op. Maar mijn nieuwsgierigheid was te groot. Ik wist dat ik het mét Wout en wat vriendjes aan zou durven.
Toen ik al woelend uiteindelijk tot die conclusie gekomen was, voelde ik dat ik nog moest plassen. Ik gleed uit mijn bed, deed mijn sloffen aan en ging zachtjes de trap weer af, op weg naar het toilet.

In de gang beneden klonk van achter de deur in de zitkamer het gerinkel van de fles en de glazen. Ook had moeder weer muziek opgezet. Iets van James Last dit keer, zodat de stemming nog gestegen leek. Ik hoorde de zware stem van Wout Jagerman, die zei: ‘Werkelijk, meneer Henegouw. In Uw jongen, daar zit iets bijzonders. Het zou mij verbazen, en U moet dat geloven, het zou mij verbazen als daar niet nu al de kiem van een roeping lag! Ik herken dat natuurlijk. Zoals ik zo veel van mijn jongere zelf in Uw Hendrik herken …’
‘Het is Hen-rik, Wout,’ zei vader, ‘zonder déé.’
‘Zo’n roeping is een strijd. Een zegen, maar ook een kruis,’ vervolgde pater Augustinus. ‘Als jongen, en later ook als man, heb je het daar vaak moeilijk mee. En Hendrik, die stelt vragen. Nu al. Dat is zijn recht. Als opvoeders moeten wij dat in banen leiden. Niks haasten, natuurlijk; maar ook zeker niet smoren. Wel dat zaakje snel en beslist in Gods handen leggen …’

Dat Wout Jagerman mij bijzonder vond, dat streelde me, hoewel ik verder absoluut niet begreep waar hij en vader het daar achter die deur bij hun zoveelste cognacje en de swingende trompetten van James Last en zijn Orkest over hadden. Maar nog in de week vóór Kerstmis diende ik aan de zijde van pater Augustinus mijn eerste avondmis. Als misdienaar.

– wordt vervolgd –

J. K. Harsman

[ Great Jewish Music: Burt Baccharach (John Zorn/Tzadik); Raudio #02 – “Mucilage Schubert angst” (http://raudio.park.nl); Caravan – “Nine Feet Underground”; DJ Dangermouse – “The Grey Album”; Sound Injury; John Coltrane – “A Love Supreme” ]

About j.k. harsman