HENRIK HENEGOUW

‘Hidenrk, vuow je hejdnas!’ – Duvelsgekakkel – Over continu en discontinu – Communicatie – Aai ongedekt gods zin – Derrida heeft een mobieltje – Geen dada maar data – Bas uw bidfiks, tandeloze moslim! – De eerste boodschap ontcijferd
“Vuow je hednan, Hidenrk!” gebood de priester met een zware preekstem, waar iets jachtigs in doorklonk, “dat de Hree in je vrae …”
“Ik heet Hen-rik, vader,” fluisterde Henrik beschroomd, “zonder déé.”
Pater Augustinus scheen het niet te horen. Hij zei het nog een keer: “Vuow je hejdnas, Hidenrk … Je hbet er je acahandt neit bij, jegnon! Hejdnas zjin er om te veuwon, in gbeed. Hidenrk, hoor je wat ik zeg?”
Henrik hoorde hem.
Hij deed zijn ogen dicht.
En gehoorzaam vouwde hij zijn handjes saam.

. . .

Virginie keek op van het vuistdikke manuscript waar ze al die tijd aandachtig in had zitten lezen. Henrik Henegouw had zijn handen achter zijn hoofd gevouwen en zijn ogen gesloten. Het leek alsof hij sliep.
Ze gaf hem een tik op zijn knie.
Henrik huiverde.
Toen deed hij voorzichtig zijn ogen open.
“Weer die droom,” zuchtte hij. “Of is het memorie? – … – Ik sta op het perron van een in de vroegte verlaten metro station en luister naar het adembenemende bijna-stille van die plek in de eerste ochtenduren. Het zoemen van de verlichting, het gedempte ronken van de afzuigleiding; en soms van ver weg een electrieke ratel die als het doofpunt van een zweepslag wegtrilt over de rails. Mijn hartslag, mijn bloedbaan, mijn speeksel, mijn adem … Het geruis en gekrèk van mijn jas als ik een hand uit een zak trek om even door mijn haren te strijken … En dan, als ik omkijk, dan staan daar ineens die twee ordezakers te grijnzen …”
“Hushie, hushie, shhuuuttt!” deed Virginie met een vingertje tegen haar rode lippen. Ze pakte Henriks hand en gaf hem een kneepje. “Rustig nou, beertje,” zei ze. “Ik weet het. Ik heb het allemaal gelezen. Daarom dat ik je wakker maak.” Henrik had zin om haar hard terug te knijpen, maar hij deed het niet. Hij keek om zich heen. Virginie nam het bovenste van de stapel A4-tjes van het manuscript en wees naar de openingszinnen.
“Hier,” zei ze. “Dat is al de derde keer dat dat ‘handjesvouwengebod’ van pater Augustinus beschreven wordt. De eerste herhaling was letterlijk. Maar hier zijn zijn woorden verklutst. Weet je dat ik het eerst niet eens in de gaten had? Ik las er bijna overheen. Tot ik viel over wat ik dacht dat een tikfout was … en pas daarna zag ik dat in al zijn woorden de letters door mekaar liggen, op de eerste en de laatste na. . .”
Henrik keek bedenkelijk. Maar al snel klaarde zijn blik weer op.
“Oh natuurlijk,” zei hij. “Nee, dat is logisch. Want in wat er nu volgen gaat, komt het er op aan. We hebben het er al eerder over gehad, toch?”
Virginie haalde vragend haar schouders op.
“Over wat gehad? Wat bedoel je?”
“Duvelsgekakkel!” riep Henrik.
Hij stond op en vouwde zijn handen op zijn rug. Het was stil in Virginie’s appartement, op het gonzen van de koeling in de laptop op de glazen tafel na. “Luister,” zei hij. “Je moet je concentreren. Eerst je hoofd even blank maken. Dan concentreren…”
Virginie deed haar ogen dicht.
Ze knikte.
Zij was er klaar voor …
“Draai het maar eens om …,” vervolgde Henrik.
Virginie stak een vinger op, ten teken dat ze het begrepen had …
“Ai! … Ondermaatse harem! …” antwoordde ze, en ze lachtte.
“En het kan nog veel erger: gevoelens over verf …”
Virginie dacht weer even na.
“Nee! … Kogelvanger rent vergeefs voor leven, hè?”
Henrik knikte.
“Precies,” zei hij. “Maar nu ga je gelijk al véél dieper. Meteen tot op de bodem, zeg maar. Fantastisch dat je dat kunt, trouwens, Virginie! Ik wist het! Je hebt aanleg. Aan jou heb ik wat!” Hij glunderde. “Maar,” vervolgde hij, “dat is natuurlijk al het niveau waarop boodschappers berichten. Duvelsgekakkel is veel oppervlakkerig… en daardoor misschien wel zo verraderlijk… Kijk …” Hij griste een blanco vel van het stapelje printerpapier dat op de glazen tafel bij de computer lag en liep er mee terug naar de zithoek. Hij ging naast Virginie op de canapé zitten en haalde een dungepunt zwart stiftje uit de borstzak van zijn overhemd. “Een tekst is als een fijnmazig net dat je over een deel van je interne representatie van de werkelijkheid legt. En die interne representatie verhoudt zich tot de werkelijkheid eveneens als een net, veel fijnmaziger dan willekeurig welke tekst, uiteraard. Niettemin is ook die representatie weer zo’n structuur, samenhangend, maar altijd met kleine en grotere gaten. Onze representaties zijn noodzakelijk discreet, en kunnen daarom nooit alle, tot in het infinitesimale kleine, verschillen dekken. Als je praat of schrijft, dan pak je de woorden die deel van dat net van jou vormen als het ware bij de puntjes beet. Samen vormen die woorden een deelnet. Je geeft dat deelnet een slinger, en als ik dan luister of lees, valt jouw stukje net – een blauwdruk van jouw representatie – op mijn representatie. Meestal is de resulterende dekking redelijk (het woord zegt het al); zeker als we allebei dezelfde, onze moerstaal, gebruiken.”
Hij trok een handjevol kruisende lijnen over het vel papier.
“Je kunt het topologisch bekijken,” zei hij. “De slinger is een afbeelding, en normaal gesproken is die afbeelding continue: alle verbindingen tussen de punten blijven behouden. Omdat we allemaal verschillen, is die afbeelding nooit een identiteit. Je rekt het aan alle kanten altijd wat uit, of je krimpt het in; wringt hier wat, buigt daar wat, en … toch … in essentie, waar het de punten en hun relaties betreft, zijn er geen wezenlijke verschillen. Maar als je met een duvelskakkelaar van doen hebt, dan lukt dat niet. Omdat diens beeld van de wereld essentieel van dat van jou verschilt kan er enkel ‘dekking’ van de kruispunten – communicatie! – geforceerd worden … door de lijnen te verbreken.”
Driftig kraste Henrik op verschillende plekken de lijntjes op zijn blaadje door. Vervolgens verfrommelde hij het vel, en gooide de prop met een grote boog richting keuken.
“Begrijp je me?” vroeg hij.
Virginie knikte. Aarzelend, maar wel instemmend. “Nou ja … in grote lijnen,” zei ze, en ze schoot bij het horen van haar eigen woorden in de lach. Henrik keek verstoord. “Wat giechel je nou toch steeds …?” Ze legde een hand op zijn arm. “Sorry. Ik bedoel het niet zo … Vertel nou verder.”
“Nou ja, niks eigenlijk. Pater Augustinus, dat was een duvelskakkelaar. Maar daar kwam ik natuurlijk later pas achter. Toen het al te laat was…”
Virginie stond op. Ze stapte in haar schoenen, streek haar jurk recht en keek om zich heen, alsof ze net wakker werd.
“Over tijd gesproken … of ging het daar niet over … ?” zei ze. “Hoe laat is het eigenlijk? Hoe lang zitten we hier al? Of zitten we er wéér …?”
Ze wachtte zijn antwoord niet af en liep door de schuifdeur in de wand de keuken in. Een paar minuten later kwam ze terug, met een open fles wijn, twee glazen en een schaal nootjes. Ze zette dat allemaal op tafel, schonk de glazen vol, pakte er daar één van en nam voorzichtig, met getuite lippen, een slok. “Hmm,” zei Virginie. Met twee vingers om de hals tilde ze de wijnfles even schuin omhoog en keek daarbij goedkeurend naar het etiket. “Moet je proeven, Henrik. Merlot! Niet duur, wel lekker!” Ze zette de fles terug op de tafel, naast de computer, en begon behendig op het toetsenbord te tikken. Na een paar seconden golfden de diepe en lang traag-gerekte klanken van een symfonie orkest uit de vier hoeken van de ruimte.
“Niet te hard, hoor!,” waarschuwde Henrik. Hij zat op zijn knieën op het bed bij de raamwand en keek naar buiten. “Wat voor dag is het vandaag?” vroeg hij. “Kijk! Er knalt vuurwerk boven de stad!”
“Ik weet het niet.” Virginie haalde haar schouders op. “Er knalt altijd wel ergens vuurwerk. Of anders vuurt er wel iemand knalwerk.” Ze lachte weer. “Dat gaat maar door, weet je … met of zonder ons …”
Henrik schuifelde op zijn knie‘n naar haar toe en sloeg zijn benen over het randje van het bed. Hij stond op en rekte zich uit.
“Hier, beertje. Proef nou eens …” zei Virginie.
Ze gaf hem een glas wijn.
“Maar om op dat duvelsgekakkel van die Augustinus terug te komen … ik vind het wel erg dada, hoor … jij niet dan?”
Henrik nipte aan de Merlot en schudde zijn hoofd.
“Ah, ha,” lachte hij. “Nee. Bijna, maar niet helemaal … ik bedoel … helemaal niet!”
“Nou zeg! Denk eens aan Burroughs dan! Die man heeft toch een leven lang teksten door mekaar gehutseld? Op zoek naar de onder-, voor-, boven-, achter- en zijkanten van hun betekenis? Naar toekomst, verleden, stemmen van ginder … wat al niet …?”
“Oh zeker!” knikte Henrik. “Absoluut. Dat vorige eeuwse dada – al of niet Burroughs incluis – is ook héél belangrijk, daar heb je gelijk in. En vanzelfsprekend ook voor mij een bron van inspiratie. Gewéést. Maar we zijn nu toch véél verder, Virginie! Techniek, lief! Techniek! … Die was in de tijd van dada nog zó primitief … We hebben het over teksten, hè? Nou, neem Burroughs. Die had mes, schaar en lijm, kon in papier snijden, knippen en op papier weer plakken. Maar het woord, dat bleef zijn atoom. De kleinste ondeelbare eenheid. En dus …”
Virginie trok het steeltje van haar wijnglas aan de voet tussen ring- en middelvinger door en begon het op de palm van haar hand al sneller en sneller te walsen. Ze keek omlaag, in de trechter van een dieprood kolkje, dat razendsnel naar het hechtpunt van de steel toe wervelde.
“… Herordende hij lijntjes, maar verbrak ze niet … ,” zei ze.
“Heel goed!” bromde Henrik. “Netjes knippen op de kruising, opnieuw knopen, lekker verwarren, verfrommelen … Maar wat je krijgt zijn inkijkjes in varianten op dezélfde beperkte representatie. En het is maar bij hele, hele hoge uitzondering dat je op een andere, een parallelle wereld stuit. Een wereld vol en volledig als die van jou en die van mij, maar daar nergens mee verbonden. Of bijna nergens … Met het dada is zo gek nog niet werd me al zoiets aangekondigd … maar ik heb er toch nog heel lang naar moeten zoeken, Virginie! Want ik begréép het niet! Ik zag het eenvoudigweg niet … Tot ik voor de eerste keer een boodschapper ontmoette … en we later, samen, op de stoep bij de moskee, op die zwijgsters stuitten …” Henrik sloeg een arm om Virginie’s schouders en trok haar zachtjes tegen zich aan.
“Aai ongedekt gods zin!” sprak hij langzaam articulerend in haar oorgang, en hij stopte er ter afsluiting en onderstreping het tipje van zijn tong bij in.
Het proefde zout …
Virginie sloot haar ogen.
Een tijdlang stonden ze schouder aan schouder. Toen liet hij haar weer los. Hij zette zijn glas neer en begon heen en weer te lopen.
“Ja, Joyce! Finnegan’s Wake, hè? Maar dat was een incident. Let wel: een monument … De Wake: dat is én tekst én muziek evenzeer! Ongelofelijk! … Maar een incident … Tot Derridada …” vervolgde hij. “Die was natuurlijk verder. Die ging, op zijn eigen manier, al heel wat dieper …”
Henrik liep naar de tafel in het midden van de kamer, en keek op het scherm van de laptop. “Je hebt mail,” zei hij. Hij pakte een vel van de stapel papier, vouwde het in tweeën, toen in vieren. Vervolgens scheurde hij zijn vouwsel middendoor, en liet de stukken uit zijn handen op het tafelblad vallen.
“Een tijd geleden kwam ik regelmatig in de Hele Grote Bibliotheek,” vertelde hij. “Niet om een boek te lezen of te lenen. Maar om met aandacht de treden van al die trappen, één voor één, op en weer af te lopen, en hóóg te kijken, naar het glas rondom. Hopend op een prikkel. Iets nieuws, iets fris. Iets waar ik daarvóór niet op bedacht was … dérive … Om het even … Toen ik op een middag daar door één van de vele weidse en overwegend lege hallen liep, kwam er plotseling van de andere kant een jong meisje aangerend. Op naaldhakjes, die presto over de spiegelgladde vloer klikten. Om haar schouder hing een leren aktetas, en in haar armen droeg ze een stapeltje papier. Haar witte plooien rokje ritselde net zo presto, maar in tegenmaat, met het klikken van haar hakjes mee. Ik stopte, om dat schouwspel goed in me op te kunnen nemen. Ik zag haar iets mompelen, en hoe ze haar hoofd schudde. Toen ze merkte dat ik daar wat verbaasd naar haar stond te kijken, lachte ze breeduit. Ze droeg een beugel die blinkerde in een brede baan zonlicht die juist op dat moment door één van de ramen in de hal op haar gezichtje viel. In het voorbijgaan keek ze me even aan. ‘God bewaar ons!’ zei ze slisserig. ‘We zijn verdoemd! … Derrida heeft een mobieltje! …’ Toen pas zag ik verderop de schrijver staan. Met één schouder nonchalant tegen een wandje geleund, de benen gekruist, en aan zijn oor een mobiele telefoon, waarin hij ononderbroken praatte, de ogen halfgesloten naar de vloer gericht, en af en toe een vloeiend handgebaar … Maar die man is nu óók dood. Daar helpt zijn mobieltje niks aan …”
Terwijl de pauken van het orkest van bijna stil naar wrede donder roffelden, minutenlang, sloeg Henrik zijn handen voor de ogen … en hij luisterde … Onder de nagalm van het bonken van de kuiptrommen keek hij weer op.
“Opsnij techniek gebruiken …” zei hij.
Virginie knikte.
“Krijgsknechten opinie beu …!”
“Ha!” riep Henrik Henegouw. “Zo is het maar net! Geen dada maar data! … De tekst als anagram, dat is de eerste stap. Die brengt ons naar de nulgraad, het niveau van boodschappers! Als je nóg dieper gaat – en uiteindelijk is dat natuurlijk onvermijdelijk – dan ga je ondergronds. Dieper dan de bodem … Zie je waarom dus die metro, Virginie? Zie je hoe – hier, nu! – ineens zoveel op zijn plekje valt, lief?”
Hij legde zijn handen op Virginie’s schouders, en keek haar diep in de ogen.
“Informatie …” zei Henrik Henegouw. “Wat hebben alle werelden met elkaar gemeen? Wat maakt een wereld een wereld, leerbaar en beschrijfbaar? Informatie! … Data! … Een gigantische collectie, door geen mensengeest te bevatten, maar toch eindig en begrensd … En in die data ligt alles besloten: alle verleden dat mogelijk is, ons beider heden, en de lijnen naar al wat er in de toekomst voor ons – samen of alleen – nog komen kan … Een stap in de tijd is niet meer – en niet minder – dan een herschikken van die data. En elke mogelijke herschikking is in die van het heden al aanwezig. Dada ja! Maar met data … ”
Hij haalde een versleten opschrijfboekje achter uit de kontzak van zijn broek te voorschijn en begon er onrustig in te bladeren.
“Hier … Herinner je je dat moment van omslag nog in Nederland, waarna het er daar al maar meer van kwaad naar erger ging? Toen een jonge Mohammed op straat in de hoofdstad doodgemoedereerd op een vroege ochtend een filmer afslachtte als een varken, omdat de man een rolprentje gedraaid had waarvan de primaire boodschap niet met zijn lezing van de teksten strookte? Ik heb later nog wat krantenkoppen van voor en rond die tijd verzameld. Kijk …”
Midden op een bladzij plakte een al vergeeld stukje krantenknipsel.
Er stond in vette kapitalen: ‘Submission film zet kwaad bloed’. Onder die krantenkop had Henrik met een stiftje geschreven:
“… binnen-orde (intentie) — :: ‘Bas uw bidfiks, tandeloze moslim!’
buiten-orde (reactie) — :: ‘Moslim! Bied kwibus’ zondelast af!’ (uitroepteken!!) …”
Hij bladerde verder. “Hier,” zei hij, “nog een kop: … ‘Submission dilemma’ … Je spreekt Nederlands, Virginie! Concentreer je, liefje…”
Virginie nam het boekje in haar handen en tuurde aandachtig gespannen naar het tweetal woorden. Toen klaarde haar gezicht op. “Ja, verdomd! Ik zie het …,” zei ze. “… ‘Moslim nam subsidie’ …”
Henrik pakte het opschrijfboekje uit haar handen, klapte het dicht, en sloeg er tweemaal mee in de palm van zijn hand. Hij straalde.
“Wambuis!”, riep hij. “Het zit er allemaal in, in die paar simpele, ondeelbare data. Ondeelbaar! Op de nulgraad van de tekst zijn dat de letters! De letters, niet de woorden van dada of van Burroughs! …”
Hij nam Virginie’s hand. Ze liepen samen naar het bed bij de onbedekte raamwand en gingen daar zitten.
“Ik heb het inzicht te danken aan de boodschap van die eerste boodschapper, in lijn negen. Kun je je nog herinneren wat die jongen in mijn boekje had geschreven?”
“Eh … wat was het ook alweer? Iets met ‘blasfeem’ en ‘goden’, toch?”
“Klopt,” zei Hendrik. “Om precies te zijn schreef hij: ‘Blasfeem is wat de goden krenkt’ … Met twee kruisjes en een dikke pijl omlaag; maar dat doet er nu even niet toe … ‘Blasfeem is wat de goden krenkt’ … Wekenlang heeft dat toen door mijn kop gespookt, wekenlang, werkelijk. Bij dag en bij ontij … ‘Blasfeem is wat de goden krenkt’ … ‘Blasfeem is wat de goden krenkt’ … Tot ik op een koortsige nacht – het was een vrijdag in maart – droomde dat ik achter mijn schrijftafel zat en zachtjes over het beschreven blaadje blies. Alle letters kwamen los van het papier, woeien op als herfstblaadjes, wervelden een tijdlang door de lucht, en dwarrelden toen langzaam, heel langzaam terug omlaag, om weer een plekje op het blaadje in mijn boekje in te nemen … weer een plekje … maar niet hetzelfde! En, nog steeds in die droom, mocht ik lezen wat er stond: … ‘Knokt! Islam engerdd wet beef-as’ … Ik werd er meteen wakker van, Virginie. Helemaal helder. De koorts voorbij. Dada-deconstructie … ! Daar was geen woord latijn meer bij … Toch?”
Moois van Harsman
Ze keek Henrik aan. Vragend. Maar die glunderde voldaan. “Nee,” zei ze voorzichtig. “Geen woord latijn … dat kun je wel zeggen, natuurlijk … maar wat betekent het?”
“Dat lijkt me duidelijk,” riep Henrik verontwaardigd. “We zitten er midden in … tot ver over onze nekken! De clash van de teksten … het zijn werelden die botsen, dat schrijven de kranten. Maar het antwoord zit erbij. Ze zettten het er zelf. Of liever gezegd: eronder. We moeten nog veel dieper gaan, lief … véél dieper. Denk nog eens aan de vrouwen op de stoep voor de moskee … Data structuur wijzigen …!”

Hij liet zich achterover vallen in het doorwoelde donsdek op het bed. Door de raamwand zag hij hoe het leek of buiten de ochtend al weer begon te gloren. Maar het konden ook de zoeklichten van een helicopter zijn … “I was like an industry, depressed and in decline,” neuriede hij zachtjes.
Plotsing werd Henrik door een zware, lome, moeiheid overvallen. Virginie legde een warme hand in zijn nek. Zachtjes kneep ze daar, rhythmisch masserend, en zei: “Zwijg, tuinstad creatuur …”
Zijn ogen vielen dicht.
“Teksten, beelden, geluiden …” zuchtte hij.
Virginie glimlachte.
“Uitgesleten denkbeelden …” fluisterde ze, en drukte toen haar lippen op de zijne.

– wordt vervolgd –

J. K. Harsman

[ Raudio #01 ( http://raudio.park.nl); Lanark – “De Rerum Natura”; Popular Electronics (Disc 1 t/m 4); 9 Beet Stretch; Soft Machine IV; Seth Gordon – “Grace”; Caravan – “Nine Feet Underground” ]

About j.k. harsman