Het Plagiaat: Hans en Grietje

(Naar Roald Dahl’s ‘Revolting Rhymes’)

Er was er eens een jonge boer
Wiens vader stierf, en toen zijn moer
En zo geheel alleen op aarde
Zag hij in het bestaan geen waarde
“Het leven is ondraag’lijk saai,
zo zonder vrouw, en kind noch kraai.
Ik zal me eens een eega zoeken,
Een lieve, brave, flinke, kloeke.”
En zo gezegd, zo ook gegaan
En binnen een week was het gedaan
Hij trouwde de dochter van een herder
Die hij kende van één huis verder
En ze hielden van melkaar
En vormden saam een vrolijk paar
Ookal was de oogst niet best
En stond er op de bank geen pest

Om het geluk nog te vergroten
Werd tot gezinsuitbreiding besloten
De brave boer deed snel zijn plicht
En nam zijn vrouw met ogen dicht
En na wat maanden, en een wee
Baarde zij een kind of twee

Ach, hoe leuk had het geleken
Het idee van nageslacht
Maar hoe snel kan vreugd’ verbleken
Bij het zien van deze vracht

De kleine Grietje bleek al snel
De allerstomste van het stel
Haar gezichtje keek heel vredig
Maar verstand ontbrak volledig
Al wat kleine Grietje kon
Was kwijlen als een sopkanon
En met haar krankzinnig schele porem
Leek zij aldoor in de lorum

De kleine Hans leek eerst normaal
Al was hij dan wel hondsbrutaal
In het denken was hij vaardig
Maar zijn karakter bleek boosaardig
En hele stromen woordenstront
Liepen hem daags uit de mond
Zijn moeder noemde hij ‘temeier’
Zijn vader was ‘die teringlijer’
En al voor zijn zesde jaar
Had hij het zo voor elkaar
Dat iedereen, in wijde omtrek
Het gezin aankeek met de nek

Op de dorpsschool niet gewenst
En door de hele buurt verwenst
Droegen de arme boeren ouders
De zware lasten op hun schouders
En van werken kwam niet veel
Met die twee op het perceel
Want als je even niet goed keek
Liep schele Griet zo in de kreek
Verloor je Hansje uit de lens
Dan vloog de hooiberg in de hens
Varkens raakten staarten kwijt
Kippen raakten van de kook
Koeien gaven zure melk
En de stal ging op in rook

En op een avond, toen de klênen
Eindelijk naar bed verdwenen
Zat het echtpaar bij de haard
Qua uiterlijk bijkans bejaard
De vrouw zat zwaar te schouderschokken
En snoot haar neus steeds in haar rokken
En bij de aanblik van zijn bruid
Nam de boer een kloek besluit

Zo kwam het dan, dat op een morgen
Nog voor de zon was opgegaan
De boer zich van zijn kwellende zorgen
In het bos stil heeft ontdaan
Want aldaar liet hij ze achter
Tijdens het ‘zoeken naar kachelhout’
En de levensgevaarlijke wolven
Lieten het boerenhart steenkoud

Grietje stond wat dwaas te kijken
Toen pa in rook leek opgegaan
En hoewel de ware crisis
Haar geheel moet zijn ontgaan
Deed zij wel, met trillend lipje
Een grote plas, zo in haar slipje

Kleine Hansje daarentegen
riep luid “Stik! Wel sodeju!
Welke kant op is ons huisje?
Wat flikt die klootspiraal ons nu?!”
Stampvoetend van blinde woede
Nam hij zuslief aan de hand
En vond al snel tussen de bomen
Een piepklein hutje, en de kwant
Ging toen op de deur staan beuken
Tot er open werd gedaan
Door een oud gebogen mensje
Dat van de herrie was ontdaan
‘Laat ons binnen, ouwe tang!’
riep kleine Hans haar in ‘t gelaat
‘We hebben honger, het is donker
Geef ons eten, het is laat!’
Het wijfie sputterde nog tegen
Maar dat was Hans niet naar de zin
Dus met de pook van bij de kachel
sloeg hij haar de hersens in.

Die nacht verbleven zij in ‘t hutje
En de volgende ochtend vroeg
Zijn zij weer naar huis gelopen
Waar Hans pa tot pulp sloeg
En om de moord op het oude wijfie
Te verdoezelen, voor de kuis
Is toen die larie gefabuleerd
Over een peperkoeken huis

About sofie van der sluis