Ro theater bereikt grens

<!–#set var="description" value="Regisseur Cassiers maakt theater van een van de grootste literaire prestaties van de 20ste eeuw: À la recherche du temps perdu van Proust. Behalve bewondering en een staat van algehele verbluffing roept de voorstelling vooral vragen op.” –>Regisseur Guy Cassiers spendeert drie theaterseizoenen aan de theatrale invulling van een van de grootste literaire prestaties van de 20ste eeuw: À la recherche du temps perdu van Marcel Proust. Een vijftiendelige romancyclus die niet in toneelbeelden te vangen zou zijn. Dat het inderdaad niet eenvoudig is om de veelheid van Prousts meesterwerk recht te doen, laat ‘Proust 1: De kant van Swann’ zien, het eerste deel uit een serie van vier waarin het magnum opus van de Franse auteur theatraal verbeeld wordt. Behalve bewondering en een staat van algehele verbluffing roept de voorstelling vooral vraagtekens op. Over de grenzen van theater maken en wat een toeschouwer in twee uur tijd zoal kan behapstukken.

Het is een typerend gegeven dat voorstellingen die door critici en vakjury’s gelauwerd worden buiten de première in de randstad vaak nauwelijks halfvolle zalen trekken. Het is net zo typisch dat de nuchtere toeschouwer en buitenstaander tijdens dergelijke voorstellingen vaak het gevoel krijgt naar weer zo’n aparte en bekroonde documentaire van de VPRO te zitten kijken, waar iedereen het over eens is dat het goed is en bijzonder en die inderdaad een hoge esthetische waarde heeft, maar die geen moment werkelijk weet te boeien – laat staan betoveren. Een eigenschap die je het betere theater eigenlijk best zou mogen toedichten.

Bewerking
Samen met cineast en auteur Eric de Kuyper en dramaturg Erwin Jans bewerkte regisseur Guy Cassiers de roman van Proust tot een script voor het toneel. Dat is nog niet zo eenvoudig, omdat het monumentale À la recherche du temps perdu (zo’n 3500 pagina’s dik!) gezien wordt als zowel de geschiedenis van een tijdvak als dat van een bewustzijn, en Proust zich hierbij in het bijzonder heeft ingespannen om een licht te werpen op de werking van het affectieve geheugen en de manier waarop de mens de tijd waarneemt. In zijn cyclus beschrijft hij de momenten waarop de ‘verloren tijd’ van ‘voorbije werelden’ dankzij bepaalde gewaarwordingen opeens weer gaan leven. Dit alles is gekadreerd binnen het grotere raamwerk van de vertelling waarin de jongeman Marcel, hoofdfiguur van de cyclus, wordt geïnitieerd in de werelden van liefde, aristocratie en kunst. Het blijkt uiteindelijk alleen de kunst zelf te zijn die niet ontluistert.
Het is ondoenlijk om alle karakters uit deze cyclus een plaats te geven op het toneel en daarom hebben de makers een keuze gemaakt voor een beperkt aantal personages uit de Verloren Tijd. Uiteraard zijn dit de figuren geworden rondom wie zich de meest dramatische gebeurtenissen afspelen. Het gaat om de gekwelde liefde van Swann en Odette (deel 1), de tragische liefdesgeschiedenis van Marcel en Albertine (deel 2), de mondaine salonwereld van Madame de Guermantes en de duistere seksuele wereld van Baron de Charlus (deel 3) en een vierde deel waaraan nog gewerkt wordt.

Zintuiglijkheid
In ‘Proust 1: De kant van Swann’ wordt geen middel onbenut gelaten om de zintuigen van de toeschouwer te prikkelen. Een strijkkwartet live op de rand van het toneel, uitgekiende lichttechniek, videobeelden van de acteurs op het podium die naadloos overlopen in het spel en die bepaalde gelaatstrekken nog eens uitvergroten, prachtige kostumering en decors, en dan ook nog eens de teksten van Proust die over alles heen op een doek achter het speelvlak geprojecteerd worden. Kortom, het kan niet op. Bij een dergelijke aanpak loert het gevaar dat er onevenwichtige beelden ontstaan, dat er een potpourri van vormen wordt gecreëerd waarin de toeschouwer zou kunnen verdrinken. Dit is echter niet het geval, want alles is strak uitgekiend en niets is aan het toeval overgelaten. Alleen… het is misschien een beetje te véél van het goede. Als alles zo doordacht is en zo perfect wordt uitgevoerd, blijft er geen millimeter ruimte meer over voor de verbeelding van de toeschouwer zelf, die niets meer hoeft te bedenken. Hij is bijna twee uur lang bezig met het verwerken van wat een overkill aan schoonheid en informatieprikkels genoemd mag worden.
Het is een mening, maar het mooiste theater heeft vaak juist een vorm die weet te prikkelen en tot denken aanzet zónder dat alles al is ingevuld. Dat neemt echter niet weg dat er over de vorm die het ro theater heeft gekozen, kan worden vastgesteld dat met deze voorstelling de top van de – met name visuele – esthetiek bereikt is. Denk alleen aan de openingsscène, waarin de oude Marcel zijn hoofd in het in lange repen verdeelde doek op het podium steekt zodat we alleen zijn rug zien, een kwartier lang. Tegelijkertijd wordt zijn hoofd op het immense doek geprojecteerd en maakt hij een aanvang met de vertelling, in de stijl van Proust zelf. Het is een onthutsend beeld van ongekende schoonheid en eenvoud, dat werkelijk nog dagenlang blijft naspoken, maar dat tevens een illustratie vormt voor een van de minpunten van deze voorstelling: de volstrekte immobiliteit.

Statisch
Het is opnieuw een kwestie van smaak die doet beweren dat een van de basisgegevens voor een boeiende theatervoorstelling, voldoende dynamiek is. In dramaturgisch opzicht wordt dit vaak herleidt tot het botsen van belangen zodat er een conflictsituatie ontstaat. Wellicht is het inherent aan de afstandelijke manier van beschouwen door Proust dat het op het podium allemaal erg timide lijkt te zijn. Meer waarschijnlijk heeft Guy Cassiers echter bewust gekozen voor deze statische vorm, om toch vooral de beelden en de teksten van Proust tot hun recht te laten komen, met als gevolg een verminderde dynamiek. Zo zou er wel wat meer vuur en beweeglijkheid kunnen zitten in de discussies tussen Swann (Herman Gilis) en Odette (Marlies Heuer), maar heeft Cassiers juist gekozen voor een uitvergroting van gelaatstrekken op een scherm achter het podium, waardoor bij vlagen het idee ontstaat naar een live-uitvoering van een film te zitten kijken – zij het dan een erg trage. Ook in de dialogen tussen de jonge Marcel (Eelco Smits) en zijn ouders (Joop Keesmaat en Jacqueline Blom) krijg je nergens het idee dat er bezieling in zit, wat dan weer wel klopt met de distinctieve vertelvorm van Proust, maar in theatraal opzicht grote beperkingen met zich meebrengt. Het meest schrijnend komt dit tot uiting in de ontmoetingen met het meisje Gilberte (Fania Sorel), waarvan je door de geprojecteerde teksten (Zijn ogen – Schaamrood op de wangen) even het idee krijgt dat het nu gaat vlammen, wat echter niet het geval blijkt te zijn. Onlogisch is ook dit niet, want Proust was homoseksueel en probeerde zijn homoseksualiteit voor iedereen verborgen te houden, en dat verklaart natuurlijk het gebrek aan passie van de jonge Marcel voor Gilberte. Maar interessant om naar te kijken wordt het op deze manier nooit. De enige acteur die in zijn rol wat temperament heeft mogen en kunnen leggen is Marc de Korte, die de cynische en gemene dokter Percepied neerzet. Het enige karakter uit ‘Proust 1’ dat zich op het toneel leent voor gepassioneerder spel, zij het uit naargeestigheid.

Watertrappelen
Als de nadruk zo nadrukkelijk gelegd wordt op een multimediale integratie van verschillende disciplines, blijven de acteurs grotendeels als onmachtige kleuters watertrappelen in een bassin dat het midden houdt tussen werkelijk dramatisch spel en het zich concentreren op de nieuwste technische snufjes. Het lijkt erop dat het een ten koste gaat van het ander en het gevolg daarvan is een vorm van theater die geen theater meer is. Je ontkomt al observerende niet aan de vraag of al dat technisch vernuft in feite niet is ingezet om een zwak scenario te verhullen of nog simpeler: dat Guy Cassiers in het uitgestrekte woud van multimediale mogelijkheden toch een beetje de weg is kwijt geraakt en vergeten is dat spelers beschikken over spelersenergie en dat die nou juist de vonk naar het publiek kan doen overslaan.

Filmhuisfilm
De conclusie na het zien van ‘Proust 1: De kant van Swann’ is dat kosten noch moeite gespaard zijn om de toeschouwer visueel te overdonderen in wat toch een literaire navertelling van Proust blijft, die is gegoten in de vorm van een trage filmhuisfilm. En daarin zit hem dan precies het mankement, want theater is en blijft theater waar je, in het zoeken naar door nieuwe technieken mogelijk gemaakte vormen, nou juist niet de ‘bezieling’ uit moet snijden. Je kunt de ‘harde schijf’ van de toeschouwer wel volpompen met informatie tot het niet meer te behapstukken valt, maar op de lange duur gaat het publiek dan toch crashen. ‘Proust 1’ is, het klinkt als een contradictie, esthetisch zó perfect, zó uitgekiend en vooral zó ontzettend ingevuld, dat het allemaal een beetje te veel van het goede is geworden, waardoor je op een gegeven moment afhaakt en verpletterd door de visuele overkill de voorstelling verlaat. Vandaar misschien ook die nauwelijks halfvolle zalen.

Gezien: 20 januari 2004, Theater a/d Parade, ‘s-Hertogenbosch. Ro theater, ‘Proust 1: De kant van Swann’. Nog te zien: tournee 11 januari t/m 4 maart door Nederland en Vlaanderen, voor speellijst zie www.rotheater.nl

Rob Kappen

About rob kappen