Six in the City

Wat vooraf ging:
Gonnie beseft dat haar verjaardag in de soep dreigt te lopen en besluit in de stad vertier te zoeken.
Marisca voelt zich eenzaam zonder haar man en ontvlucht haar huis.

‘Jongens, doe godverdomme die muziek eens wat zachter.’ Maaike stond onderaan de trap van haar ruime huis met in de ene hand een paar stinkende sportschoenen en in de andere een zak vuil kattenbakzand. Ze had godsgruwelijk de pest in. Ik lijk wel een dienstmeid, dacht ze kwaad, de hele dag loop ik op te ruimen voor die twee rotblagen en ze zijn niet eens van mij. Terug in de keuken keek ze naar de grote ronde eettafel die bezaaid lag met schoolboeken, muziekbladen, cd-tjes en boterhamzakjes met half opgegeten inhoud. Vermoeid liet ze zich in een stoel zakken en onderdrukte met moeite de neiging om alles van de tafel te kieperen. Ze stond er ook helemaal alleen voor, Richard zat het grootste deel van de dag opgesloten in zijn werkkamer en liet al het huishoudelijke werk en de zorg voor zijn puberzonen aan haar over. Ik heb hier geen zin meer in, besloot ze resoluut, ik wil dat hij ook eens wat doet. Vastbesloten en strijdbaar stond ze op en liep naar de deur waarachter zijn werkkamer lag. Al met de deurkruk in haar hand sloeg de twijfel toe. Wie hou ik hier nou eigenlijk voor de gek, dacht ze droevig. In de jaren dat ze samen waren had ze al zo vaak een poging gedaan om hem meer bij alles te betrekken, maar altijd tevergeefs. Ze hield van hem en wilde geen ander, maar dat nam niet weg dat hij haar vaak in de steek liet en alleen in bed haar maatje was.
Ze wendde zich af van de deur en keek in de grote hallspiegel. Ik zie er zelfs al uit als een sloofje, dacht ze boos. Haar dikke, blonde haar was aan een uitgroeibehandeling toe en ook een paar nieuwe schoenen zouden bijdragen aan een beter humeur. Op haar horloge zag ze dat het pas twee uur was, als ze nu direct vertrok was ze om een uurtje of zes wel weer thuis, op tijd om het avondeten klaar te maken. Snel schreef ze een briefje dat ze op de koelkast plakte. ‘Lieve schatten’, stond er in grote hanenpoten, ‘ik ben naar de kapper en de stad in. Tot straks, Maaike.’
-.-

‘Waar ben je, kom me eens helpen.’
Afrieke draaide zich schuldig om naar de deur van waarachter de stem van haar man Piet had geklonken. Ze zat stiekem naar een soap te kijken en epileerde ondertussen haar wenkbrauwen. ‘Schreeuw niet zo,’ gilde ze terug, ‘ik hoor je heus wel.’
Ze was boerin op een rundveeboerderij en had spijt als haren op haar hoofd dat ze er ooit in had toegestemd om samen met Piet het bedrijf van zijn vader over te nemen. Het had allemaal zo romantisch geleken, een groot stuk land met leuke, kleine kalfjes en een hok vol kippen. Helaas was de werkelijkheid anders. Piet verwachtte dat ze in alles zijn partner was en dus moest ze naast het hele huishouden ook nog eens voor dag en dauw haar bed uit om mee te helpen met de melkmachines en het voeren en verzorgen van de veestapel.
Ik heb geen minuut meer voor mezelf, dacht ze chagrijnig. Dat was vroeger wel anders geweest, toen waren ze nog wel eens uit eten gegaan en een paar keer per jaar op vakantie. Piet had als docent op de LU in Wageningen een goed loon verdiend en ze bezat een kast vol kleren, plus de mogelijkheid om ze te dragen. Wat heb ik nog aan mijn leven, peinsde ze bedroefd, ik doe niets anders dan werken. De boerderij lag dicht tegen de stad aan en was één van de weinige boerenbedrijven die nog niet door de naderende nieuwbouw was opgeslokt. Als ze wilde kon ze binnen twintig minuten in de winkelstraten zijn. Wat zou ze er graag even tussenuit willen knijpen om als een gewone vrouw te winkelen en koffie te drinken met een gebakje erbij. Zuchtend stond ze op om naar de stal te gaan toen de telefoon rinkelde.
Het was een medewerkster van een marketingbureau die haar wilde enquêteren, maar terwijl ze het meisje afwimpelde kreeg ze een idee. Het is wel een beetje liegen, besefte ze schuldig, maar het zou haar zoveel goed doen.
‘Pietje,’ ze liep de stal in verborg haar handen in haar schort, ‘ik had mama net aan de telefoon, ze vroeg of ik haar kwam helpen met het opruimen van de zolder, ’t is weer in haar rug geschoten.’
Ze durfde hem bijna niet aan te kijken, zo overtuigd was ze dat hij de leugen van haar gezicht kon aflezen. ‘Ik ben om een uurtje of zes weer thuis, goed?’ Ze kon wel springen van geluk om zijn stuurse, maar bevestigende knikje.

Loes Neve

About loes neve