Speelse

Het Bossche theatergezelschap De Wetten van Kepler heeft het patent op eigenzinnige bewerkingen van grote toneelklassiekers. In de voorstellingen wordt gestreefd naar een evenwicht tussen een vaak poëtische taal, muzikaliteit en een regie die nog het meeste wegheeft van een fijnzinnige choreografie. Bovendien wordt door middel van fysiek spel gepoogd de link naar de hedendaagse tijd te leggen. Pretentieloos theater kun je het onmogelijk noemen en over de uitvoering valt natuurlijk altijd te twisten. In de klassieker ‘Koning Lear’ naar het koningsdrama van Shakespeare, die momenteel over de vlakkevloertheaters van Nederland trekt, lijkt alles te kloppen en toch hinkt de voorstelling op twee gedachten.

Ridderroman op skeelers
Het is bekend dat Shakespeare als ongeëvenaard hoogtepunt in de geschiedenis van het drama een bizar aantal sociale en emotionele registers tot in de puntjes beheerste. Ook staat vast dat zijn stukken, mits goed vertolkt, een tijdloze thematiek weten aan te boren. Daarom zijn er altijd gezelschappen die zich op zijn werk storten, al betekent dat weer níet dat het resultaat van deze bewerkingen eveneens tijdloos is. In ‘Koning Lear’ heeft het Bossche theatergezelschap De Wetten van Kepler een knappe poging ondernomen haar voorstelling een zekere transcendentie mee te geven. In een prachtige hertaling van Peer Wittenbols en een uitgekiende regie van Dominique Hoste, wordt het koningsdrama van de oude Lear, dat oorspronkelijk bestond uit de klassieke vijf bedrijven, teruggebracht tot een boeiend en prikkelend schouwspel van krap twee uur. Knappe acteerprestaties van onder andere Wendell Jaspers en Herman van de Wijdeven, geraffineerd gebruik van geluids- en lichttechniek, ruimtelijke invulling van het decor en het hergebruik van rekwisieten zit tegen het sublieme aan – toch hinkt de voorstelling op twee gedachten: een zestiende-eeuws koningsdrama en een tijdloze thematiek. Helaas is het niet gelukt het drama van de oude koning in een vorm te gieten waar de moderne toeschouwer zich eenvoudig in herkent. En dat terwijl daarvoor toch bijna alles uit de kast wordt gehaald. Er zijn eigentijdse grappen en grollen – tot en met het zingen van een hitje van Frans Bauer toe –, er zijn boeiende toneelbeelden als bijvoorbeeld de halfbroers Edmond en Edgar elkaar lopen te dollen en je op het puntje van je stoel zit, net zoals je de slappe lach krijgt wanneer Wendell Jaspers als Cordelia moderne grap na moderne grap van Peer Wittenbols voor het voetlicht brengt, er is een ingewikkeld en boeiend plot in de lijn van Shakespeare, maar het blijft toch een zestiende-eeuws koningsdrama en het wordt nooit het grootmenselijk drama dat Shakespeare destijds heeft gegoten in de metafoor van een oude koning die zijn koninkrijk wil verdelen onder zijn drie dochters. Als de taal, aankleding en een aantal omgangsvormen zo modern zijn – ik denk aan de bijdehante taalgrappen en het vrijzinnige gedrag van Cordelia tegen Lear – dan is het toch erg vreemd dat op andere plaatsen de laat-Middeleeuwse hofcultuur nog zo duidelijk aanwezig is en dat de troepen op het eind blijken op te trekken tegen het Franse leger, terwijl je van die oorlog verder niet zoveel hebt meegekregen. Je zit dan – enigszins overdreven, want De Wetten van Kepler doseert knap – toch weer een beetje te kijken naar een ridderroman op skeelers, en hoe artistiek en hip dat ook is: de nuchtere kijker wordt lamgeslagen.

Loyaliteit
Eén van de basisgedachten achter ‘Koning Lear’ is het zoeken naar loyaliteit. De oude koning voelt zijn krachten tanen en zoekt bevestiging van zijn drie dochters, in het bijzonder Cordelia, zijn lievelingetje. Cordelia is echter niet van zins haar vader naar de mond te praten en wordt door haar recalcitrante gedrag gedwongen de zotskap aan te trekken. Een positie die haar uitstekend in staat stelt commentaar te geven op de ontwikkelingen aan en rond het hof. Tegelijkertijd dingen de twee zussen van Cordelia naar de gunsten van hun vader omdat zij het koninkrijk willen erven en zij er daarom inmiddels al een eigen boekhouding op nahouden. Lear verstoot Cordelia omdat zij hem verwijt geen dochter te willen hebben maar een moeder. Met Cordelia moet ook de trouwe dienaar Kent het veld ruimen omdat hij het waagt zijn koning tegen te spreken. Tegelijkertijd is er nog sprake van een tweede familie en een tweede familiedrama: dat van Gloucester, een van Lears leenheren. Dit drama kan als een parallelontwikkeling worden gezien van het eigenlijke koningsdrama, want de vrijzinnige Gloucester verstoot zijn natuurlijke zoon Edgar op instigatie van zijn bastaardzoon Edmond, die het er weer op nahoudt met de twee andere dochters van Lear. De manier waarop Edmond zijn vader en halfbroer voor zijn karretje spant en tegen elkaar uitspeelt, is meesterlijk vorm gegeven. Gloucester gaat ten onder, net als de oude koning, die waanzinnig of dement – of allebei – aan zijn einde komt en nog nauwelijks beseft dat het meest rotte deel van zijn nageslacht het in een poging de macht te grijpen heeft aangelegd met het meest rotte deel van Gloucesters nageslacht. Ook de leenheer heeft het niet zien aankomen en is in de listen van zijn bastaardkind getuind en struint blind als een ware inversieve Oedipus (!) met uitgestoken ogen over het podium de zinnebeeldige afgrond en eindeloosheid in.
Zo laat De Wetten van Kepler het meest zwarte van Shakespeare zien: het rotte trekt elkaar aan, het ‘kwade’ overwint en het ‘goede’ kan zich hier niet tegen wapenen. We zien een oude koning die van zijn dochter verlangt dat ze zijn moeder is en een leenheer, in parallelontwikkeling, die door toedoen van zijn bastaardzoon al evenzeer geconfronteerd wordt met moederloosheid en blindheid. Het ligt er duidelijk genoeg bovenop om het te zien en toch mist het door de trouw aan het oorspronkelijke verhaal de dramatische zeggingskracht die de moderne toeschouwer in staat stelt direct tot het inzicht te geraken wat er nu werkelijk speelt op diepteniveau.

Dubbel
De conclusie is dat De Wetten van Kepler de klassieker van Shakespeare heeft weten te vangen in fraaie theaterbeelden die door hun kracht en relatieve eenvoud raken, maar dat de toeschouwer tegelijkertijd wordt opgezadeld met het gevoel dat hij zit te kijken naar iets fundamenteels dat door de kadrering binnen het hof van Lear met aanverwante hiërarchie en aanstaande veldtochten, toch echt een zestiende-eeuws koningsdrama blijft. Dat de kleding en de muziek en ook de taal dan weer heel erg van deze tijd zijn, werkt de verwarring zoals gezegd alleen maar verder in de hand. En dat is jammer, want de Bosschenaren hebben alles in huis om ook nog dat ene stapje extra te maken. Maar als je niet kunt kiezen tussen een zestiende-eeuwse klassieker en een vorm die door de hedendaagse toeschouwer direct kan worden opgepikt, wordt je een soort telganger die in polka door de eeuwen danst: met krachtige tred, maar hinkend op twee gedachten. En dat is net niet swingend genoeg.

Rob Kappen

Gezien op: 5 maart en 16 april in Theater Bis, Den Bosch.
Nog te zien: zie speellijst op www.wettenvankepler.nl

About rob kappen