Henrik Henegouw

Nu ook klassiek – Weer: man met contrabas – Applaus voor het harsen – Elke ingang is een uitgang – Groot gelijk – Elke uitgang is een ingang
“Vouw je handen, Hendrik!” gebood de priester met een zware preekstem, waar iets jachtigs in doorklonk, “dat de Here in je vare …”
“Ik heet Hen-rik, vader,” fluisterde Henrik beschroomd, “zonder déé.”
Pater Augustinus scheen het niet te horen. Hij zei het nog een keer: “Vouw je handjes, Hendrik … Je hebt er je aandacht niet bij, jongen! Handjes zijn er om te vouwen, in gebed. Hendrik, hoor je wat ik zeg?”
Henrik hoorde hem.
Hij deed zijn ogen dicht.
En gehoorzaam vouwde hij zijn handjes saam.

” […] ita Daedalus implet
innumeras errore vias vixque ipse reverti
ad limen potuit: tanta est fallacia tecti.”

(Ovidius, Metamorphosen 8.166-68)

“Labbyririntisch …,” dacht Henrik. “Of is het laa-byrintijns … labia-rara, libarari majora … labra-y … libbe, libetie, liebelatijn … Ik weet het niet … nog niet … of niet meer? … alles is doolhof … dooh! … dooDhof … de blaadjes vallen, ook al zijn ze nog zo groen … En ik? … Ik gang de corri-door … ‘acho, draatje, draatje, brek nie!’ zwat ik … bád ik … met mijn kruisje in een hengseltje van fer … Waar ben ik toch? Waar ben je? Hè? En waar ben jij dan, wild beest? Kom op! Ik kan je wel aan! Dooh! Je wil me beduivelen? Jij? Ha! Ik lach! Hoor je? L-a-a-a-a-chch! … Zie jij mij? Ik zie jou niet! … Dooh! … Ik bind een leidraad om mijn lenden, langer dan jij tellen kan. Stevige knoop. Zo. Hop … en dooh!”
Met twee vingers trok hij zijn ooghoeken chinees scheef, en hij stak zijn tong uit. “Dooh! …” zei hij weer, hardop nu. En smalend: “… Meesterboom! …”
“Sshhht! Stil – shht! – Hou je mond nou!” klonk het gedempt van achter hem, uit verschillende hoekjes en kelen. “Shhttt …! Het gaat beginnen … ”
Op datzelfde moment doofde achter de ramen het licht … “Dan dooft het …,” dacht Henrik Henegouw, “… geen dag- dus daar, maar kunst-licht. Merkwaardig …” Het werd donker in de ruime, hoge kamer, op een spotje na, dat pal boven de schedel van de bassist oplichtte. De man kuchtte. In twee kalme lange, ononderbroken, halen van hoog naar laag ritste hij aan weerszijden de zwarte leren hoes van zijn instrument open, die als een jas, als een huid, als een jurkje, naar de vloer toe gleed. Hij tilde het nu naakte vijfsnarige instrument een stukje op, en met twee, drie vegen rechtervoets schoof hij de afgeworpen bekleding opzij en duwde haar tegen de dichte klapdeuren aan. Het gelakte donkere hout van de dikke, maar elegant gewelfde, klankkast glom. Weer keek de man Henrik aan …
“Ik vecht wel … ik doe het,” dacht deze. “Amazones, centauren, of reuzen … het is mij om het even …”
Achter hem klonk instemmend applaus. Een licht handjesklappen, bescheiden, maar uit het ritme sprak waardering.
Snel draaide Henrik zich om.
Het mocht nu dan stikkedonker wezen, toch voelde hij dat de ruimte leeg was. “Waarom hóór ik wel, maar zie ik niks?” mompelde hij. “Waar iets klapt daar moet toch ook iets bewegen?” Hij schuifelde wat, kneep zijn ogen samen, maar dat hielp allemaal niks …
Toen Henrik zich weer omdraaide had de muzikant in de hoek van de kamer plaatsgenomen op een kruk. Onder aan de kast van de bas was een metalen pin bevestigd, die tussen twee vloerplanken stak, om verglijden te beletten. De man had zijn beide armen om de schouders van zijn instrument gelegd. In één hand hield hij een strijkstok; in de andere een donkerbruin blokje waarmee hij in de lengte aandachtig over de haren van de stok wreef. Hij harste met … hars … de basman … Henrik zag hoe wolkjes grijs-wittige stofjes in het licht van de scherpe plafondspot omlaag dwarrelden, en zich voor zijn voeten tot een doffige stofvlek verzamelden. Kon hij het horen, hoe de bass-ist daar, een meter verderop, twee metertjes, drie hooguit, de haren van zijn strijkstok harste? Hij spitste zijn oren … Iets pieperigs, ja, iets hoogs … een slip-slijperig geluidje … af … & toe … djzéétuuùtoe … Zijn ademen was harder, maar wanneer dat even stokte, dan toch, ja … hij kon dat harsen heel goed horen …
Even voelde de bassist met een duim aan de haren van zijn stok. Hij keek bedenkelijk, draaide met het knopje beneden de spanning een slagje hoger, en voelde toen nog een keer … Veel beter zo … maar toch maar … die haren nog wat harsen … Hij plaatste het blokje weer onder aan de strijkstok, drukte, en wreef toen in één lange haal – pppiéépp – naar het andere einde toe …
Weer klonk er geklap, en: “oohh!” zuchtte zachtjes een vrouwenstem.

“Dooh!” dacht Henrik Henegouw. “Dooh!”

Het was pas midden februari, op de dinsdag van carnaval, dat pater Augustinus ons voor het eerst meenam naar de mergelgrotten. Carl, Victor en mijzelf. “De drie musketiers,” zei hij soms schertsend. Maar bijzonder bevriend waren we niet; we zaten niet eens in dezelfde klas, noch op dezelfde school. Carl en Viktor waren ouder, die gingen al naar de brugklas. Wel dienden we alledrie om beurten, of op bijzondere dagen ook wel gedrieën, bij de missen van Wout. Ook verbrachten we die maanden vrijwel elke vrije woensdagmiddag samen in de kelder van de pastorie. Op Wouts hobbyclub, waar hij ons wekenlang met schotjes hout op een ouwe deur aan het model van een enorme doolhof liet knutselen. Die deur moest daarvoor eerst met stukken hardboard vervlakt en in de grondverf gezet. Vervolgens lakten we het geheel, crème … De deur was onze basis; het grondvlak. En terwijl twee van ons lakten, figuurzaagde de derde samen met Wout reepjes uit een dunne plaat buigzaam hout. Dat werden de wanden van de gangen.
Op zulke clubmiddagen oreerde pater Augustinus ononderbroken.
“Alleglorie!” riep hij enthousiast. “Zo zie ik dat, jongens: Dedalus die een doolhof bouwt om het Beest te bedwingen … dat is als de Heilige Geest die ons de geest geeft. Ook zo vol kronkel, doodloop, doorsteek en sluipweg! Jawel! Elk labyrinth is als een deel van het leven. Elke ingang is een uitgang. Maar voor sommige diepten die er lonken schiet elke menselijke draad te kort! Daar spint geen Ariane tegenop. Daar kan enkel de Heer nog uitkomst bieden … En dan … ja, is het voor ons mensenkinderen wel oppassen geblazen …”
Carl en Viktor waren aan de beurt om te lakken. Ze stonden aan weerszijden van de grote deur, die dwars over de ruggen van twee houten stoelen lag. Op elk van de zittingen hadden ze een zware gereedschapskist gezet, zodat het boeltje niet om zou kieperen. En terwijl Wout enthousiast door bleef praten over wat ons doolhof, als model, als bééld, ons allemaal wel niet leren kon (“Het stichtelijke, jongens! Het stichtelijke!”) floten die twee samen zachtjes en vals tussen hun tanden het melodietje van ‘Glory, glory, hallelujah!’. Ze lachten erbij. Gemeen vond ik dat … maar Wout leek het niet te merken.
Ik zie het, jullie zien het ook, hield hij ons voor. We hadden toch wel eens plaatjes van hersenen bekeken, vroeg hij? Ja. Dan kijk maar … al die kreukels, kronkels en bochten die zich daar wurmen … Wie een hersenpan licht, die kijkt recht in het doolhof …
Ik knikte. Hoewel ik toen lang niet alles wat hij ons allemaal te vertellen had kon begrijpen, vond ik, meestal bij voorbaat al, dat Wout gelijk had.
Groot gelijk.
Al maar verder zagend werd het al abstracter en abstracter. Wout liet de namen van wijsgeren als Kant en Schelling en Kierkegaard passeren; het leven, ons denken, Sein, bewust-zijn, en de wereld … dat alles an sich … ook daar was het doolhof een beeld voor dat – noodzakelijk! riep pater Augustinus – paste
Maar waar niet voor eigenlijk?
“Ons lichaam, pater!” stelde ik voor. “Dat is ook een hele wirwar van gangen en kanalen, hè? Ook net een labyrinth … met al die aders en bloedvaten, en darmen en zo …”
Het werd stil in de hobbykelder. Carl en Viktor hielden op met lakken, en Wout stopte met zagen. Hij keek mij aan. Hij streek met een hand over zijn kuif, nadenkend, en er verscheen een scheef lachje rond zijn mond.
“Heel goed, Hendrik … héél goed … Natuurlijk! Ook ons lichaam is als een doolhof … Geest in lichaam in wereld in Al: het is als een dwaal in een dwaal in een dwaal in een óver-dwaal …”
Ik voelde hoe ik verkleurde.
Weer was het even stil, tot Viktor plotseling riep: “En elke uitgang is een ingang!”
Ik zag hoe Wouts gezicht verstrakte. Hij knikte, maar weifelend, en hij keek er bedenkelijk bij. Carl boog zich over de deur heen en fluisterde Viktor iets toe van achter zijn hand. Het zei het zacht, maar toch zo hard dat ook Wout en ik het duidelijk konden horen.
“Poepgat!” zei hij.
En alletwee barstten ze gelijk in een hinnikend lachen uit.
Carl stootte daarbij per ongeluk met een elleboog tegen het deurblad aan, dat een heel stuk verschoof, waardoor de pot met crème verf, die op het randje stond, met een harde klap tegen de cementen keldervloer klepperde. Een geluk bij een ongeluk, dat er niet meer nog dan een bodempje van de lak inzat.
Toch zei pater Augustinus die woensdagmiddag verder nog maar weinig.
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
J. K. Harsman

[ Ki Wa – “Between Skidmark and Secret Void” (Radiodays) ; On Kawara – “One million years” (Radiodays) ; Faust – “Rien” / “You know us” ; Sun ra – “Sunrise in different dimensions” ; AGF Live (Radiodays) ]

About j.k. harsman