Henrik Henegouw

De eerste dag – Het grootste gemene spiegelbeeld – Heen en weer terug – Ondertussen in Antwerpen – Identiteit on.be.kend – De tweede dag – Een speelgoeddraakje en een tasje – De roetsjbaan naar Belleville
Die hele eerste dag en avond lag Ron Zevester. Alleen op een dubbelbed. In de schemer en later het avondlijke donker van een kamer. In een goedkoop maar passabel hotelletje in de rue de Malte. Als zijn ogen niet gesloten waren staarde hij afwisselend naar het plafond en de spleten van de houten luiken voor de ramen. Die bleven dicht. En ook Ron verroerde zich niet.
Hij staarde ook als zijn ogen dicht waren.
Naar het interieur van net zulke hotelkamers, bijvoorbeeld, maar dan van vroeger. Zijn hele leven lang al, zo leek het hem, waren die kamers overal en altijd hetzelfde gebleven. Inwisselbare haltes onderweg naar ergens heen of weer terug. Dat was eigenlijk ook wel zo logisch, bedacht hij. Op zulke plekken kan niks beklijven. Màg niks beklijven. Want dat het grootste gemene delers zijn voor alles wat er passeert. En als je de grootste gemene deler voor al het passerende neemt dan blijft er bar weinig over. Iets om op te liggen, iets om op zitten, iets om op te leggen, iets om aan te hangen, iets om in te ruimen. Lichtpunten voor wanneer het donkert. Water om je mee te wassen. Een pot – een gat desnoods – om je in te ontlasten …
Buiten klonk het gieren van de sirene van een politiewagen die vanuit de rue Oberkampf de korte rue de Malte indraaide. Rons ogen schoten wijd open. Hij voelde hoe zijn maag en darmen zich verkrampten, maar de sirene raasde langs en verder door naar de boulevard Voltaire.
Hij ontspande weer.
In de spiegel in de deur van de goedkope kleerkast naast zijn bed zag hij zijn lompe wat vadsige lijf dat als een zak ongewassen goed op het hotelbed lag.
Een spiegel, ja, die was er ook altijd.
Ter geruststelling, wellicht, dat je er ook écht bent, en alles aan je nog recht zit. Maar de tijd dat zijn spiegelbeeld hem gerust kon stellen was verleden. Hij keek zichzelf al lang niet meer recht in de ogen, enkel slinks van uit de hoeken, als het niet anders kon … Nee, zo’n hotelkamerspiegel, die zou eigenlijk een grootst gemeen spiegelbeeld moeten reflecteren, overwoog hij …
… Kijk, daar had hij wat! … Technisch zou dat tegenwoordig moeten kunnen … Geen spiegel, maar een camera met een scherm, en wat slimme software die de beelden van alle opeenvolgende logés real-time morft, animeert en projecteert. Gewogen, natuurlijk. Want wie langer in de kamer verblijft heeft meer gewicht. Een knap staaltje, maar niet onmogelijk … Van dat idee kwam hij bij. Even voelde hij de drang om zich van het bed af te laten glijden en zijn dictafoon te pakken om het in te spreken, of er op de laptop op het tafeltje bij het raam notitie van te maken.
Maar misschien was het enkel het beetje zonlicht dat op dat moment even door de spleten van de luiken viel en hem verlichtte.
Hoe dan ook, het duurde niet lang.
Hij deed zijn ogen weer dicht en bleef tenslotte toch maar liggen waar hij lag, bewegingsloos. Hij zou het wel onthouden, voor later.

Veertig dagen … Waar héén? Allemaal uitstel wist hij – en bij die gedachte kneep die hele handel beneden om en nabij zijn maagstreek zich wéér even samen – want aflopen deed het tóch … In al zijn héén had het terúg altijd besloten gelegen. Misschien was het dát wel wat er aan zijn leven schortte … Wat er aan bijna al die miljarden terrestrische levens schort! Waarom? vroeg Ron Zevester zich af … Waar het leven zelf toch een voortdurend héén is dat elk terúg op voorhand uitsluit … waarom dan niet méé met die stroom?
“Dan vliegt het boeltje uit de bocht!” leek iets hem te zeggen. Maar dat was hij waarschijnlijk zelf.

Ook in het Belgische Antwerpen scheen die middag de zon maar mondjesmaat. En ook inspecteur Jules Weermoedt staarde; uit het raam van zijn kleine schamel gemeubileerde werkvertrek in de kantoren van de federale politie. Zijn zonnebril zette hij ook voor het grijze buiten niet af. Hij had zijn handen op de rug gevouwen en peinsde.
Achter hem bladerde agente Carole Vandenbroeck met geveinsde aandacht door het gloednieuwe dossier dat voor haar op tafel lag. Regelmatig keek ze op, steeds met een blik waarin iets van hoop schemerde, hoop die echter vooralsnog bleef afketsen op inspecteur Weermoedts zwartgejaste rug, en daarom maar doorgleed, naar de digitale klok aan de wand en terug naar het papierwerks vóór haar. Het was al half vier, en het werd steeds later. De ouwe PC op het metalen bureautje onder de klok was al in slaap gevallen en droomde op zijn scherm kleurige plaatjes: onder een staalblauwe hemel stonden twee lege ligstoelen, in de schaduw van een palmboom op een verlaten strand aan de stillome branding van een verre oceaan. De stoelen stonden lichtjes gedraaid, zodat de één tot de ander neigde. Er sprak rust en áándacht uit die stand. Het kostte Carole dan ook maar heel weinig moeite zichzelf in de linkerstoel te zien, haar hand in die van Jules, die in de rechter zat, steeds nog met die zonnebril op, maar wél, ha!, zonder dat eeuwige zwarte kostuum …
Buiten zwol het ronkende zwaaien van de rotor van een helikopter aan.
Dat geluid leek inspecteur Weermoedt uit zijn gepeins te wekken.
Hij draaide zich om.
Driftig begon agente Vandenbroeck in de papieren te bladeren, alvorens, maar toch nog nét iets te snel en te willig, bedacht ze zelf later, haar blik weer op te slaan en hem aan te kijken.
“Wat zijn de feiten? Wat kunnen we doen?” vroeg de inspecteur. “Is er een spoor van die anonieme beller?”
“Nee, inspecteur. Geen aanwijzingen die naar een persoon zouden kunnen leiden. Enkel het tijdstip en de duur van het gesprek. De omgeving rond de cel is onderzocht, maar er wordt daar veel en druk gebeld. Sporenzekering heeft er niets kunnen vinden dat ons verder kan helpen.”
“Identiteit van het slachtoffer?”
Even duwde Jules Weermoedt zijn zonnebril op zijn voorhoofd en een paar seconden lang keek hij Carole met blote ogen aan. Lang genoeg om haar te doen blozen. Hij glimlachte lichtjes toen hij zag hoe ze snel haar blik diep in het dossierpapier verstopte.
Hij liet zijn bril weer op zijn neus zakken.
“Onbekend nog, insp …”
“Zeg maar Jules,” onderbrak hij haar. “Jules. Met de jéé van Julius … We zitten nu samen in dit schuitje, Carole. Dat ge-inspecteur hoeft voor mij niet, hoor.”
Hij lachte, en Carole begon nog harder te blozen.
Ze werd er zowaar driftig van.
“On-be-kend!” zei, met meer nadruk dan ze eigenlijk had gewild. “Er zijn geen papieren gevonden, noch bij het slachtoffer, noch in de directe omgeving. Onder de als vermist gemelde personen is er niemand die aan haar signalement voldoet. Maar dat kan natuurlijk nog veranderen. Ik bedoel … het is allemaal per slot nog niet meer dan ruim vierentwintig uur geleden geschied. We hebben ondertussen wel haar signalement en foto landelijk doorgegeven, en ook interpol is op de hoogte van het gebeurde.”
Weermoedt knikte goedkeurend en tikte terloops op de spatiebalk van het toetsenbord van de PC. Carole zag toe hoe op het scherm haar tropische dagdroom plaats maakte voor federale formulieren.
Ze zuchtte maar bleef zakelijk.
“Ons enige serieuze aanknopingspunt … Jjjj-ules …,” zei ze, “is de Cadillac.”
De inspecteur keek op. Verbaasd. “De … Cadillac … ?” vroeg hij.
Carole was in haar nopjes. Daar had dat mooie inspecteurtje niet van terug. Nu stonden ze quitte. Die kaart had ze nu eens wél goed gespeeld.
“Jawel … In. Spec. Teur …” vervolgde Carole. “Een ouwe Cadillac …”
Jules wuifde ongeduldig met beide handen. Hij wou méér horen, en snel.
“Ik heb vanochtend het personeel van het wegrestaurant dat gisteren in de ochtenduren en vroege middag dienst had ondervraagd. Eén van de serveersters herinnerde zich een wat lompe, vadsige man van middelbare leeftijd, die in klaarblijkelijk beschonken staat rond een uur of één, twee bij haar patat, een bal gehakt en twee halve liter blikken pils bestelde. Een Nederlander, zei ze, aan de spraak te horen. Toen hij het etablissement weer verliet keek ze hem na. Want, zei ze, ze vroeg zich af of die man in zo’n toestand achter het stuur van een auto zou kruipen; en dat ze zich zelfs had voorgenomen om, mocht dat het geval zijn, daar een stokje voor te steken; bijvoorbeeld door de rijkswacht te verwittigen. Maar, zei ze, op de parking kwam de kerel samen met een jonge vrouw. Een jaar of vijfentwintig, schatte ze, met donker lang haar, aan de rossige kant. Schaars gekleed, maar ze nam aan dat de dame haar jas nog in de wagen had liggen. Wel droeg de vrouw een handtasje. Samen stapten die twee in een ouwe Cadillac, met Nederlands nummerbord. Het nummer heeft ze niet genoteerd. Want de jonge vrouw bleek te chaufferen. Dat was de bob, zei ze, en daar was voor haar de zaak mee af. Tot ik haar vanochtend vroeg of er gisteren soms iets bijzonders voorgevallen was had ze niet meer bij die twee daar stilgestaan …”
“Hoe wist die serveerster dat de wagen een type Cadillac was?”
Inspecteur Weermoedt leunde met de toppen van zijn vingers op het tafelblad. Hij wipte van ingehouden opwinding.
“Vanwege d’r vriendje,” antwoordde Carole. “Dat is een liefhebber … van ouwe Amerikaanse auto’s … Bovendien van het soort dat zijn verloofde te pas en te onpas meesleept naar shows en veilingen en al wat er anders maar met zijn liefhebberij van doen heeft.”
“En?” vroeg Weermoedt verder, “De foto …?”
“Natuurlijk laten zien,” antwoordde Carole. “… maar … ze was niet honderd procent … van een ‘heel wel mogelijk’, via ‘ik denk het’ tot tenslotte een ‘ja, hoogstwaarschijnlijk, dat is de vrouw’ … maar de afstand, hè, zo van achter de ramen in het restaurant … ze zal er niet op durven zweren, ben ik bang… Ze komt morgen wel,” vervolgde ze, “naar het bureau om méér foto’s te kijken, en wellicht dat we dan ook een robotprentje van de man weten te maken … als hij al niet in het systeem zit … inspecteur …”
Jules keek agente Vandenbroeck even aan, maar hij vroeg verder: “Had die serveerster die vrouw eerder daar gezien?”
“Heb ik ook naar gevraagd. Maar ze zegt van niet. En dat ze er vrijwel zeker van is dat, mocht ze die dame wél eerder in het restaurant of in de buurt gezien hebben, ze zich dat zou herinneren … Zo zijn vrouwtjes, hè?” voegde Carole er nog aan toe, en ze lachte fijntjes.
Jules Weermoedt lette er niet op. Hij sloeg zijn handen op zijn rug en begon tussen ramen en tafel te ijsberen.
“Een ouwe Cadillac! Die is zo boven water. Die rijden er niet in bosjes. En met een Nederlands kenteken. Ha! Ouwe Hollandse Cadillacs, die draaien de collega’s van over de grens op één velletje voor ons uit. Alle eigenaars bezoeken! Die gaan zich nader verklaren!”
Hij lachte. Dat had iets heel ontwapenend.
“Wat dacht U van een borreltje, agente?” vroeg hij. “Volgens mij hebben we dat wel verdiend …”
Carole knikte, aarzelend. Met een mondje half open likte ze even langs haar droge lippen.
Ze smolt een beetje.

De tweede dag kwam Ron Zevester vroeg uit de veren. Hij verbaasde zichzelf over de daadkracht waarmee hij die ochtend van zijn bed sprong. Hij gooide de luiken van zijn hotelkamer open, stapte onder een ijskoude douche, en zat als een van de eerste gasten beneden in de ontbijtzaal aan.
Niet veel later stapte hij met een idee van ‘het is nu of nooit’ de deur van het hotel uit, midden in de vroeg-drukte van een grijze Parijse ochtend, en liep naar de plek waar hij bijna anderhalve dag eerder zijn ouwe Cadillac had geparkeerd. Omdat hij natuurlijk zo laat ’s nachts in de buurt van het hotel geen vrije plek gevonden had, stond die een heel eind verderop, aan de andere kant van de boulevard Voltaire en nog voorbij zelfs de boulevard Richard Lenoir, in de rue de la Folie Méricourt, ergens halverwege rue Oberkampf en rue Saint Ambroise. Al vanaf een afstand zag hij haar staan, zijn voituur … én het wapperende langwerpige papiertje waar hij al bang voor was geweest, geklemd achter één van de ruitenwissers. “Shit, merde en dan weer shit!” dacht Ron Zevester. “Maar ik had het kunnen weten, natuurlijk, stomme klootzak dat je daar bent!”
Vanzelfsprekend dat je je wagen niet een volle dag en avond onopgemerkt onbetaald midden in een drukke Parijse woonwijk geparkeerd kunt laten staan. Dan is één zo’n blaadje nog coulant – dat had hij vast en zeker aan zijn buitenlandse kenteken te danken – en zijn de geldboetes bovendien vergeleken bij de bedragen die door Parkeerbeheer in, zeg, Amsterdam uitgeschreven worden nauwelijks meer dan een schouderophalen waard.
Maar daar ging het niet om.
Waar het wel om ging, was dat zijn Cadillac gesignaleerd was. En het kenteken op dit moment door de bureaucratische molens ging.
Zevester voelde hoe er zweet op zijn voorhoofd klamde.
“Ik moet van die wagen af, af!” besloot hij. “Nu. Van die wagen af!”
Hij stapte in, gehaast, hoewel hij er nauwelijks een idee van had wat er, nu, midden in Parijs voor mogelijkheden waren om zich te ontdoen van een ouwe Cadillac …
Toen de nog altijd krachtige motor met één draai van de contactsleutel brommend tot leven kwam, wist Ron Zevester dat er dit keer toch écht geen terug meer was. Voorlopig althans. “Ik ga héén … maar waar?” mompelde hij, en hij moest er nog om lachen ook. Boven op het dashboard, tegen de ruit, stond een blauw plastic speelgoeddraakje. Dat was hem eerder nooit opgevallen. “Vreemd,” dacht hij, “waar komt dat nou weer vandaan?” Hij stopte het in zijn broekzak en deed de radio aan.
Het was verkeersgewijs een rustige dag in het Parijse, hoorde hij. Alles ‘fluide’, alles stroomde, en men ging op z’n gemak heen waar men maar wilde.
Op de kruising van de avenue Parmentie en de avenue de la République draaide Zevester rechts de rue Oberkampf in, om na een meter of tien twintig achter een stapels kartonnen dozen afleverende vrachtwagen weer tot stilstand te komen. Terwijl hij daar zo stond en de omroeper op de radio enthousiast de lokale weersvooruitzichten verkondde, viel zijn oog op een reepje leer, dat vanonder zijn stoel tussen zijn voeten stak. Hij boog zich voorover, om er aan te trekken, maar achter hem werd ongeduldig getoeterd. Hij zag in zijn zijspiegel hoe men gebaarde dat hij toch gerust nu om die vrachtwagen héén kon … Ron stak zijn hand op, ten teken dat hij het begrepen had, en hij gaf gas.
Toen hij de lossende vrachtauto voorbij was, trok hij, met zijn blik steeds op het drukke verkeer op de weg, iets van onder de stoel te voorschijn. Hij slingerde het naast zich. Toen pas kon hij er naar kijken, hoewel hij al min of meer gevoeld had wat het was.
Zijn hart bonsde, en wéér klamde er zweet op zijn voorhoofd.
Het was een handtasje.
Een damestasje.
Van leder.
Ron Zevester keek van de weg opzij naar het tasje, en weer naar de weg. Dan weer naar het tasje. En weer terug.
Vóór hem golfde de rue Oberkampf met in haar verlengde de rue de Ménilmontant steil op naar Belleville en verder, kaarsrecht en smal als het spoor van een roetsjbaan, hakkelig omlijst door meest slecht onderhouden gebouwen van diverse grootte en allooi die hem in het dompige grijs van de ochtend toegrijnsden als evenzo grijze wachters en hem voortwuifden: naar daar hoog aan de verre einder, naar het grijs van alles samen.

Hij had er zo in willen verdwijnen.

– wordt vervolgd –
Moois van Harsman

J. K. Harsman

[ The Wire Tapper #11 ; Tomas Phillips ; “On dit” ; The Lounge Lizards ; Caravan ; ‘In the Land of grey and Pink’ ]

About j.k. harsman