Henrik Henegouw

Van vroeger een fee – Start- en staartloos op een ziekenzaal – Tijd is een illusie – Splinternieuw schoeisel – De loop op – Verdur.
“Parijse ziekenhuizen zijn altijd zo smerig,” verzuchtte Henrik Henegouw.
Viriginie keek om zich heen. Het viel eigenlijk wel mee, vond ze. Hier en daar bladderden er vlakjes grijsbeslagen verf van de muren, en de lage, smalle ramen, neen, die werden zeker niet wekelijks gelapt. Delen van de vloer waren stukgeboend en de verrijdbare bedden vertoonden vale plekken van het werkzweet in de palmen van onversaagde, maar meestentijds net zo overvráágde, verpleegstertjeshanden die de metalen spijlen en rekjes altijd routineus gehaast hanteerden, blutsen van het botsen in liften, en krassen van het schuren langs muren en hoeken bij transport van steeds weer een volgende patiënt door de lange smalle gangen. Maar het beddegoed was kraakhelder, evenals het sanitair. En dat, per slot, was wat telde. Toch zei ze niks. Ze knikte Henrik enkel bemoedigend toe.
“Vroeger, … althans … dat …” vervolgde deze, en hij keek er bijna smachtend bij, als naar iets heel, heel verleidelijks waar aankomen op straffe van veel pijn verboden was, “denk ik … kend’ ik een fee die soms zo maar iets beginnen deed: bonbonnetjes die als vlinders door het donker van mijn slaapkamertje zwoven, in glimmend knisperrood gewaad. Of bolle bellen die flonkerden als kristal.”
Virginie streelde zijn hand, die in de hare lag.
Er stonden drie beddden in de kamer. Het bed links aan de raamkant en het bed rechts bij de deur waren onbezet; merkwaardig voor een groot hospitaal midden in zo’n stad, vond Virginie.
Henrik Henegouw bezette het middelste.
Het was vroeg op de avond. De deur naar de gang stond op een kier. Van buiten klonk af en toe het stappen van iemand die voorbijging, steeds gevolgd door een gesmoord klaaglijk roepen uit de kamer aan de overzijde: “Docteur, docteur! …. Docteur! … … Infirmière! … “ Binnen drong door de wanden aan beide zijden het geluid van téléviseurs afgestemd op verschillende kanalen, en klonk het regelmatige biepje van het apparaat dat Henriks hartritme controleerde. Schijnbaar, want er zaten twee elektrieke draadjes aan, verbonden met electroden die op zijn borstkast geplakt waren. Uit een doorzichtig zakje dat ondersteboven boven aan het haakje van een soort hengel hing die op een spijl linksachter zijn hoofdkussen was geschroefd druppelde een waterheldere vloeistof in een dun plastic buisje dat uitmondde in een naald die, onder twee kruisende pleisters, in Henriks arm stak. In dat zakje ging afwisselend iets opwekkends en iets dat verdoofde, wist Virginie. Zoveel had de verpleegster die het een kwartiertje geleden was komen verversen haar wel willen vertellen. Doktersvoorschrift, had ze gezegd, met een wat achterdochtige, onderzoekende blik, en of mevrouw soms familie was? Toen Virginie dat ontkende en “…nee, hoor, een kennisje …” zei, had het meisje haar schouders opgehaald en was ze snel weer vertrokken.
“Gaat het?” vroeg ze bezorgd.
Hij knikte. “Het gaat wel.”
“Weet je dat het me bijna drie dagen heeft gekost om er achter te komen waar je ergens zat ? Toen ik maandag nog steeds niets van je gehoord had en je aldoor maar niet thuis gaf ben ik gaan bellen. Ik wist dat er iets aan de hand moest zijn. Maar waar begin je in zo’n geval, hè?”
Henrik glimlachte.
“Een begin is als een eind,” zei hij. “Die zijn er enkel voor de ander. Zelf ben je er altijd zonder, zonder begin en zonder einde. Start- en staartloos. Realiseer je je dat wel? Vind je het geen troost, Viriginie, dat je nooit aan je einde zult komen? Je kunt daar niet bij. Je komt er niet aan toe. We zijn allemaal naar twee kanten toe onbegrensd: eindeloos, en bovendien zonder begin. Dat is bewustzijn.” Hij zuchtte. “Vreemd trouwens dat er daar geen woord voor is, voor zonder begin zijn … Daar moeten we lering uit kunnen trekken, denk je niet?”
Virginie keek hem aan.
“Niks gebroken?” vroeg ze.
Henrik schudde zijn hoofd. “Een wonder, zei zo’n donder van een dokter. Een wonder! Wat weet zo’n man nou van wonders … Maar nee …” Hij bewoog even met allebei zijn armen en tilde één voor één zijn benen op. “Alles is nog heel …”
“Je moest eens weten wat er in de stad wekelijks aan slachtoffers van ongevallen naamloos in al die ziekenhuizen wordt opgeslagen. Ik geloof dat ik ze bijna allemaal heb moeten aanzien, voor ik jou tenslotte híer boven water kreeg … ‘incident couloir métro’ … Toen ik dat beneden op de lijst las, wist ik dat ik goed zat … eindelijk … Maar hoe lang lig je hier al niet? En waarom laten ze je niet gaan, als je niks gebroken hebt, als je ‘helemaal heel’ bent, beertje? Voel je je wel goed? Wat hebben ze je gezegd?”
“Verdoofd …” zei Henrik Henegouw, en hij sloot even zijn ogen. “Ik rende weg door de gang, en toen kwamen er metrostellen van beide kanten. Snel eerst, maar toen al langzamer en langzamer, met een krassen en piepen dat door merg en been sneed. Ik sprong opzij, maakte mezelf dun, drukte me zo dicht mogelijk aan een zijwand, en hoopte dat ze snel voorbij zouden gaan. Maar allebei die treinen stopten, zij aan zij met elkaar en met mij, en ik zat klem. Vervolgens begon de metro aan mijn kant ook nog eens te zwellen, als een ballon tegen mijn borst te drukken, mijn rug tegen het koude beton …”
De piepjes van het hartmeetmachientje hakkelden even, en versnelden toen. Virginie legde haar hand op Henriks voorhoofd. Hij zweette, maar voelde koud.
“Rustig, hoor je, beertje … Je vertelt het me later …”
Henrik haalde diep adem.
“Er valt zo weinig te vertellen,” zei hij. “Ik was daar. Toen was ik hier. Net als jij nu. Maar ook droomde ik. Van een kelder en een huis en een kamer met een man en een contrabas … Ze gingen ergens over, die dromen,” vervolgde hij, fluisterend nu, ” … over mezelf, denk ik. Zonder begin kwam ik, Henrik Henegouw, nergens uit te voorschijn; hij ziet bolle belletjes, bijvoorbeeld, en bonbonne vlindertjes, en van alles meer nog om woorden bij te leren; van daar af gaat het dan al maar sneller, toe naar iets dat hij zelf niet kennen kan, en ook niet her-kennen … maar als hij er eenmaal is geweest, dan is alles verder enkel nog een kwestie van traagheid, een dóór naar een nergens waar hij zonder einde weer in verdwijnen kan … Tijd is een illusie, zeg maar. Alles is plaats …”
De voetstappen buiten op de gang stopten dit keer bij Henriks kamer. “Docteur! …” klonk het weer klagelijk van de overzijde, en op vrijwel datzelfde moment verscheen het hoofd van een wat ouwere, strenggeblikte verpleegster in de kier van de deur. “Mevrouw …” zei ze. “Het is hoogste tijd. Mag ik U verzoeken het hospitaal te verlaten? Meneer heeft veel rust nodig. Dat zijn de voorschriften …”
Virginie knikte lachend. “Ik stap zo op, hoor, zuster!” zei ze geruststellend.
Terwijl de voetstappen van de verpleegster zich, vergezeld van een langgerekt “Infirmièèrrreee … !”, weer verwijderden, boog Virginie zich naar Henrik toe.
“Ik ga,” zei ze. “Maar jij gaat met me mee! Ik vertrouw het niet. Iets is er niet in de haak. Waar zijn je kleren?”
Henrik wees naar een smalle hoge kast die tegen één van de wanden stond. “Daar in die kast … geloof ik …”
Virginie trok de deurtjes open en haalde een stapel keurig gevouwen goed te voorschijn: hemd, trui, broek, sokken, schoenen, regenmantel … Ze legde het op de stoel naast zijn bed.
“Zou je niet zeggen, dat je daarmee in zo’n smerige metrogang gelegen hebt … Gereinigd, gestreken, gewreven en wel, hè? Service, hoor! Ik had je dat zelf laten doen, hoor, beertje,” lachte ze. “En nu vooruit, trek die malle draden van je lijf, en kleed je aan!”
Henrik deed wat hem gevraagd werd. Hij haalde de twee electroden van zijn borstkast, maakte de pleisters op zijn onderarm los, en trok met een pijnlijk gezicht de naald eruit. “Ai!,” zei hij. Er verscheen een klein rood rond knikkertje bloed op de plek waar de naald had gezeten. Viriginie rommelde wat in haar handtas en haalde een papieren zakdoekje te voorschijn. “Hier, duw dat er maar even op, dat bloeden houdt zo wel weer op.”
Wat onwennig en een beetje duizelig sloeg Henrik Henegouw zijn benen over de rand van het ziekenledikant. Hij pakte het hemd van het stapeltje kleren dat Virginie op de stoel had gelegd.
Hij vouwde het open, hield het omhoog in allebei zijn handen, draaide het om, bekeek het. Hij legde het weer neer, naast zich op bed, pakte toen de trui, de broek, de sokken …
“Dat zijn mijn kleren niet,” zei hij. “Nog nooit gezien, die spullen …!”
“Nou ja, dat doet er nou niet toe. Als het maar past …”
Henrik trok het hemd aan, de sokken, de broek … piekfijn … alles zat hem als gegoten, tot aan de splinternieuwe bruinleren italiaanse schoenen toe.
“Lekker,” zei hij. “Ik voel me stukken beter al …”
“Wacht jij nou eerst nog even hier, dan kijk ik of de kust veilig is. Ik roep de lift op. Kijk af en toe om het hoekje van de deur. En als ik je een teken geef, dan kom jij. En geen kabaal, hoor, beer!”
Virginie trok haar jas aan.
Op de gang was het rustig. Twee verpleegsters zaten een stukje verderop, in een kantoortje halverwege de gang, naar een televisietoestelletje te kijken. Pas toen Virginie kuchte keken ze op. Virginie groette en liep door.
De lift bevond zich op een meter of tien, vijftien van de deur van Henriks kamer. Ze drukte op het knopje, en een groen lichtje begon te knipperen. Even later schoven de deuren open, met de hoge ‘ping’ van een belletje. Virginie zag Henriks hoofd, dat om het hoekje van de deur stak. Ze wenkte met een vinger, en legde die vervolgens op haar lippen. Zachtjes, maar gehaast, liep Henrik Henegouw dicht langs de gangwand naar haar toe, zijn gezicht half verborgen achter de hoog opgeslagen kraag van zijn nieuwe regenmantel. Samen glipten ze de lift in. Viriginie drukte op het knopje ‘RC’ … ‘rez-de-chaussée’
Gelukt …
Verder was er natuurlijk geen kunst meer aan. Virginie gaf Henrik een arm, en zo stapten ze samen door de gangen naar de hoofduitgang, als elk ander paartje onderweg terug van het een of andere ziekenbezoek.

Buiten miezerde het. Ze liepen naar een taxi standplaats, en stapten achter in de eerste wagen. “La Défense,” zei Virginie. De bestuurder knikte bevestigend, en reed weg.
“Gaat het?” vroeg Virginie.
Henrik knikte. “Het is nog even wennen, maar het gaat wel.”
Hij streek langs de panden van zijn jas.
“Niet gek, hè?” lachte hij. “Beter dan dat ouwe afgedragen ding van míj … Zo zie je maar …”
Terwijl de wagen de Parijse ringweg opdraaide tikten op het groenverlichte schermpje van de taximeter de euros langzaam weg. Elk verzonken in hun eigen gedachten keken Virginie en Henrik door de zijraampjes naar de bontverlichte woon- en kantoorblokken die opzij van hen langs de weg voorbijflitsten.
Toen Henrik zich omdraaide omdat hij iets tegen Virginie wilde zeggen, voelde hij plots iets in de binnenzak van zijn jas tegen zijn borst prikken. “Krijg nou wat!” mompelde hij, toen hij een Nederlands paspoort te voorrschijn haalde, net zo fonkelnieuw als de regenmantel waar het ingezeten had. Hij stootte Virginie aan.
“Moet je zien …”
Henrik sloeg het boekje open, stug nog van nieuwheid. De neon wegverlichting die door de ramen van de taxi viel trok gekleurde banen over de lege visa-pagina’s van het paspoort, en tenslotte over de identiteitsgegevens van de drager. Van het geplastificeerde fotootje grijnsde een nonchalant ongeschoren Henrik hen guitig toe, hoewel Henrik zelf zich het bestaan van precies dát prentje niet herinneren kon. Je kende ze toch, je eigen pasfoto’s? Deze zei hem niks. Maar hij was het, dat was wel zeker. En de foto moest recentelijk genomen zijn.
Het reisdocument was afgegeven door de burgemeester van Amsterdam, nog maar vier dagen geleden, als je de datum mocht geloven.
Samen lazen ze de naam/surname/nom, en de voornamen/given names/prénoms: ‘Zevester’, stond er. En: ‘Ronaldus Antonius Maria’.
Henriks mond viel open. Hij was sprakeloos.
Virginie kneep hem in zijn bovenarm. “Ik zei het je toch? Ik wist het wel, dat er iets niet klopt …”
Terwijl de taxi de ringweg weer verliet, draaide de bestuurder zich om. “En nu?” vroeg hij.
Virginie keek Henrik aan, en toen de vragende taxichauffeur.
Ze zuchtte.
“Verdur,” zei ze. “Almaar verdur …”
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman

J. K. Harsman

[ Raudio #03 – “3 (Drie/Three)” ( http://raudio.park.nl ); Gunshop – “this helps radar, really”; John Coltrane – “A love supreme”, “Black pearl”; Friedrich Nietzsche – “The Piano Music of”; DJ Dangermouse – “The Grey Album”; The Ronettes – “The best of” ]

About j.k. harsman