Henrik Henegouw

Henrik Henegouws gebaar – Het leven veegt alles van tafel – Een hondje met een wondje – Ridders met twee geslachten


[ uit Henrik Henegouws “Notitieboekjes, dungepunt volgeschreven” ]

(janvri 21/ochtend, 2008 (?))

‘ … Alle kranten schreven er de volgende dag over …
Ze kopten: “Het Gebaar”.
En ze zetten dat groot en donker. Met foto. Waarop je zien kon hoe ik mijn rechterarm voor mijn ogen sloeg. Of misschien dacht men dit: dat ik mijn gezicht in die arm verborg … een gezicht dat in die beweging naar de arm toe neigde en dat daarbij iets naar voren en naar rechts toe boog. Alom werd “het gebaar” uitgelegd als: deemoed.
“Henegouw buigt hoofd in rechtzaal”, stond er ergens.
Een teken van onderschikking.
Rechters stellen dat op prijs.
Deemoed.
Onderschikking.

Nee, kwaad heeft het gebaar me niet gedaan.
Het was mooi meegenomen, zeg.

Maar in werkelijkheid sloeg ik die arm voor mijn ogen omdat ik op dat moment aan een ruitenwisser dacht. En aan de ruit van een personenauto, ’s avonds in de regen op een verlaten snelweg, ergens midden in het Franse. Vervolgens dacht ik aan die ruit en wisser samen, en toen aan de veeg als aan een metafoor voor ons leven.
In het vervolg van mijn gebaar wiste ik dan ook daadwerkelijk even, om de mechaniek van het beeld te voorvoelen.
Maar toen waren die headline plaatjes al geschoten, natuurlijk.
Ach, alleman tevreden en hop. Het zij zo.

Maar …
De veeg.

Ik dacht aan de veeg als aan een vloeiende beweging vanuit een positie van rust, absoluut. Heel erg. In haar begin zit veel fonkel en glitter (druk van de arm op de ogen). Even lijkt het wel kermis voor altijd. Maar als de veeg eenmaal op gang komt blijft daar al snel niks meer van over. De fonkel verfletst en de glittertjes doven, terwijl de snelheid alleen maar toeneemt.
Tegelijkertijd begint zich op de arm van alles en nog wat af te zetten – veel dat er al was (dat al op de ruit zat, je bent daar mee geboren); maar vooral ook van alles dat met het verstrijken der dagen zo maar aan kwam waaien, zonder dat je er om gevraagd had; en allemaal kon het niet anders dan in die Úne veegbeweging … mee.
Het is een ¾p ¾p ¾p, vol energie.
Zo is dat.
Die veeg is je leven.
Het is jouw beweging die de wisser onherroepelijk naar dat hoogste punt brengt. De top, de sommet … Het staat er al: want ‘som’ – dat is: allemaal samen. Het is daar ook dat die wisser zo lekker recht omhoog staat en naar het verre boven wijs. De summit – die, nog voordat je er goed en wel erg in hebt, alweer voorbij is. Eigenlijk zou je alles in het werk moeten stellen er nooit te komen. Want heeft de wisser dan die top bereikt, dan schiet-ie door, dat is de wet van de traagheid. En alles wat je in die ¾p-veeg vergaarde druizelt er in de d¾wn-veeg in minder dan een oogwenk weer vanaf.

Zo veegt de veeg het allemaal weer van tafel.
Daar is het nou eenmaal een veeg voor.

Dat dacht Henegouw, toen Henrik zijn gebaar maakte.

En ik werd stil van die gedachten en bleef nog even door peinzen. Maar dat allemaal was geen deemoed, geen onderschikking.
Het was het wikken van een beeld.

Uiteindelijk heb ik het, denk ik, toch te licht bevonden.
Want eigenlijk is het een beetje een klote beeld.’

maars 8, 2007)

‘Links heeft met rechts niks te maken. En allebei staan ze los van het midden. Met verleden, toekomst en heden is het net zo. Want toen het nog een dagje maar met Rita aan was en we het enkel een eerste keer achter in d’r auto en koud een uur later nog een tweede keer op een ouwe plaid in de Kennemerduinen gedaan hadden trok ik bij haar in. Voor even maar, hoor. Bij mij werd die week de keuken verbouwd, en ook het toilet werd vevangen. Uit logeren dus. We hadden dat die nacht in de kroeg gelijk zo besloten. Spijkers met koppen. Ook zouden we snel een paar dagen met zijn tweeën naar Frankfurt-am-Main … Zo gauw we een goede reden konden bedenken om naar Frankfurt-am-Main te gaan.

Maar zover was het toen nog niet.

Eerst maar eens even de tijd nemen om haar werk goed te bekijken, dacht ik.

Rita schreef.

Ze deed dat met passie en met de hand, op vellen geschept papier. Een groot deel daarvan was op de zachtboardplaten geprikt die de muren van haar woonkamer bedekten. Honderden waren het er, allemaal fijntjes handgeschreven; met een eerste zin die boven haar witte bank hing, op een vel dat er uitsprong, wat groter dan de rest, opvallend apart.

“Met veel precisie heb ik gewerkt.”

Het stond er. In rood.
Niet meer. Niet minder.

Het beloofde wel wat, vond ik.

Maar het was geen makkie om die aan de wanden geprikte vellen tekst te lezen. Bovendien werd ik continue gehinderd door dat irrante uitschot van een hondje van d’r. Daar had ze me eerder niks van gezegd, natuurlijk. Gedverdemme, wat me dat een smeerbeest was, zeg … een hondje met een wondje bovendien, vettig en huidziek.
En de godsganse tijd hapte dat mormel me naar de voeten.
“Wat is-t-ie speels, hÞ?” zei Rita vertederd, “oh, zo’n lekker diertje van me toch!” En ze kroelde het beest daarbij onder zijn buik, wreef met haar handpalm over zijn piemel en krabde ‘m als klap op de vuurpijl met d’r lange nagels een tijdje nog achter en onder zijn ballen ook. Ik lachte er wat hikkerig bij. Maar elke keer dat ze effe niet keek probeerde ik het beest flink met de punt of de hak van mijn schoenen in zijn kruis te raken …
Smeerbeest!
Maar Rita was stapeldol op dat vulbakmormel … Ik kon dus beter met geen kwaad woord over het diertje reppen, want dan lag ik er uit. Dat was wel duidelijk. Zo iets voel je. En omdat ik onderhand wel weer trek in Rita kreeg deed ik maar alsof ik het ook wel geinig vond, al dat kwijlerige gebijt en daarbij om de haverklap ook nog eens mijn goeie broek door die loopse vetjans bereden te krijgen …

Erg veel wijs ben ik uit haar manuscript dan ook niet kunnen worden.

Zware kost wel. Want wat zou in hemelsnaam exomofilie zijn?

Boven Rita’s bed hing een reusachtige kaart van Nederland die met honderden halve pingpong-balletjes beplakt was.
“Zelf gemaakt,” verkondde ze trots.
Er was een knopje waarmee al je die balletjes ÚÚn voor ÚÚn kon laten oplichten.
Ze deed het me voor.
Ik moest denken aan een kerstmis in Straatsburg, lang her. En dat het wel verdomd veel pingpongballetjes waren …!
“Ieder van die balletjes komt van een ridder; en al die ridders daar heb ik genaaid,” verklaarde Rita. Ze woog daarbij glimlachend haar borsten, ÚÚn in elke hand. “Sommigen van die kerels hadden wel twee geslachten,” fluisterde ze me toe, en ze knipoogde.

Ik gleed daarop snel weer van haar bed af.

“Ik trek even een truitje aan!”, zei ik. “Het is wel erg koud, hÞ? Jij wilt er vast ook wel eentje, niet, lekkertje?”

In de woonkamer speelde de televisie nog. Iets laats met veel leersex en laarzen, maar dat kon me niks schelen. Ik kleedde me zachtjes aan en glipte toen de keuken in. Ik pakte een fles wijn uit de koelkast en tipteende daar toen gauw de trap mee af.
De deur uit …
De straat op …
Naar huis toe … ‘
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman

J. K. Harsman

[ Cosmodrone – “Cosmos 2005” ; La Société des Timides aux Paradis des Oiseaux – “L’enciversel Marsac” ; Will Guthrie – “Spear” ; Caravan – “In the land of grey and pink” Faust – “Rien”, “You know us” ; Timothy Leay & Ash Ra Tempel – “Seven Up” ]

About j.k. harsman