Henrik Henegouw

Alloch- en autochstroompjes – De dochter – Walter – Hatsu-Kobo
[ uit Henrik Henegouws “Notitieboekjes, dungepunt volgeschreven”]

(mei 01, 2007)

‘Zomaar in de wilde weg stapte ik in de eerste de beste bus die op mijn wenken stopte. Omstanders juichten, schreeuwden, floten en stampten met hun voeten. De chauffeur grijnsde, en tikte beleefd met twee vingers tegen de klep van zijn muts.
“Daar gaan we!”
De bestemming lag wijd weg, ergens in Afrika, maar het ging allemaal razend snel. “Ik ben de tropencocktail vergeten!” dacht ik nog. Maar we hielden nergens halt, er was geen kaartjescontr¶le en er vroeg ook niemand naar mijn paspoort.
Het land waar de bestuurder tenslotte aan de grens de deuren weer voor me openzette was niet meer dan een groot rechthoekig junglebad, met betonnen randen waar flink de rot in zat, en waar her en der gevaarlijk roestig spijkers uit opstaken. In dat land, daar woonden, denken en deden enkel stromen. Ik beklom een ouwe ijzeren ladder, en stapte in het bad. Was toen gelijk een allochstroompje, dat zich als sprak het vanzelf bij een ander groepje allochstromen voegde. Kopje onder en wat onwennig vloeiden we in gesloten formaties door het immense bad. Trappelend. En dan, ho!, voorzicht… Want overal om ons heen waren er autochstromen, die zwijgend toekeken, en natuurlijk veruit in de meerderheid waren. Af en toe liet ÚÚn van de ons zich door zo’n autochstroompje verleiden. Die werd dan gelijk meegesleurd, naar diepten waar je toch zo ÚÚn, twee, drie niet meer uit op wist te duiken.’

(augustus 08, 2006)

‘Gisteravond weer naar cafÚ-biljart De Kroon, net even over de grens. Het was er vrjwel helemaal leeg, op twee biljarters en de zoon en dochter van de eigenaar na. Die bedienden om beurten, en zetten zich daarna ieder weer aan een tafeltje bij het raam. De jongen heeft het schilderen er aan gegeven. Hij schrijft tegenwoordig, voor ‘De Morgen (Rood)’. Dat doet hij aan dat tafeltje bij het raam in de kroeg van zijn ouders. Nu ook. Af en toe leest hij hardop een stukje voor. Voor ieder die het maar horen wil.
“En dan zet ik hier: ” roept hij, ” … ‘Kreeg een brief van Patinka. Thuis verloopt alles naar wens.’ … Dat raakt dan net even die wat persoonlijkere noot, vind je ook niet?”
De dochter zwijgt en bladert een stapel tijdschriften door. Vol met sterren, glamour, eettips, mode en televisie erotiek. Ze drinkt langzaam maar ononderbroken sherry en moet er steeds bij zuchten.
Ik haal een notitieboekje te voorschijn, om het allemaal dungepunt te beschrijven.
Tegen sluitingstijd komt de dochter op me af. Ze kijkt me aan en schudt haar borsten.
“Ik ben een boek aan het lezen,” zegt ze, “maar ik heb het per ongeluk dichtgeslagen, en nu weet ik niet meer waar ik ben gebleven à”
Ik verzeker haar dat ze aan het juiste adres is. Voor dat soort zaken heb ik het oogje. “We komen er wel uit,” zeg ik. “Laat jij mij dat boekje maar eens zien, meid …”
Niet veel later neuk ik haar op het logeerkamertje boven. Veel trek had ik er eerlijk gezegd niet in. Ze was onsmakelijk dik – met overal van die hompen vlees die kwebbelen en lebberen – maar nat als een spons die net uit een emmer vol lauw water komt. Ze draait zich wellustig van de ene naar de andere kant van de gammel krakende twijfelaar, en ik ram er een tijdlang flink op los, van achteren en van voren, dan weer van achteren; omdat ik dat het lekkerst vind. Maar klaar komt er niks, en ik val tenslotte uitgeput in een diepe slaap.
Droom daar dat we samen midden in zee op een zandplaat stonden, tot aan onze schouders in het water. Om ons heen hapten, driftig als piranha’s, honderden overmaatse goudvissen – de meeste verkeerden in zo’n verregaande staat van ontbinding dat je dwars door de graten heen kon kijken. Mij kregen ze niet te pakken. Maar de dochter, die ging er mooi aan …
Later kom ik op de rijksweg Walter tegen, die daar met zijn dieren aan de wandel is. Hij verhaalt van Carlos, een wilde Italiaan, die hij lang geleden in De Kroon ontmoet had, maar daarna weer uit het oog verloor. Sinds kort is dat contact weer hersteld. Ik knik bemoedigend, en geef hem een vriendschappelijke klap op zijn schouder. Zand erover, dat-ie al die jaren een vieze junk is geweest. Boven op de heuvel kijken we samen door de prikkeldraadafrastering over de rivier. De zon komt op. Walters zilvervossen draaien nieuwsgierig snuffelend rond mijn benen terwijl metallieke ballonnen in de vorm van levensgrote soldaten en ruimtevaarders traag vanachter het dorp aan de overkant naar de gloeirode hemel opstijgen. Ook trekt er, geruisloos, een bataljon opblaasvliegtuigen langs, als Boeings zo groot, en tussen het hoge gras langs de oevers beneden dartelt een ruim assortiment aan wild.
Het is een tafereel vol kleur, vol van leven.
Maar dan vertelt Walter dat Patricia onlangs zelfmoord pleegde, en wat een laffe streek hij dat vindt, vooral omdat ze uniek was. Vanessa, die maakte zichzelf ook al van kant, maar daar was er nog een tweede exemplaar van.
Ook ik kan er enkel maar kwaad om worden.
Laf, ja, zelfs als er twee zijn …
Als ik thuis kom merk ik dat het dak op verschillende plekken lekt. Er kruipen op zolder hele hordes zilvervisjes en kakkerlakken rond, maar ook vliegen er gekleurde insecten waar ik de naam niet van weet.’

(januari 21, 2006)

‘Iedere eenentwintigste van de maand is het markt in de Toji tempel even ten zuiden van het station. Hatsu-Kobo! Het ziet er zwart van de mensen. Van alle kanten slingeren dichte rijen volk uit de straten in de richting van het tempel-complex, duizenden en duizenden en duizenden wurmen zich er door de poorten, banen zich met handen en voeten een weg langs de kramen, met kinderwagens, in rolstoelen, ouwe kromme vrouwtjes, ongeschoren mannen, en frisse jongelui. Allemaal werpen ze driftig yennen naar de Boeddha. Van tijd tot tijd worden de bakken met scheppen geleegd, om overstromen te voorkomen. De tempelgangers klappen in hun handen, trekken aan de bel, branden een staafje wierook, en gaan dan vervolgens op jacht naar dat éne koopje. De dames storten zich op de goedkope stofjes, de heren betasten gedegen roestvrij stalen gereedschap of bekijken een stukje antiek. Ik wou wel een echte kimono, maar die zijn ook tweedehands voor mij te duur. Ik koop tenslotte een calligrafeerkwastje in een houten doosje. Enkel als decoratie, of om weer weg te geven. Want er gaat uiteindelijk toch niks boven een dungepunt stiftje. Ook doe ik mezelf een speelgoedje van hout cadeau, een libelle op een lange groene grasspriet. Prachtig, en ’t kost nog eens bijna niks ook! De libelle van Henrik Henegouw …
Yoko en haar twee vriendinnen vergezellen me ’s avond naar het vliegveld. In de taxi raakt de jongste van de twee lichtjes met een teen op mijn open sandalen het bloot van mijn beide voeten aan. Een popje is het, nog net maar van school, en ik kan maar niet onthouden hoe of ze heet … Omdat die teen me een aanmoediging lijkt, leg ik mijn hand op haar blote been en kruip met mijn vingers langzaam hoger en hoger, naar onder het randje van haar korte en zo heel Japans ruiten rokje. Maar dan zie ik ineens dat er groene vlekjes op mijn voeten verschijnen, die razend snel tot grote dikke paddestoelenblaren zwellen. Het meisje slaat een hand voor haar mond en begint te giechelen. Ze kent die verschijnselen, zegt ze, ze heeft het zelf ook gehad … “Hai!” … Ja, dank je de koekoek! God wat ziet het er smerig en schrikwekkend uit! Na een paar minuten zijn mijn voeten al helemaal groen geworden. Zo’n giftig marsmannetjesgroen. Langzaam breidt die verkleuring zich verder uit. Ik voel hoe het langs mijn benen omhoog in de richting van mijn kruis kruipt.
“Belt dan toch verdomme een dokter, voor het te laat is!” roep ik vertwijfeld. Maar het kind haalt een tube met zalf uit haar handtasje, en wrijft zachtjes met dat goedje mijn twee voeten in. Langzaam en met aandacht. En even snel als ze kwamen, verdwijnen de groene kleur en de paddestoelenblaren weer.
Dertien uur later zit ik weer in een taxi, nu alleen. Van Heathrow naar Bayswater. De regen wordt met bakken tegelijk over Londen uitgegoten. Ik doe mijn ogen dicht en voel weer hoe de handjes van Yoko’s vriendinnetje aan de andere kant van de dag en de wereld mijn voeten masseerden.
Ik kreeg er zowaar een stijve van, en had plots een ongelofelijke zin om haar te knijpen.
Maar dat kon niet meer.’
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman

J. K. Harsman

[ Neil Cassady – “Neil at the Wheel, vol. I” ; Sun Ra – “Calling Planet Earth” ; Frank Zappa – “The eyes of Osaka” ; Caravan – “Nine Feet Underground” ; Raudio #06 ( http://raudio.park.nl ) ]

About j.k. harsman