Henrik Henegouw

Allemaal verbeelding – De gangen in – Plus beau, plus doux – Een herinnering van geur – Geseind en een luchtje – Faldera
Het is allemaal inbeelding.
Die neemt een loopje met me.
Die al-le-maal ver-beelding.
Waar me jandonder het zweet nu klootshit van uitbreekt … (*)

[* … dacht Ron Zevester, die op dat moment met twee handen stevig het stuur van zijn Cadillac omklemd hield en strak voor zich uit op de weg tuurde. Hij reed, maar als iemand hem gevraagd zou hebben wat hij aan het doen was, had hij het niet geweten. Als iemand, of desnoods uit de hemel, hem gevraagd had waar hij was of waar hij dacht héén te gaan, hij zou het niet geweten hebben. Toch reed Ron Zevester heel keurig auto. Niet wild, niet roekeloos. En Ron Zevester dacht ook keurig, in korte zinnen die als op een uitrollend projectiescherm vlak vóór hem op het wegdek verschenen, één bij elke witte streep, alvorens onder zijn wielen weer te verdwijnen … Dáár keek hij naar, naar die zinnen. En hij las ze …]

Met de macht komt de kracht komt het zweet der verbeelding …
Oké, hier titel: “Het zweet der verbeelding”
Ja, lach er maar oms …
Is het de leeftijd soms? (*)

Je kunt me wat, pokergat!
“Heb m’n wage vol gelàààte, vol met …”
Kut!
Had ik nou die wagen maar laten staan waar hij stond. (*)

“Er stonden de vreemdste tekens gekrast in die mergelwanden. En het werd allemaal nog eens zo geheimzinnig door de schaduwen die dansten in het onvoorspelbaar flakkerende licht van de petroleumlampen die pater Augustinus ons gegeven had,” vertelde Henrik Henegouw. “We waren met zijn vieren. Augustinus ging voorop. De ingang die we namen was op het kerkhof. Dat lag aan de voet van de mergelberg. Normaal kon je er daar natuurlijk niet in. Afgesloten, met een metalen hekdeur, een ketting en een vuistdik hangslot. Maar Augustinus had een sleutel …”

Uit dat hotel weg!
Deed ik goed aan.
Alles mee.
Niks vergeten?
Nee, niks … (*)

Niemand ook achter de balie?
Verdwijnpunt creëren.
Opgaan in dunne lucht.
Een: ben je er.
Twee: ben je er niet.
Drie: gaat-ie fijn, van Walmenstein?
Vier: spoorloos. (*)

“En die geur … Die is me sinds die tijd constant bijgebleven. Had iets dompigs … van het vocht en de schimmels, natuurlijk. Maar er was meer, en het kwam allemaal samen in … ik kan het niet goed beschrijven. Je moet het zelf geroken hebben … Doortrokken van de vettige, zwarte roetwalm van die lampen bovendien. De bovenkanten en de wanden van de gangen zagen er zwart van. En het rubber van onze jassen en laarzen. Dan de mergel nog. De mergel, ja. Ik denk dat je mergel kan ruiken … Er zijn ook nog wel andere geuren die ik me herinner … De geur van koffie. Of die van boenwas op de school na het weekend … Ma’s eau de cologne … Maar geen is er toch zo sterk als de herinnering aan hoe het in die grotten rook … Hier! … Nu, terwijl ik je dit allemaal vertel, ruik ik het! Als ik mijn ogen dicht doe is het alsof ik er opnieuw loop. Hoewel … Echt ruiken doe ik het niet natuurlijk. Dat begrijp je. Echt ruiken doe ik niks meer, dat weet je. Als je mij geblinddoekt op een mestvaalt legt, dan valt mij hooguit op hoe lekker zacht dat ligt …”

Allemaal verbeelding.
Op de trein stappen.
In het wilde weg.
De eerste de beste.
Maar die wagen …?
Een bordje met “Storing” …
Laten staan, natuurlijk! (*)

“Het is de herinnering aan geur. Aan de geur van die grotten, aan de lucht van daar beneden in de sacristie … Wat denk je, Virginie? De herinnering aan een geur, is dat een geur? Voor mij wel … geloof ik. Waarschijnlijk juist omdát ik niet meer ruiken kan, treedt er bij mij een soort omgekeerd madeleine effect op. In plaats van een plots luchtje, een reukje, een snuifje dat dan ineens een hele ketting van herinneringen wekt, werkt het bij mij precies omgekeerd. Bij mij roepen bepaalde herinneringen een heel specifieke ervaring van geur op. En dat is als de herinnering aan … Nee, niet de herinnering aan een reukje. Want volgens mij is dat wat je je herinnert niet zozeer de geur, maar hoe je die geur toen hebt ervaren … de ervaring van een geur … Is de herinnering aan een ervaring van geur een ervaring van geur? … Is de herinnering aan een ervaring van kleur een ervaring van kleur? … ”

Godjezus.
Op de trein stappen.
De hoeveelste dag vandaag?
Allemaal verbeelding.
Ik kan het toch weten?
En wat als dan nog?
Huppelkut!
Een bordje met “Storing”
en allemaal zingen van:
Ne soyez pas trop tristes,
elle est partie pour un monde
plus beau et plus doux,
et elle veille sur vous …
plus beau et plus doux …
plus beau et …
(*)

“Ook de sacristie was een soort grot. Had ik je dat al verteld? Dat er onder in de kerk ook een toegang tot het gangenstelsel was? Affijn … Maar die sporen, hè? De meeste indruk maakten vooral al die sporen die andere gangenlopers hadden achtergelaten. Kruisen in alle maten en soorten, namen, data, pijlen, cijfers, initialen, schema’s … De gangen leidden naar beneden toe, dan door naar zalen, sommige hoog als het schip van de kerk. En op zo’n zaal kwamen weer verschillende andere gangen uit. Van sommige van die zalen waren de wanden prachtig beschilderd. Vaak kopieën van de bekende klassiekers, maar ook veel originelen. Pater Augustinus gaf er fluisterend uitleg bij, alsof het allemaal top geheim was, en we lichtten gevieren de plaatjes bij met onze lampen. Van sommige waren de afmetingen gigantisch. En dat zou allemaal gemaakt zijn bij het licht van een petroleumlampje …? Nee, weet ik nou wel zeker. Die Augustinus deed het er om. Op veel plekken was er gewoon electrisch licht hoor, en hingen er boven in de gangen TL balken. Maar bij dat soort licht zou het effect natuurlijk veel minder zijn geweest. En daar ging het hem om, om het effect van dat schemerrijk op zijn jonge pupillen, reken maar.”

In zijn Antwerpse oudstadsappartement stond inspecteur Weermoedt voor de spiegel. “Wallen,” dacht hij en hij zette zijn zonnebril op.
Hij telefoneerde.
“Neen, chef,” zei hij. “De identiteit van het slachtoffer is nog onbekend. Maar er is wel een van de daad verdachte. Man van middelbare leeftijd. Een Hollander. Die bevindt zich op dit moment naar alle waarschijnlijkheid in Frankrijk. Ja, zeker … natuurlijk … Hij staat geseind. En ik verwacht in de loop van de dag de resultaten van de schouwing. Ja. Zoveel is zeker, cheft … Nee … dat spreekt …”
Weermoedt legde de hoorn op de haak en keek nog eens in de spiegel.
Hij zette zijn zonnebril af en trok met een wijsvinger één voor één zijn oogleden even omlaag. “Bloeddoorlopen,” dacht inspecteur Weermoedt. En dat er een luchtje aan die hele zaak zat …
Achter zich, in het raam dat op de koer gaf, zag hij dat buiten de zon scheen
Toch trok hij eerst een jas aan voor hij de deur uit ging.
– wordt vervolgd –
 Moois van Harsman
J. K. Harsman

[ “Far Afield” (Webbed Hand wh055) ]

About j.k. harsman