Henrik Henegouw

De derde dag – Buiten – Binnen – Binnen – Binnen
BUITEN
Het is midden op de avond. Aan de rand van een provinciestad honderdenvijftig kilometer ten zuidoosten van Parijs. Een verlaten, stille kruising verlicht door een lantaarn bevestigd aan de gevel van een hoekhuis; drie, vier verdiepingen en een plat dak. Opzij langs het huis loopt een smalle weg omhoog; stad uit, verte in. Daar, op de top van een heuvel, zien we de koplampen van een auto.

Zachte ruis van wind en een verre snelweg
Halve maan achter een flard van wolken.
De wagen komt dichterbij, dichtbij, dichtstbij – langs een onverlichte kronkelweg de heuvel af.
Geluid van motor.
Wordt navenant harder.

De auto, een ouwe Cadillac, stopt tegenover het hoekhuis.
Motor slaat af, de lichten doven en het wordt stil.
Weer die zachte ruis als van wind en verre snelweg, een enkele keer overstemd door de krolse gil van een kat. Even later en verder weg: een hond die aanslaat.
Halve maan achter een flard van wolken.
Auto, geparkeerd (in beeld linksonder).
Aan de overkant van de straat (in beeld rechtsboven) het hoekhuis.

De bestuurder is alleen; hij stapt uit de wagen. De afstand is groot genoeg om duidelijk herkenbaar zijn van de persoon te bemoeilijken. De man houdt een tasje vast. We zien – door zijn manipuleren van de lange schouderriem en aan de vorm – dat het waarschijnlijk een damestasje is.

Hij klapt het portier dicht en kijkt om zich heen. Hij doet de wagen op slot. Hij stopt de autosleutels in zijn broekzak. De man steekt de straat over. Hij loopt naar het hoekhuis. Halverwege, midden op straat, staat hij nog even stil. Hij kijkt omhoog, op naar het huis.

Achter de met gordijnen afgeschermde ramen van de tweede verdieping zien we licht. Door een spleet in de gordijnen, bijvoorbeeld. De andere verdiepingen zijn niet verlicht. Hij loopt verder. Hij haalt een sleutel uit het handtasje. Met die sleutel doet hij de voordeur open. Hij gaat het hoekhuis binnen. In de hal gaat het licht op.

De man trekt de deur en het licht in de hal achter zich dicht.

“Klik.”

BINNEN
Een smetteloos witte en raamloos vierkante kamer (vloeroppervlakte: plusminus vierenzestig vierkante meter) met ruwhouten plankier. We zien drie van de vier wanden. Geen van die drie wanden heeft een deur. De kamer is verlicht met TL-buizen, die als de zijden van een vierkant aan het plafond bevestigd zijn; elke zijde ongeveer een halve meter van de wand verwijderd.

In het midden van de kamer staan inspecteur Jules Weermoedt en agente Carole Vandenbroeck. Ze staan rug aan rug, en kijken ieder naar een muur. De inspecteur draagt een schreeuwrode Japanse kimono voorzien van een handgeborduurd drakenmotief. Hij is blootvoets. Hij heeft de armen voor zijn borst gevouwen. De schouders en mouwen van zijn kimono zijn lichtjes wit-grijs bevlekt, als door talkpoeder; zijn donkere korte haren met veel brillantine glimmend als in een kapje achterovergekamd. Hij draagt een zonnebril. De agente is in uniform, maar zonder pet. Ze is blond; heeft halflang, steil haar.

In haar handen heeft zij een clipboard met een tiental formulieren en een foto van Ron Zevester.

JULES
(roept, halfluid)
Carole?

CAROLE
Ik ben er al, Jules …

JULES
Is dat hem?

CAROLE
Het lijkt er op, Jules …

JULES
Mooi! Tijd om orde op zaken te stellen. We hebben per slot een moordzaak op te lossen … Kenteken staat op naam van … ?

CAROLE
(verschuift foto van Zevester op clipboard)
Zevester, Jules … Ronaldus Zevester. Roepnaam Ron. Woonachtig te Amsterdam. Nederlandse nationaliteit, midden veertig. Journalist van enige, maar naar verluidt tanende, faam. Alleenstaand …

Jules brengt een vuist naar zijn mond en kucht/hoest daar twee keer luid in.

Hij snuift, wrijft met duim en wijsvinger over zijn neusvleugels en knijpt even in het puntje van zijn neus.

Dan vouwt hij zijn armen weer voor de borst.

CAROLE (vervolg)
… de chef redacteur van het dagblad waar hij werkzaam is, heeft verklaard dat de man, Zevester, naar eigen zeggen op de dag van de moord van Amsterdam naar Parijs wou rijden. Niet voor de krant. Niet officieel tenminste. Maar voor een korte vakantie. Het heet dat hij overspannen is. Ook werd er melding gemaakt van een mogelijk drankprobleem.

JULES
Is het Zevester die daar net dat hoekhuis binnenging?

CAROLE
Nou … dat is niet gezegd … En het staat er niet met zoveel woorden … Maar gezien de wagen is dat natuurlijk de meest logische gevolgtrekking … Jules …

JULES
Dan heeft hij Parijs meteen weer achter zich gelaten …

CAROLE
Dan wel, ja … En dat spreekt in ieder geval de inlichtigen die ik zojuist van de Franse collega’s heb gekregen niet tegen …

Carole bladert in de formuieren op haar clipboard. Ze verwisselt de volgorde, haalt een formulier van onder het stapeltje te voorschijn en clipt dat bovenop. Wrijft met de palm van haar hand over dat bovenste formulier.

CAROLE (vervolg)
(op voorleestoon)
… met betrekking tot de Cadillac met Nederlands kenteken werd eergisteren in het elfde arrondissement een bekeuring voor het niet vodoen van vereist parkeergeld uitgeschreven … een persoon met Nederlands paspoort op naam van Ronaldus Antonius Maria Zevester boekte een avond eerder in een hotel in datzelfde arrondissement een éénpersoonskamer, voor een periode van zeven dagen …

Nerveus zoemend geluid als van een bromvlieg. Jules zet zijn zonnebril af en kijkt omhoog. We zien geen vlieg hoewel Jules toch iets met zijn blik lijkt te volgen (zonder zich daarbij ook maar op enig moment om te draaien naar Carole). Hij doet de zonnebril weer op.

Blijft omhoog kijken.

Dan verschijnt er plots als uit het niets een dikke blauw metalliek glimmende vlieg in beeld. Het insect – dat (inclusief rotor) veel van een miniatuur helicopter wegheeft – maakt een paar rondjes om Jules’ hoofd en landt dan op het rechterglas van zijn bril. Hij reageert niet. Blijft omhoog kijken. Armen steeds nog voor de borst gevouwen.

CAROLE (vervolg)
… maar al na twee overnachtingen en slechts één genuttigd ontbijt heeft hij het hotel in de ochtend verlaten met medeneming van al zijn bagage en zonder mededeling te doen over een eventueel volgend reisdoel …

Jules neemt zonnebril, waar steeds nog die vlieg op zit, weer af. Een paar seconden lang kijkt hij naar het vette heli-insect, dat kalmpjes op het rechterglas zijn voorpoten tegen elkaar zit te wrijven. Dan blaast hij de vlieg weg. Hij zet zijn zonnebril weer op. Vlieg verdwijnt uit beeld.

JULES
Hij is onze enige verdachte.
(draait zijn hoofd lichtjes naar links, omhoog)
Maar of het een moordenaar en een verkrachter is? Overspannen, zei je …? En een drankprobleem?
(zet zijn handen in zijn zijden)
Toch klopt er iets niet, Carole … Kunnen we niet aan een DNA monster van die Zevester komen? Voor de Nederlandse collega’s zullen de feiten toch wel het verrichten van een huiszoeking rechtvaardigen?
(draait hoofd terug, kijkt weer recht voor zich uit en vouwt armen terug voor zijn borst)
Laat die mannen naar haar zoeken; in een kam in de badkamer, in het doucheputje of zo. Fluitje, natuurlijk. En dat gezwind dan doorsturen hier naar het gerechtslabo …

Carole haalt een balpen uit een borstzakje van haar uniformjasje en begint op één van de formulieren op haar clipboard te schrijven.

Ze knikt.

JULES (vervolg)
En kun je voor me vaststellen waar de verdachte zich op dit moment naar alle waarschijnlijkheid ophoudt? Waar werd daarstraks die Cadillac geparkeerd? Welk is dat provinciaal gehucht?

CAROLE
(nadenkend)
Honderdenvijftig kilometer ten zuidoosten van Parijs? … Orléans is dichterbij, hè, en eerder in het zuidwesten … Nee, ik denk … dat zal Troyes zijn …

JULES
(lacht uitbundig)
Ha! Straks maak je me van die labiele journalist nog een klassieke volksheld ook …

CAROLE
(verontwaardigd)
Hè wat flauw … Jules … niet Troje … Troyes …
(legt peinzend een vinger op haar lippen)
Maar wat heeft Zevester er te zoeken, daar in Troyes?

Jules en Carole doen er het zwijgen toe. De dikke blauwe bromvlieg is ineens als uit het niets weer in beeld verschenen en draait nu om hun beider hoofden. Ze reageren daar niet op. Ver weg klinkt het geluid van grootstadsverkeer. Dichterbij het in- en uitzoemen van de brom van de vlieg, met op de achtergrond een gelijkmatiger, een electrisch zoemen (van de TL-verlichting?).

CAROLE
(kijkt even naar links; dan naar rechts; blijft kijken naar de rechterwand; vervolgens, vragend)
… Jules … ? … Kijk jij soms naar me?

JULES
(neemt zijn zonnebril af en kijkt naar de wand aan zijn linkerzijde; dezelfde dus als de wand waar Carole nog steeds naar kijkt)
Ik? Naar jou kijken? Nee hoor … Ik kijk niet naar je …

CAROLE
(aarzelt)
Vreemd … ik heb toch heel sterk het gevoel dat er iemand naar mij kijkt … Ben je het echt niet?

JULES
(zet zonnebril weer op, en draait zijn hoofd terug; kijkt nu weer recht voor zich uit)
Nee. Heus niet. Ik kijk niet naar je.

CAROLE
(verongelijkt)
En toch kijkt er iemand naar me … iemand kijkt er …

BINNEN
In Virginie Trinquet’s Parijse appartement.
Het is middag, zonnig en onbewolkt. Een grote raamwand biedt een ruim uitzicht over de Parijse metropool, vanaf een hoog punt iets achter het huidige La Défense. In de verte zien we bekende gebouwen als de Eiffeltoren en de Tour Montparnasse uit het oude stadscentrum steken; maar niet alles klopt er met het Parijs van nu. Het is anders; méér, hoger ook. Er vliegen vijf, zes helicopters boven het stadscentrum. Vanuit het appartement gezien lijken het net bromvliegen.

Midden voor de raamwand staat Henrik Henegouw. Hij heeft zijn handen op de rug gevouwen en kijkt uit over de stad.

Opzij van de raamwand is er een strakke zithoek van wit kunststof. Op de canapé zit Virginie Trinquet. Naast haar een stapel beschreven papier (manuscript). Ze rookt een filtercigaret. Trekt. Eén keer, nog een keer … dan drukt ze de cigaret uit in de volle metalen asbak die op het plexiglazen mimitafeltje staat dat deel uitmaakt van de zithoek.

VIRGINIE
(trekt een vies gezicht)
Bah … Ik hou er mee op. Met roken. Ik heb er geen zin meer in …

Ze laat zich achterover tegen de rug van de canapé vallen en wrijft met een hand door haar haren. Dan richt ze haar blik op Henrik Henegouw, die al die tijd met de handen op de rug gevouwen uit de raamwand over de stad blijft kijken.

HENRIK
(spreekt met zachte stem, rustig, maar heel duidelijk articulerend en als op toneelles, declamerend; met af en toe iets van een galm)
Terwijl ik het perron opstapte piepte de roltrap ritmisch verder. Hoewel het druk was als altijd op de vroege avond van een werkdag, was het vreemd stil op het perron. De videoschermen kondigden de trein naar Saint Lazare aan. Van acht minuten vóór zes. Maar het was al een paar minuten later. De trein scheen wel binnengelopen, maar hij maakte geen aanstalten nog tot vertrek. Uit de open deuren van de wagons blikte hier en daar een passagier. Ongeduldig. Waarom er dan niet vertrokken werd? Mijn eerste gedachte was: een botsing …

Henrik laat nu zijn armen langs zijn lichaam vallen. Hij draait zich om en kijkt Virginie aan. Achter hem zien we door de raamwand hoe buiten, op tientallen meters afstand slechts, een gevechtshelicopter voorbijvliegt. De helicopter lijkt erg op een grote dikke blauw metallieke bromvlieg.

HENRIK (vervolg)
(dit keer op normale spreek-/verteltoon; niet declamerend)
Ik liep naar het eind van het perron toe en zag dat een heel stuk van de trein nog in de tunnel stond. Dat was een stuk blauwe trein, en het hele verdere stuk dat aan het perron stond was zilver van kleur. Dus ik dacht…
(hij illustreert zijn woorden met armen en handen, in elke hand een denkbeeldig treinstel)
… dat misschien die blauwe trein per ongeluk achter tegen de zilveren aangereden was, toen die laatste al aan het perron stilstond. Maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat er van een botsing geen sprake kon zijn. Het waren allebei delen van dezelfde trein. Die al stilstond hoewel hij nog niet helemaal binnengelopen was.

Henrik draait zich weer om, vouwt zijn handen terug op zijn rug, en kijkt opnieuw door de raamwand uit over de stad.

HENRIK (vervolg)
(steeds nog op normale spreek-/verteltoon; niet declamerend)
Een man liep op me af, een bejaarde in een wat smoezelige beige regenjas. Hij had een groen plastic boodschappentasje bij zich, herinner ik me. Hij fluisterde iets, waarvan ik enkel verstond dat het ‘onbegrijpelijk’ was. En dat de trein ‘een sprong maakte’ …
(hij zucht even)
De man schudde zijn hoofd. Hij trilde ook. En er kwam een vrouw bij ons staan, een kleine Antilliaanse, van een moeilijk te schatten leeftijd, zo ergens tussen de dertig en de vijftig. Ook die vrouw begon te fluisteren.

Virginie staat op van de canapé. Terwijl Henrik verder praat loopt ze langzaam op hem toe. Ze legt een arm om zijn schouder, en vleit haar hoofd in zijn nek. Met hem kijkt ook zij nu door de raamwand uit over de stad.

HENRIK (vervolg)
“Heeft U het dan niet gehoord?” vroeg ze … “Dat verschrikkelijke kraakgeluid? … Zoiets heb ik nog nooit gehoord, van mijn hele leven, nog nooit,” zei ze. “… Iets dat tegelijkertijd breekt en scheurt, dat is het enige wat me erbij te binnen schiet … Ik krijg er weer de rillingen van … heel erg … Heeft U dan niks gehoord? … ”

Henrik en Virginie staan onbeweeglijk en kijken samen door de raamwand naar buiten. Tien, twintig, dertig seconden. Dan laat Virginie Henrik los. Ze loopt terug naar de zithoek. Henrik kijkt nog steeds naar buiten, handen op de rug gevouwen.

HENRIK (vervolg)
(met zachte stem, rustig, weer heel duidelijk articulerend en als op toneelles, declamerend; met af en toe iets van een galm)
De vrouw keek naar de bejaarde, die knikte. Daarna keek ze naar mij. Ook ik knikte, hoewel ik het nog steeds niet begreep. Misschien daarom dat de vrouw zo vragend keek? Ze deed haar mond een stukje open, maar zei verder niks meer. Het was stil. Heel stil. Je hoorde niks. Geen geluid. Enkel een heel laag zoemen dat ononderbroken maar doorging, aldoor … iets electrisch, dat denk ik … blues is electrisch … Enkel dat gezoem …

BINNEN
Dezelfde TL-verlichte grote, smetteloos witte en raamloos vierkante kamer. Inspecteur Jules Weermoedt en agente Carole Vandenbroeck bevinden zich weer in het midden van de kamer. Ze staan nu tegenover elkaar, op luttele tientallen centimeters afstand.

De inspecteur draagt zijn zwarte kostuum en glimmend gepoetste zwarte puntschoenen. Hij heeft zijn armen kruiselings voor zijn borst gevouwen. Hij heeft zijn hoofd naar rechts gedraaid en kijkt naar de rechterwand. Zijn donkere korte haren met veel brillantine glimmend als in een kapje achterovergekamd. Hij draagt een zonnebril.

De agente draagt de schreeuwrode Japanse kimono voorzien van een handgeborduurd drakenmotief die eerder door de inspecteur gedragen werd. Ze is blootvoets en heeft de handen als in gebed voor haar schoot gevouwen. Ze kijkt naar de inspecteur die de hele tijd door naar de wand rechts van hem kijkt.

JULES
(vragend)
Carole … ?

CAROLE
Ja … Jules … ?

De inspecteur vouwt zijn armen open en strekt die in de richting van Carole, de palmen van zijn handen omhoog gericht. Nog steeds kijkt hij naar de wand rechts.

JULES
Ik heb een theorie, Carole … En ook een hypothese … De schuld van die journalist, dat wil er bij mij maar niet in. Misschien vergis ik me, maar zolang ik die anonieme telefonische verwittiger niet heb gesproken en met eigen ogen heb gezien … Het is allemaal té voor de hand liggend zo, té evident … Alsof er daar iemand is die wil dat we hier nu zo staan, dat we dit en dat we zo denken …

Carole ontvouwt rustig haar handen en legt deze gestrekt, met de open palmen omlaag, op die van Jules.

CAROLE
(glimlacht)
Is dat je theorie, Jules, of is het je hypothese?

JULES
(ernstig, nadenken)
De theorie is dat er meer aan de hand is. Mijn hypothese dat het eigenlijk allemaal om iets héél anders gaat …

Langzaam draait Jules zijn hoofd van de rechterwand weg in de richting van Carole. En terwijl hij zijn hoofd draait neuriet Carole zachtjes een telwijsje in het Frans, totdat de inspecteur haar tenslotte recht aankijkt.

CAROLE
… deux et deux … quatre …,
… quatre et quatre … huit …,
… huit et huit … seize …,
… seize et seize … onze …
Ja, nu, Jules! Nu! Nu kijk je naar me …
– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
J. K. Harsman

[ Ralph Lichtensteiger – “Sonorité sans mémoire II” ; 0 ok, 0:1 – “Muziektafel/Tafelmusiek (2004)” ; Raudio #05 ( http://raudio.park.nl/ ) ; Caravan – “Nine Feet Underground” ; David Bowie – “Diamond Dogs”, “The man who sold the world” ]

About j.k. harsman