Henrik Henegouw

Concessies – Het hof van heden – Oud is oud, nieuw is nieuw – Een projectontwikkelaar met visie – Slager Pinckaerts moet plassen
“Vouw je handen, Hendrik!” gebood de priester met een zware preekstem, waar iets jachtigs in doorklonk, “dat de Here in je vare …”
“Ik heet Hen-rik, vader,” fluisterde Henrik beschroomd, “zonder déé.”
Pater Augustinus scheen het niet te horen. Hij zei het nog een keer: “Vouw je handjes, Hendrik … Je hebt er je aandacht niet bij, jongen! Handjes zijn er om te vouwen, in gebed. Hendrik, hoor je wat ik zeg?”
Henrik hoorde hem.
Hij deed zijn ogen dicht.
En gehoorzaam vouwde hij zijn handjes saam.

We waren er op gekleed, die dinsdag.
“Het kan er kwaad koud zijn beneden,” had Wout gewaarschuwd. “En vies vochtig ook.”

“Was het echt zo erg?” vroeg Virginie, die wat aantekeningen op de achterkant van een enveloppe maakte.
“Ja, zeker! Het was er ‘Groent oent Bodem’, daar bij ons,” zei Henrik Henegouw. “Klank en klinker … vast gebeiteld. Maar waarom vertel ik je dit eigenlijk? … Dat er om dat torentje, daar tegen die heuvel, een hoekje van het paradijs voor ons gereserveerd was, daar was een ieder diep van overtuigd. In die grond. Hun grond. Het idéé van grond. Mijn grond. Jouw grond. Grondrecht … Alles leek er uit op te komen, uit die grond. Neen, werkelijk. Alles kwam er ook uit op … Op uit het slijm en de modder van de velden rondom, velden zover als je maar kijken kon, sproten elk jaar weer de patatten, die de boer vervolgens zelf met zijn paard en kar tot aan de deur kwam rijden, en die de boerenzoon in volle jute zakken op de schouder de trap af naar de kelder droeg. Zo aten we er van, van die grond.
En van verderop, maar niet veel, kwam de kolen. Oók op uit die grond … iedereen had wel een oom, neef, een achteroom, achterneef … een zeg-oom, desnoods, die – en trots! – daar zes dagen in de week óndergronds in het stikkedonker van de gangen doolde … met vaak niet meer dan dat malle lampje op zijn helm om hem bij te lichten … met pikhouweel en spade … kolen hakkend … ah, de mijnen! …”
Henrik keek haast dromerig.
“Dat waren nog eens gangen, Virginie! En zwart – daar het zwart van de mijnen – en hier het gebroken wit van mergel – … zie je! … – en rood, omdat ergens tussen het gebroken wit en zwart al ons bloed stroomt … – ja, van ondergronds, op uit dezelfde grond, kwam de kolen. En ook die kwam aan huis op een kar met een paard en in zakken. En ook die zakken werden door een boer gedragen, zo van op het ronde van zijn schouder de kelder in … Dat was het vuur van die grond.”



De parochiekerk was oud en door de tijd gehavend. Op het stuk grond er omheen werd eeuwenlang al begraven. Werd. Want sinds een aantal jaren was het er vol. “Ons hof, dat is af,” heette het. “Ons hof van heden.” Maar de lachjes die daar eerst nog bij klonken verwaaiden al snel weer.
Het kwam door al die eeuwigdurende concessies, daterend van god weet wanneer, en vaak bovendien vergeven aan zielen wier nazaten al sinds vele generaties naar heel andere windstreken waren uitgevlogen. Maar een knappe jongen die je er weer uitkreeg als je eenmaal in zo’n eeuwig kavel lag … Het was nou eenmaal een kerkwet. Uiteindelijk had het bisdom zo het hele hof vergeven en verkwanseld. Elk lapje, elk steentje, elk hoekje. Er werd op gezette tijden nog wel eens oogluikend en met de zegen van de pastoor een lid onder de zoden van een van familiewege al druk betrokken graf gestopt. Maar ook dat soort familiegraven raakte tenslotte overvol.
Want op is op. En af is af.
“Kerkrecht – merkrecht,” zei de oude pastoor ervan, want dat was een rijmelaar. Maar als je er wat verder over nadacht, dan betekende het eigenlijk niks, wat hij zei. Dus werd er regelmatig druk op die man gods uitgeoefend. Er kwam soms zelfs geld ter sprake, en op tafel. Veel geld. Van handelaar-zonen die op deze wijze hun langzaam en lijdend stervende vader of moeder het idee van een laatste gang naar de verre stedelijke begraafplaats gevolgd door een gedwongen rust te midden van allemaal vreemden, tussen noordlanders zelfs, wilden besparen. Maar de pastoor hield voet bij stuk. Kon hij ook anders? “Kerkrecht – merkrecht. Een ieder heeft recht op zijn eeuwigheid,” zei hij, “maar jouw eeuwigheid en die van je goede ouders, die liggen nou eenmaal op heden elders … Mij spijt dat, maar het heeft zo moeten zijn …”

Het werd nog erger toen in diezelfde tijd ook aan de oost- en de zuidkant de grenzen open gingen en de grote instroom écht begon. Voorl van aan de randen naar buiten groeide de gemeente al harder en groter. Alles raakte er van uit de voegen. De tijden. De zeden. En rijker werd men niet. Integendeel. Wel werd er veel gebouwd, en getrouwd. Waar constant weer kinderen van kwamen, natuurlijk …

Meer, en meer, en nog meer …

En – want ook dat gebeurde – wat dan als één van die nieuwkomers stierf? Natuurlijk ging die wél zonder mokken aan de stedelijke kant ten grave. Of erger nog: zo iemand liet zich verbranden … Je zag ze ook steeds vaker op de scholen, trouwens. En velen waren – of werden – gelovig, zodat de pastoor zich op de zondag genoodzaakt zag tot een tweede, vroegere dienst. Want de gelovige van-buitenkomers begonnen schoorvoetend een plekje in de kerk te zoeken. (Ze trokken daarna vaak de velden in, wandelden door het bos of langs de plas.) Sommigen zag je ook al sporten, en hun inkopen doen bij de plaatselijke middenstand, rond het Plein, en in de Hoofdstraat.
Over het algemeen, ach, werd dat allemaal wel op prijs gesteld, en was men vriendelijk, over en weer.
Maar oud is oud en nieuw is nieuw.
“Je moet dat scheiden,” was het idee van hen die zich op kerkdagen in de hof verzamelden, na de hoogmis van tienen. Veel middenstanders en lagere notabelen vooral. En steeds harder klonk daar de roep om nieuwe ruimte in de grond rond de kerk, voor hen die hier gewórteld waren.
“Het is onze kerk, en ons hof, meneer pastoor,” pleitten de mannen. “Ons eigen! Onze grond! U kunt óns toch niet als elke willekeurige van-buitenkomer daar ginder ten grave dragen … niet hier, niet nu! … doet iets, pastoor! U bent onze herder … nou!?”
De pastoor begreep het, en grapjes maakte hij er zelden nog over. De tijden waren veranderd, dat zag hij ook. “Maar lieve mensen, kijk dan toch!” zei hij. “Hoe mij handen zijn gebonden!” En daarbij kruiste hij zijn polsen, en tilde die hoog boven zijn hoofd.
Na lang die wekelijkse discussies zwijgend te hebben aangehoord was het projectontwikkelaar Maessen die, na veel wikken en wegen, gedub en getob, met een voorstel kwam dat te verwezenlijken leek. Maessen was een man van de wereld. En hij hield zijn plaatsgenoten voor dat het zaak was het probleem praktisch te benaderen. Met oog ook voor historische precedenten.
“Want dan ligt de oplossing eigenlijk voor de hand,” betoogde hij. “Letterlijk. We hebben toch die gangen? En is er niet een toegang van binnen op het kerkhof zelf?”
Er werd geknikt. Natuurlijk. Kerk en hof lagen tegen de helling van de mergelberg, en achter het koor was er een diepe grot die toegang tot het gangenstelsel gaf. Ook in de kelderruimte onder het koor, in de kerk zelf, was er trouwens zo’n toegang.
“Ik stel voor dat we beginnen met de oudste kavels op de begraafplaats te ruimen. De stoffelijke resten die daar nu nog rusten slaan we op in wat gangdelen vlak achter de kerk. Die richten we daar heel keurig en netjes voor in. Ik denk aan schappen en keurige kistjes, met naambordjes van roestvrij metaal. En een gedempte verlichting, en stevige deuren die op slot kunnen. Veel hoeft dat niet te kosten. Ik heb, voor een hele schappelijke prijs, al een aannemer en wat kompels op het oog. Denk aan Parijs,” zei hij. “De catacomben. Zo iets. Behalve dan dat wij al die botten en schedels niet zo maar lukraak gaan stapelen, natuurlijk. We eerbiedigen alle voortdurende concessies. En kunnen vervolgens toch onze eigen dierbare overledenen weer in eigen grond te ruste leggen!”
Maessens voorstel werd met veel instemming ontvangen. Het leek een ei van Columbus. Maar de pastoor zelf had er geen oren naar.
“Die grotten en gangen, dat is staatseigendom,” wist hij. “Daar kan het bisdom geen aanspraak op maken. Laat staan dat ík daar zo maar kan beginnen te timmeren en verbouwen, om er vervolgens ook nog eens de botten uit onze grafkavels in op te slaan … Ik waardeer het dat je meedenkt, Maessen, maar … ” Hij schudde zijn hoofd, en glimlachte flauw. “Kerkrecht – merkrecht. Op is op. En af is af.”
De pastoor wou er verder niet meer van horen …
Maar de mannen bleven morren. Nu meer dan nog dan tevoren.
“Zo’n stuk gang … daar kijkt toch geen ambtenaar naar om!” zei Maessen. “En mijn aannemer en zijn kompels, die jongens weten waar Abraham de mosterd haalt. Die zwijgen. Als het graf, zeg maar …”
De koppigheid van de pastoor zette kwaad bloed.
“En dat noemt zich één van ons! Geestelijk leidsman … Ha! Lachen, jongens! … Nee! … Waar een wil is, is een weg, niet?” klonk het al vaker op de zaterdagavond, ruim nog voor sluitingstijd, in café-biljart Bastiaans, dat schuin tegenover kerk en hof gevestigd was. Soms klapte er dan nog een vuist op de toog en er ging daarbij ook wel een bierglas op de stenen vloer aan scherven … hoewel dat ook een ongelukje, een gevolg van onverhoeds bewegen, geweest kon zijn. De café-baas spoelde door, en knikte. Ook hij had oor voor die sentimenten. Het waren moeilijke tijden. Maar dat slager Pinckaerts nu al wekenlang elke keer bij het verlaten van de kroeg, alvorens zich naar eigen huis en haard te begeven, wijdbeens en luid boerend zijn gevulde blaas in een zwaar dampende en vingerdikke straal kletterend tegen de platen van de roestige metalen kerkhofpoort leegde, dat kon hij toch niet goedkeuren. Hij schudde er bezorgd zijn hoofd bij.– wordt vervolgd –
Moois van Harsman
J. K. Harsman[0 ok: 0,1 ; Caravan – “Nine Feet Underground” ]

About j.k. harsman