Mevrouw ten Brakel

Mevrouw ten Brakel keek naar buiten. Zittend in haar schommelstoel die normaal bij de kachel stond, maar die ze nu speciaal om naar buiten te kijken bij het net gelapte raam had gezet, zat mevrouw ten Brakel zonder echt iets te zien naar buiten te kijken. Ze zag niet echt iets, omdat ze diep in gedachten verzonken was. En die gedachten gingen niet over de boodschappen, over haar huishoudelijke taken of over dat ze teveel rookte de laatste tijd. Ze dacht aan haar familie. Het gezin waarin ze vroeger opgegroeid was. Aan haar ouders, aan haar zus, aan haar broer en aan de hond. Dat waren de figuren waar ze totdat ze eenentwintig was mee in een huis had gewoond. Behalve met de hond dan, want die was een jaar voordat ze uit huis ging, doodgegaan. Hersenbloeding. Hij was niet meteen doodgegaan, hij had eerst nog een poosje als een soort seniele bejaarde tussen de andere leden van het gezin rondgelopen, maar uiteindelijk gaf hij dan toch de geest. Was maar beter ook, die hond had het duidelijk niet meer zo naar zijn zin sinds de hersenbloeding, vond mevrouw ten Brakel. Volgens haar broer kon je zoiets niet weten omdat je een hond nu eenmaal niet kan vragen of hij het nog wel naar zin heeft. Ze hadden er heel wat over gekibbeld. Maar mevrouw ten Brakel was blij geweest voor de hond toen hij doodging, wat haar broer ook zei. Voor zichzelf was ze niet blij, ze had de hond vreselijk gemist. En zelfs nu, een halve eeuw later, dacht ze nog wel eens aan hem. En terwijl ze zo zat te peinzen, realiseerde ze zich dat ze eigenlijk vaker aan de hond dacht dan aan de anderen. Aan haar ouders dacht ze zelden. Die waren ook dood. Aan haar broer dacht ze ook nauwelijks, die was lang geleden in de gevangenis terechtgekomen en sindsdien had mevrouw ten Brakel het beter gevonden om geen contact meer met hem te onderhouden. En aan haar zus hoefde ze niet te denken, want die zag ze minstens een keer in de week. En een keer in de week was genoeg zus.

Ineens vond mevrouw ten Brakel dat ze aan haar ouders moest denken. Maar het lukte haar niet. Hoe ze het ook probeerde, er wilde zich maar geen gedachte vormen over haar ouders. Mevrouw ten Brakel schrok een beetje. Zou dat iets ergs betekenen? Ze had wel eens ergens gelezen dat ouders je leven lang hun invloed op je karakter hadden. Maar hoe kon dat als je niet eens aan ze kon denken? Karakter, is dat ook niet hoe je denkt? Of is dat meer hoe je bent? Mevrouw ten Brakel raakte van een beetje geschrokken een beetje in de war. En ze wist niet wat ze liever had. Geschrokken en in de war zijn beide niet echt gemoedstoestanden waar je nu zo heel erg op uit was.
Wat nu? Mevrouw ten Brakel stak een Gladstone op en probeerde nog een keer aan haar ouders te denken. Maar ook het roken wilde niet helpen. Wel dacht ze aan de hond. Hoe hij haar altijd wakker kwam maken. Elke dag stipt om half zeven duwde hij de slaapkamerdeur, die mevrouw ten Brakel speciaal voor hem op een kier liet staan, met zijn bruingespikkelde neus open en sprong hij met zijn voorpoten op de rand van het bed van mevrouw ten Brakel. Het enige wat hij dan nog deed, was heel hard met zijn staart kwispelen. En daar werd mevrouw ten Brakel dan toch wakker van. En het stuntelige gekwispel maakte haar elke dag opnieuw aan het lachen. Mevrouw ten Brakel vroeg zich af of ze niet gewoon weer een hond moest nemen. Misschien zou ze dan weer elke dag met een glimlach wakker worden. Maarja, je wist nooit of zo’n andere hond haar ook zou willen wekken met stuntelig gekwispel. En aan het extra werk dat het haar op zou leveren, wilde mevrouw ten Brakel al niet eens denken. Honden zijn nu niet bepaald schone dieren.
Zo zat ze, in plaats van aan haar ouders te denken, op haar gemak de voor- en nadelen van het aanschaffen van een hond af te wegen, toen er geknars in het slot klonk. ‘Lieve help’, dacht mevrouw ten Brakel, ‘zo laat al’? Ze had nog niet eens thee gemaakt. En daar was haar zus al.
“Vandaag is het de trouwdag van vader en moeder,” klonk de snerpende stem van de zus van mevrouw ten Brakel vanuit de deuropening.
“En ik dacht, misschien is het aardig om dat te herdenken. Of te vieren, dat ligt natuurlijk een beetje lastig met een trouwdag van dooie mensen. In ieder geval, ik heb taartjes.”

‘Verhip,’ dacht mevrouw ten Brakel. Het was dus geen toeval dat ze vandaag aan haar ouders had proberen te denken, dat stemde haar positief. Ergens zonder dat ze het wist, dacht ze dus wel degelijk aan hen. Dat moest dan in haar onderbewustzijn gebeurd zijn. Maar haar zus had echt aan haar ouders gedacht. Met echte gedachten. Dus zij kon het wel. Dat bevreemdde mevrouw ten Brakel. En toen stond ze op om als de wiedeweerga thee te gaan maken.

Simone Duwel

About simone duwel