Pseudo-poetica: blof

In al lang vervlogen tijden keken ik en mijn zussen elke week reikhalzend uit naar de komst van de nieuwe televisiegids. Daarin had de redactie namelijk ook een pagina ingeruimd voor jeugdige lezertjes. Naast gruwelijk vervelende paginavulling werd er ook altijd een ‘songtekst’ in afgedrukt. En om die songtekst ging het ons.
In dat internetloze tijdperk diende je namelijk meestal eerst een plaat te kopen voordat je de beschikking kreeg over de gedrukte teksten van de liedjes; en dan nog werden deze maar al te vaak niet meegeleverd. Gevolg was dus dat je soms liedjes aan het mee blèren was, waarvan je maar amper de woorden kon verstaan, zodat je maar al te snel op la-la-la overging, of – nog erger – zomaar gelijkluidende Engelse woorden mee schreeuwde. Genante taferelen leverde dat op – met een luchtmicrofoon in de hand met de radio mee proberen te zingen, en er in plaats van ‘Ooh Baby Let Your Love Go Free Now‘; ‘Ooh Baby Give Your Gloves To Me Now‘ klonk. Totdat de redactie van de televisiegids je dus uit de droom hielp.

Kleuterrijmelarij
Ik heb er een meer dan gemiddelde interesse in songteksten door gekregen. Wanneer ik een liedje hoor, of het nu in het Nederlands of Engels wordt gezongen, luister ik altijd aandachtig naar de tekst. Nu, na jaren luisteren, ben ik tot de slotsom gekomen dat de Engelse teksten – hoe onbeduidend ook wat betreft inhoud – vaak in de kern logisch zijn, hoe vreemd ze ook in eerste instantie overkomen. Ter illustratie een tekst die onder invloed van dope/drank/krankzinnigheid is geschreven, en dus vermoedelijk onlogisch zou zijn, de volgende tekst van Pink Floyd’s Syd Barret:

The black and green scarecrow as everyone knows
Stood with a bird on his hat and straw everywhere.
He didn’t care.
He stood in a field where barley grows.
De vertaling luidt zo ongeveer:

De zwartgroene vogelverschrikker, zoals iedereen weet
Stond met een vogel op zijn hoed, en met overal stro
Het maakte hem niets uit
Hij stond in een veld waar gerst groeide


Daar kun je toch geen speld tussenkrijgen? Je kunt het sprookjesachtig, krankzinnig of geniaal noemen, maar er staat geen onzin.

Een tekst die iedereen wel kent, uit Stairway To Heaven van Led Zeppelin

There’s a sign on the wall but she wants to be sure
And you know sometimes words have two meanings
In the tree by the brook there’s a songbird who sings
Sometimes all of our thoughts are misgiven
De vertaling:

Er is een teken aan de muur, maar ze wil zeker zijn
En je weet dat woorden soms twee betekenissen hebben
In de boom bij de beek zit een zangvogel die zingt
Soms zijn al onze gedachten twijfelachtig
[of: onzeker]

Tja, tekens aan de muur, zangvogels en woorden met twee betekenissen: behoorlijk dichterlijk, maar opnieuw: er staat geen onzin.

Dat dichterlijke, dat poëtische, dat proberen we hier in Nederland ook vaak te doen in liedjes. Sommige tekstschrijvers konden het. Wat te denken van wijlen Lennaert Nijgh:

Mijn hemel, blauw met gouden hallen,
mijn wolkentorens, ijskristallen,
kometen, manen en planeten,
ah, alles draait om mij.
Dat is mooi, dat klopt. Het is de zon die zingt, en vanuit dat perspectief klopt het helemaal. Prachtige teksten schreef die man, en hij hield zich aan een hele belangrijke wet: hoe poëtisch, metaforisch, overdrachtelijk of weet ik wat ook een tekst is; er moet een logica aan ten grondslag liggen, want rijmende onzin opschrijven, dat kan iedereen. En er wordt nogal wat afgerijmd in de Nederlandstalige Hitparade. Soms mooie en goede poëzie, vaker toch een aaneenschakeling van Godgeklaagde kleuterrijmelarij die van onder tot boven uit lange slierten larie en zever aan elkaar hangt. Die quatsch wordt dan zwaarmoedig bezongen en als pure poëzie door je strot geduwd. Velen slikken het als zoete koek, en dat vind ik jammer, erg jammer. Plaatsvervangende schaamte maakt zich telkens weer van mij meester als ik zulke staaltjes voorbij hoor soppen.

-oor, oor-, oor-
Er is een paar werkelijk grootse meesters in het land aan te wijzen dat met die rijmelarij hele horden om hun vinger windt. Meestal hebben ze de teksten geeneens zelf geschreven, wat het alleen maar erger maakt. Zo wordt de ether al jaren geteisterd door het onsamenhangend geloei van ene Marco Borsato. Wat dacht u hiervan:

Je gaat me voor
`t trapgat door
Je fluistert zachtjes in m`n linker oor
Dat is knap! Al zeg ik het zelf. Kan iemand mij uitleggen hoe je dit doet, zonder in allerlei gruwelijke pijnen veroorzakende houdingen terecht te komen? Had er gestaan: Je gaat me voor / ’t trapgat door / je draait je om / en fluistert zachtjes in m’n linker oor /, kijk, dan zeg ik ja, moet kunnen. Maar ja, had dat er gestaan, dan was het hele rijmelarijschema (-oor, -oor,
– oor) dat de schrijver van dit gedrocht met zoveel moeite in elkaar had geknutseld in elkaar gesodemieterd.

Marco heeft meer van die grapjes:

‘Zet je tranen en je zorgen opzij’.
Waar zal ik ze neerzetten? Op het nachtkastje of in het trapgat?

Of:

‘soms klinkt ze als onweer, en soms als een zonnig seizoen’.
Wat hoor ik daar? Het is een zonnig seizoen!

Er zijn vast nog honderden voorbeelden te vinden in die groezelige lade waar Borsato zijn oeuvre bewaart, maar om gezondheidsredenen hou ik het nu maar even bij deze drie, en presenteer ik u nu een populair Nederlands bandje waar ik mij werkelijk een beroerte aan erger, een bandje dat zich gespecialiseerd lijkt te hebben in pseudo-poëtica.

Chemisch toilet
Kleuren zijn kleuren
Denk ik wel eens
Ze verdienen elkaar vroeg of laat
Dit komt uit het liedje Bougainville van Bløf, en het is nog onverdraaglijker dan de troep van Marco. Dit heeft namelijk niet enkel de knullige pretentie zich voor te doen als poëzie, het wil poëzie zijn, en ondanks dat hoogdravend ideaal is en blijft het gewoon klinkklare nonsens. Wat staat hier nu in Godsnaam?
/ Kleuren zijn kleuren / Denk ik wel eens / Ze verdienen elkaar vroeg of laat /
Je zou evengoed kunnen zeggen:
/ chemische toiletten zijn chemische toiletten / Denk ik wel eens / ze verdienen elkaar vroeg of laat /
En nu zou een verstokte fan kunnen opmerken dat ‘ik het uit de context van het gehele liedje haal’, en het daarmee belachelijk maak, maar nee: in samenhang met de complete tekst blijft het onzin. De liefhebber moet maar even googelen op Bløf+ bougainville, dan kan hij of zij het hele zaakje lezen.
En Bløf heeft een patent op dit soort dichterlijke vrijheden:

Pak je schoenen
Zet ze uit de pas
Ik zal de doos bewaren
Tot-ie vol is
Ook leuk, met veel goede wil kun je er een gedicht omheen borduren waardoor deze vreemde constructie een bepaald doel heeft, of waardoor deze woorden een flintertje bestaansrecht zouden kunnen krijgen, maar in de tekst van het liedje waar dit uitkomt (‘Niets dan dit’) lijkt het wel alsof deze zinnen verdwaald zijn en eigenlijk in een ander liedje thuishoren.

En ze blijven aan de gang, die Zeeuwse knapen:

Ik denk dat ik ga lopen
Tot beginnen niet meer kan
En het zand onder mijn voeten
In de open lucht verdwijnt
Of het wezen is of schijn
Doet er eigenlijk niet toe
Want ik moet gewoon op weg
Naar het eind van het begin
Dit staat in het liedje ‘Ik denk dat ik ga lopen’, en inderdaad, je gaat er van lopen, heel hard en heel ver weg. In de gehele tekst van dit liedje staat geen lettergreep waar chocola van te maken valt. Het ziet er heel poëtisch uit, dat is waar, maar als je het ’s goed leest blijkt het niet meer te zijn dan een hoop lekker bekkend gelul.
Maar – zou men mij kunnen tegenwerpen – een gedicht of songtekst hoeft toch ook niet begrijpelijk te zijn, het hoeft toch niet meer dan ‘een gevoel, een emotie over te brengen of los te maken?’ En dan zeg ik op mijn beurt: alle goede poëzie is begrijpelijk, want iets wat onbegrijpelijk is kan niets overbrengen of losmaken. Het is een wijdverbreide misvatting dat het samenrapen van wat mooie woorden poëzie maakt. Wanneer je een bloemlezing als “De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw”, samengesteld door Gerrit Komrij, erbij pakt, kom je er al snel achter dat deze enorme verzameling gedichten – die echt alle mogelijke stromingen en genre’s behandelt – geen enkel onbegrijpelijk gedicht bevat. Hoe vreemd sommigen ook lijken, wie ze goed leest ontdekt al snel dat de woorden in die gedichten bewust en met een bepaald doel in een overdachte volgorde zijn geplaatst.

In veel, zo niet alle, teksten van de heren van Bløf lijkt het daarentegen alsof ze er het ‘mooie woorden woordenboek’ bij hebben gepakt en aan het overtikken zijn geslagen met het idee poëzie te produceren. Maar helaas, nee: het blijft een hoop gebluf. Of, zoals ze het zelf waarschijnlijk zouden zeggen:

Sinaasappels liggen in de dakgoot
En het einde nadert
een heggenschaar
Diep, diep, diep in mij
(nou en of)

Gerard Mutsaers

About gerard mutsaers