Brrrr, frisjes hè?

<!–#set var="description" value="Gerard Mutsaers heeft te doen met de kleine middenstand. Maar is geenszins van plan het de winkelier daarom ook makkelijker te maken” –>Het schijnt dat mij enig talent in de handel niet vreemd is, althans: dat hoor ik af en toe. Als kind wist ik een aardige aanvulling op het zakgeld te verwerven door me op lokale markten en braderieën met een zelfgebouwde ‘kegelbaan’ op het zogenaamde kinderveldje te installeren. Die kegelbaan was een lange plank met twee opstaande randjes en een paar houten paaltjes aan het eind ervan. Iedereen, inclusief blinden en armloze gehandicapten, konden met het tennisballetje – dat zij voor een kwartje per keer mochten werpen – met gemak alle paaltjes omdonderen, zodat ik ze een kapot gelezen Donald Duckje, een paar oude knopen of een halflege bic-pen als prijs kon presenteren. Na het succes van de kegelbaan heb ik nog een ‘schiettent’ geëxploiteerd (een oude kist met drie plastic playmobil figuurtjes erin waarop men met een papieren pijltje uit een pvc-buis moest schieten: altijd raak) en ook nog een grabbelton (altijd prijs). Hierna werd ik langzamerhand te oud voor het kinderveldje waar je gratis mocht staan, en zei ik het middenstanderschap vaarwel, iets waar ik volgens mij goed aan heb gedaan.

Dakloos!
Wanneer een kind er een zootje van maakt op school, geen enkele interesse toont voor de ontwikkeling van geest en vaardigheden, dan hoor je nog steeds zijn ouders de eeuwenoude litanie der verdoemde kindertjes kraaien: ‘pas jij maar op jongentje! Jij wordt later putjesschepper/lopende band medewerker/ vuilnisman/stratenmaker of dakloos!’. Een aardig rijtje, maar sinds wat oplettend veldwerk in de plaatselijke winkels wil ik daar graag winkelier aan toevoegen. Dat is toch ook geen leven? En dan praat ik niet over het salaris (iets dat in Nederland e.o. toch vooral als maatstaf wordt gebruikt wanneer een ‘goede’ of ‘slechte’ baan moet worden gedefinieerd), maar veel eerder over de mentale acrobatiek die het winkelierschap met zich meebrengt. De voortdurende vernedering waaraan je jezelf moet onderwerpen, dag in dag uit. Ik heb er ’s op gelet, op de capriolen die een beetje winkelier moet uithalen om zijn boterhammetje te verdienen, en het stemde me niet vrolijk.
Mijn definitie van winkelier: iemand die met de verkoop van het één of ander zijn geld moet verdienen, dit één of ander is een ding of een dienst dat elders ook wordt aangeboden, meestal op een steenworp afstand van de eigen winkeldeur, waardoor hij/zij dagelijks strijd moet voeren om de gunsten van zijn klanten.

Brrrr
De wapens die de winkelier in zijn strijd met de concurrent hanteert zijn materieel en psychologisch. De materiële zijn wat mij betreft wel dragelijk: je gooit ’s wat in de aanbieding, je doet ’s een leuke actie (twee halen één betalen), prima. De psychologische staan mij daarentegen gruwelijk tegen: zo heb je het mee-lullen met de klant:

klant: “brrrr frisjes hè?”
de in korte broek gestoken en de van ’t zweet wegdrijvende winkelier: “nou, zeg dat wel!”
klant: “bah, het is alweer bijna carnaval”
winkelier, die snel zijn steek, scepter en prinsenpak onder de toonbank schopt: “carnaval, nu alweer? Gatver!”
enzovoorts

Draagkrachtinschattingsbeleid
Van mannen wordt beweerd dat zij bij elke vrouw die zij zien als eerste – onderbewust – nagaan of zij een geschikte kandidate is voor de instandhouding van de soort. De winkelier kent eenzelfde mechanisme: elke persoon die hem benadert wordt ingeschat op financiële draagkracht en koopwil, en daarop wordt de welwillendheid en vriendelijkheid van de winkelier afgestemd. Een mooi voorbeeld zag ik laatst bij de plaatselijke elektrische apparatenboer waar ik prijzen stond te vergelijken, en kort daarvoor het ‘kan ik u helpen, of kijkt u even rond?’ met een norse blik had beantwoord: een jongetje van nog geen 10 stond stilletjes en verlegen te wachten op een reactie van de werkeloze winkelier die achter zijn toonbank uit z’n neus stond te vreten, het – waarschijnlijk – niet erg draagkrachtige ventje rustig negerend, tot er een wat ouder duidelijk goed in de slappe was stekend echtpaar binnenkwam. De winkelier wist in een tiende van een seconde een valse welwillende grijns op z’n kop te toveren, het kind met een virtuoze zwaai aan de kant te schuiven en met lichtsnelheid voor het echtpaar op te duiken: ‘kan ik u helpen? Of kijkt u even rond?’
Sympathiek volkje, die winkeliers.

Eerlijk = eerlijk
Toch moet ik eerlijk zijn, en niet alle winkeliers over één kam scheren, er zijn bepaalde winkels waarin het erger gesteld is dan in andere. De meest brute voorbeelden van onfatsoen, gedegenereerd winstbejag en tenenkrullende zelfvernedering kom je toch vooral tegen bij winkeliers in kleine plaatsen die winkels bestieren waarin dingen worden verkocht waarvan iedereen weet dat ze te duur zijn en waarvan iedereen evengoed weet dat je eigenlijk best zonder kunt. Een bakker, schoenmaker of slager is vaak beter te verdragen dan een radio- en televisiehandelaar of een reformwinkelhouder. Je kunt er zelfs van uitgaan dat je bij de laatste twee soorten winkels altijd een ander type (meestal een stuk onsympathieker) mens achter de toonbank zult vinden dan bij de eerst genoemden. De reden daarvoor is makkelijker dan gedacht: een bakker of slager oefent een vak, een ambacht uit, iets waar hij/zij een opleiding voor heeft gevolgd, wat enige geestelijke bagage veronderstelt; een reformwinkelier of stekkerboer oefent geen vak uit, die staat te wachten op slachtoffers.

Heropvoeden
Ik ga om al deze redenen eigenlijk altijd met zeer grote tegenzin een winkel in, maar toch kun je als klant zo’n typische winkelier met kruideniersmentaliteit best heropvoeden, het vergt niet veel meer dan een ander uitgangspunt: loop een winkel voortaan niet binnen met het idee dat je er naar binnen gaat om een bepaald artikel te kopen, maar zie zo’n winkelbezoek meer als entertainment.
Begroet de winkelier altijd eerst met een welgemeend “nou, dat zaakje van je loopt ook op z’n laatste benen hè?”, dan vraag je om iets wat hij zeker niet op voorraad heeft, vervolgens vraag je om hetgeen dat je eigenlijk moet hebben, dan ga je klagen over de uitvoering van het artikel: “hij is wel wat klein, hè? Ik vind de kleur niet mooi, heb je ‘m niet in een leuker motief? etc. Staat dan eindelijk het goede artikel op de toonbank, dan vraag je wat het kost, en roep je verontwaardigd: “dat is wel erg veel geld voor zo’n dingetje (ondertussen met een vies vingertje naar het dingetje wijzend), vindt u niet?”, en dan beweer je staalhard dat het bij zijn concurrent véél goedkoper is. Uiteindelijk ga je zuchtend en met veel fysiek vertoon van tegenzin akkoord met de aankoop. Na betaling loop je naar de uitgang, halverwege keer je om en vraag je de winkelier met een snauw of die ’t nog even wil inpakken. Na verloop van tijd zal de winkelier jouw gezicht bij binnenkomst herkennen, zal hij zich zo snel mogelijk van je aanwezigheid willen verlossen, en gaat hij zich dus eindelijk gedragen als een normaal en fatsoenlijk mens, zonder te vervallen in kruiperigheid en masochistische zelfvernedering.

Gerard Mutsaers

About gerard mutsaers