De Geschiedenis van mijn Welslagen, aflevering Hoofdstuk 1: De Terugkeer

Ze loopt over de Mariahilferstraat in Wenen op een dag in Mei. Ik meen zelfs dat het de vijfentwintigste is. In andere delen van de wereld knijpen vrouwen de ogen toe om te ontsnappen aan het scherpe licht in de straten; hun gebed, een stroom van zuchten, gonst rond het hart. Het is een van de eerste werkelijk warme dagen. De wind is nog fris; vensters staan open.
Een witharige met pagekapsel kijkt alsof ze van de zon schrikt, maar het is van een hond. Hij trippelt blij zonder baas tussen benen die hem tegemoetkomen. Pastelkleurige meisjes lopen bij een warenhuis naar binnen, ieder van hen met een lekkend ijsje in de hand.
Ze negeert de afstand die ze gaat, alsof ze in haar gedachte nog steeds in de keuken aan tafel zit, een sigaret rookt en zich voorstelt welke geur in haar mond achterblijft. Ze schiet in de lach en blijft staan.
Ik vertraag mijn pas, stoot tegen een ruitjesjas. De arm steekt in een afvalbak. De drager van de jas kijkt me aan, verwijt me zwijgend dat ik hem niet wil herkennen. Ik kijk weg van hem, zoek haar en vind haar niet. Het is een stap tot aan de prullenbak – een polystyreen bakje van McDonald, het servet hangt uit de opening, rood van ketchupvlekken.
De hond is teruggekeerd. Hij zit voor me, de rug naar me toe gekeerd. Van zijn tong druipt een slijmdraad. Ik twijfel tussen een aai over de kop, bij de snackbar naar binnen lopen voor een halve liter water in een groot CocaColakarton of toe te geven aan de verleiding en te ontdekken wat de aandacht van de hond gevangen houdt.
Auto’s verminderen vaart. Hun daken vormen een glanzend oppervlak – een bus schuift in beeld, een mok met Nescafé aan haar lippen, ze lijkt zowaar – de bus bromt. Rouwsluiers drijven langs de gevels.
Ze staat aan de overkant bij de ingang van een brillenzaak. Ze gaat naar binnen. Waarom was er dat moment van aarzeling? De verkoopster ontvangt haar – twee jonge vrouwen, zwart en blond. Je zou ze bij een toneelvoorstelling tegen kunnen komen – Ibsen , Bernhard, iets hedendaags en jongs. Hun aanwezigheid zou aan de voorstelling niets veranderen.
Ik haal een beker water bij een Slovaaks meisje, rode zonneklep, blonde paardestaart, een mond die nagloeit van de eerste lentekussen. Ze kijkt naar de hond en lacht begrijpend. Mijn hond? Neen, een kennis, hij is te verlegen om zelf te vragen. Spraakprobleem en misverstand veranderen de uitdrukking in haar gezicht. Haar ogen zijn weer op weg naar haar werk. De hond slapslapt twee keer. Het gaat niet van harte. Ik moedig hem aan meer te drinken. Goed dan, lijkt hij te denken, nog één slok – water spat op mijn hand. Hij trippelt weg zonder zich te bedanken. Ik leeg de beker in de goot, kijk bij de opticien naar binnen.
Ze zit op een stoel, halfprofiel – de ander loopt en praat, alsof ze in gedachten danspassen repeteert. Ze had toch geen bril nodig. Zonnebril? Het blijft leeg op haar neus.
De ontmoeting overbrugt jaren, zo lijkt het. De verkoopster is een vriendin van school, had geen zin om verder te leren, vertrok een jaar naar Majorca. Zo jong duurt een jaar een mensenlevenlang.  De blonde knikt een paar keer, lacht de lach van oude vriendinnen. Uiteindelijk neemt ze een zonnebril uit de rekken. Hij is zwart en groot als een blinddoek, dat zie ik zelfs van hier. Ik keer om en loop terug naar het Westbahnhof. De taxichauffeur begroet me met een gebod. Ik mag de kartonnen beker niet mee in zijn auto nemen. Dan pas besef ik dat ik het hele stuk heb gelopen met een lege beker in mijn hand.

De foto’s in haar keuken heb ik nooit begrepen – herkomst, tijd, verwikkeling zijn achter zwartwitte vlakken verborgen – Andalusisch wit, denk ik – soms, begeerlijk als de zomers van  nog niet eens zo lang geleden. Ze geeft nooit antwoord op de vraag of het haar lichaam is: de knie en het fietsestuur, de hals en schouder en de watertoren – en dan, op bed, of misschien toch een divan, in het door de gordijnen gefilterd licht, de schaduwen van Arabische motieven op haar huid.
Ik merk het als het stil is in de keuken; de ijskast zichzelf af en toe in de reden valt; ik mijn adem inhoud – een enkele auto rijdt voorbij, maar dat gebeurt zelden – dat ze aan het eind van de straat ophouden met wonen. Daar toont de tijd haar muizentandjes. De hele vorige herfst lang hebben we erover nagedacht welke kleur verf we het houtwerk van deur en ramen moesten geven. De seringen zijn lila, zei ik. En welke kleur is het, dit zoete en weemoedige, zei ze. We kozen voor de kleur der verandering. Woestijnzand, zei ze. Basalt aan de kust. Het licht onder een onweerswolk. We vonden iedere dag een ander antwoord.
Tenslotte werd het de kleur van versleten jeans. Maar dat herinnerde haar aan de studiebeurs, die ze nog moest terugbetalen. En toen vonden we de barsten en de afbladderende verf toch ineens heel mooi.
Soms wil ik haar verrassen en vraag hoe jong ze was toen de foto’s werden genomen. Ze laat zich nooit verrassen, onderbreekt niet wat ze doet: koffiezetten, tijdschriftbladeren, twee glazen uit een kastje nemen.
Ze verschijnt op het tuinpad, een grote zwarte zonnebril op haar neus. Ze heeft me gezien, schuift de bril over haar voorhoofd omhoog. Ik open de deur en loop haar tegemoet.

About rinus van alebeek