De Geschiedenis van mijn Welslagen, aflevering Hoofdstuk 2: De Omhelzing en Hoofdstuk 3: Oud IJzer

De Omhelzing
De tuinpoort staat op een kier. Dat zie ik, als ik haar omhels: een veel te groen gelakte houten poort. Na elke regenbui blijven er zandsporen op achter. In de landen rond de Middellandse Zee draagt de wind Saharazand naar de regengebieden: de horizon krijgt een buikige oranje kleur en als het opklaart zijn straten, planten, auto’s bedekt met de allereerste zandkorrels. Later, veel later zullen steden en dorpen door wandelende duinen worden verzwolgen. Hier in Wenen is de woestijn ver weg en toch wordt het door warrelende zandwolken bezocht, die vlekken op mijn tuinpoort achterlaten. Die vlekken wis ik met een degelijke oerongezellige doek af. Haar hand strijkt langs mijn slaap, beweegt voor mijn ogen – de wijsvinger groet de punt van mijn neus – zweeft naar het pootje van haar zonnebril, en eindigt als lui verpozend maar tevreden onderdeel van de arm, waarmee ze op mijn schouder steunt. De vraag, die ze met deze ene beweging aankondigt, is, of ik het huis in Frankrijk herinner. Ze stelt de vraag zoals de wind een keukengordijn kort tot bewegen brengt.

Haar tweelingbroer studeerde industriële archeologie. Zijn enthousiasme voor die studie uitte zich tijdens zijn zaterdagse bezoeken. Gezonde jongen, kortgeknipt zwart haar, ging sporadisch naar de disko, benutte het grootste deel van zijn tijd met huizenjacht. Op de keukentafel spreidde hij kaarten uit, toonde met een balpen zijn wandelroutes, zette kruisen bij bouwvallen. Hij illustreerde zijn verhalen met foto’s, later met diaprojecties op onze keukenkast. Tijdens een studiereis stootte hij in de buurt van Périgueux op de villa van de man die in Frankrijk de eerste duikboten in productie had genomen. Van de fabriek restte nog een muur, die het speelterrein van een lagere school afgrensde. De fundamenten moesten onder het asfalt van een parkeerplaats liggen. Hij was de kleindochter van de industrieel op het spoor gekomen. De mevrouw leek een beetje op Golda Meir, liep de hele dag in een schort. Haar huis stond vol met antieke vogelkooien, waarin echte en mechanische vogels hun trillers lieten horen. De foto’s van haar opa en zijn duikboten waren weggeborgen in een koffer. Hij kreeg ze pas te zien na zijn derde bezoek. De mooiste was van een duikboot die met paard en wagen door de straten van de stad werd gereden. Een andere foto liet zien hoe de eenpersoonsduikboot aan touwen boven de rivier hing. Ze was achter in de tachtig toen Jona haar voor het eerst ontmoette en drie-en-negentig toen ze hem de ruine van haar grootvaders huis naliet.

Ze antwoordt niet op mijn hoezo-vraag, loopt naar de keuken en verdwijnt in het huis. Tussen het gras groeien kleine margrietjes. Ik ontdek de tuinschaar, waarmee ik de vorige week de rozen heb gesnoeid. Ze keert terug met een fles wijn en twee glazen waarin zich onze kleine rimboe spiegelt. Zo was het op de eerste dag van ons verblijf in het Franse landhuis. Ik was op dezelfde manier gefascineerd door de helderheid van de weerspiegeling in de glazen: de glazen staan nu op tafel. Ze heeft ze daar in het dorp gekregen, in het restaurant waar we ons zat en vrolijk hadden gegeten aan mamans recept, waar ook een ingelijste foto van een eenpersoonsduikboot tegen de muur hing. De waard verzekerde ons, dat het een aloude traditie betrof:het geluk van het bruidspaar zou versterkt worden en tegelijkertijd zou er iets van achterblijven in zijn zaak. Sedertdien is de weerspiegeling in de glazen niet zonder dreiging. Ik verzwijg haar mijn misantropie, deze nachtgestalte die om het huis sluipt. Soms ontmoet ik hem, als ik word beschenen door het licht van de sterrennevels. Ik sta bij het raam. Zij slaapt. Mijn bovenlichaam is bezweet, wordt afgekoeld door de wind. Ik luister naar het geritsel van de bladeren; span me in, hoor meer geluiden uit de omgeving, een enkele auto, het gezoem van een luchtverfrisser, en dan bekruipt me plotseling de angst dat ik door dit horen elders terecht kom. ‘De toekomst klinkt anders,’ zulke reclameslogans jagen me de stuipen op het lijf. Ze breken het glas. En als dat breekt, zal ook zij een ander zijn.

Oud IJzer
De vulkaan geeft zijn asgedachten prijs. Plotseling is de lucht toegedekt met schaduwen. De bewoners van de stad richten het hoofd op. In de portefeuilles steken foto’s van hun kinderen, van hun geliefden; soms zijn het oude gegroefde foto’s van dierbaren die al lang geleden naar het graf zijn gedragen. Dan breekt de sluier, wordt gruis en bedekt de stad. Zwarte tranen vloeien over de wangen.

“Weet je het nog?” vraagt ze. “Ik weet het nog,” zeg ik. De straten van Catania raakten met een fijne laag toegedekt. Geen enkele plek van het asfalt bleef verschoond. “Maar dat anthraciet was niet de juiste kleur voor onze vensters,” zegt ze. “Nee, dat was het niet,” antwoord ik. Ze schenkt nog een keer onze glazen vol, nero d’avola.

Het glas brengt ze naar haar lippen; de bovenste rand blijft een fractie van haar neusbeen verwijderd. Ze neemt een slok en kijkt naar me. Donkere glanzende ogen heeft ze, ver van alle jaargetijden en rimpeltjes op haar vingers heeft ze ook. Ze zet het glas op het ijzeren tuintafeltje en ik weet dat ze aan de jurk met het verschoten bloemmotief denkt.

Ze had hem uit een bak met 10FFr-kledingstukken getild, bij de schouders tegen zich aan gehouden en langs haar borsten, langs haar heupen gekeken, een ingetogen dans op de markt opvoerend. Ze zei toen dat de bloemen Blauwe Regen waren en dat je erachter het vanillekleurige houtwerk van een serre kon zien. Maar daarvoor moest je heel goed kijken.

Ze had de jurk gekocht één dag voordat we in Périgueux zouden aankomen. Jona had een telegram gestuurd. ‘Badkuip gevonden – stop – Grote regens in aantocht – stop – spoedige overkomst noodzakelijk – stop.’ Het was nog te fris voor een zomerjurk, maar dat argument werd lachend genegeerd. De verkoper, een Algerijnse jongeling, deelde haar lach, gaf haar een plastic zakje en nam gelijktijdig het 10FFr-biljet uit haar hand. “Morgen zijn we honderdvijftig kilometer zuidelijker, je zult zien dat de zomer ons omhelst.” En zo was het. De avond na onze aankomst kregen we de twee glazen en de ochtend erna zouden we broerlief in het landhuis ontmoeten.

Het was na een tankstation links, dan bij een restaurant met perrierparasols rechts en na ongeveer drie kilometer tussen maisvelden rechts de zandweg op. Dan zouden we bomen zien en zodra we in de schaduw van die bomen waren, moesten we net zo lang toeteren, totdat we een antwoord hoorden. Zo gezegd, zo gedaan. Raampje opengedraaid en op antwoord gewacht. Dat klonk als een krachtig metaalgeluid.

De zandweg eindigde bij een ijzeren poort. In het hart van de poort was een wapenschild aangebracht, met daarop in relief een eenpersoonsduikboot. “Mooi, hè, zo begroette Jona ons. Hij sloeg een paar keer met een enorme Engelse sleutel tegen de onderkant van het schild. “Daar kun je een kanonskogel op afvuren.” Aan de grens van het landgoed was de tuin niet van het bos te onderscheiden, behalve dan dat tussen de bomen een hek lag met spitse leliepunten. Jona tokkelde nog eens met zijn sleutel aan de staven, alvorens de poort te openen. Vijf minuten later liep hij naast onze auto en vertelde honderduit. De motor gromde. Josephine leunde met haar onderarmen op haar schoot en keek uit naar het huis.

“Het huis is helemaal verroest,” riep ze. Ik stopte, keek met haar mee en zag een toren met een stomp koepeldak, als van een sterrenwacht. Ik parkeerde de auto voor een vervallen schuur, op tien passen afstand. We stapten uit en keken zwijgend naar het huis, dat inderdaad van ijzer was, oud ijzer.

About rinus van alebeek