De Geschiedenis van mijn Welslagen, hoofdstuk 5 De kuststreek

“De zee was azuurblauw, zo blauw als nog nooit door een mensenoog gezien” – hand verbergt het linkeroog- ; “Ooit zijn de kleuren veranderd, ze hebben hun intensiteit verloren, maar daarvoor bestond een goede grond. De zee was azuurblauw, het blauw vervulde de luchten, beheerste de golven” – hand dekt de mond toe, beweegt, vingers glijden langs de lippen, over de kin, omhoog naar de slaap, het hoofd rust in de hand – ; “De kleuren veranderden, verloren hun substantie en trokken zich terug in het licht- en daarom werden we uit dat licht geboren. Al is het niet waar; De kleuren deelden zich: Uit hun oorspronkelijke substantie werd de mens geboren. De zee was azuurblauw, zo blauw als door nog geen mensenoog gezien. Dicht bij de kust droegen de golven witte schuimkoppen, genadig wit. Het strand was verlaten, een niet zo breed zandstrand. Een paar boomstronken lagen er, een enkele verborgen onder een onduldbare schittering. De zee was zo blauw, zo vol van heimwee, maar ook van geluk. Het waaide, niet zo hard, niet ononderbroken – de wind kwam in golven, in strelingen, gedachteloze strelingen.”

“Dan, een hand op mijn schouder, de hand van een kind, maar de beroering van een volwassene – en ik wist dat zij het was” – hand dekt de ogen toe, wrijft over het rechteroog, tranen? – : “Haar hand, haar hand toen ze nog een kind was, misschien zes jaar oud, misschien vijf. Maar de druk is van een volwassen vrouw, de liefde, de zorg, de ommanteling, nu woorden, vroeger kleuren, kleuren die in een houtvuur schuilen, daarom kunnen we er uren naar staren, kleuren, woorden, verscholen in een handpalm. Dan verdriet, en geluksstromen; Het wordt zo licht, zoveel geluk dat ik dit verdriet heb gemist, dat dit verdriet niet in me is gegroeid – en ik weet niet welk verdriet het is, of waarvan het komt. Ze omhelst me, en de zee verdwijnt, en zij verdwijnt, het gevoel blijft, totdat ik besef dat ik in zo’n stomme badkuip lig.”

De badkuip was de reden dat we meer dan duizend kilometer westwaarts waren gereden. Onderweg had Josephine opgemerkt dat een zuidwaartse trek – “met de kraanvogels mee”- ons na evenzovele kilometers tot aan de poorten naar Azie had gebracht. Toen leek Frankrijk ineens heel dichtbij, de eerste kilometers in die richting begonnen al in de supermarkt bij de kaasafdeling. We hadden Jona gevraagd om bij zijn huizenjacht naar een badkuip uit te zien. Tijdens het wachten veranderde de tijd; Onder onze handen werd ze een hoogglanspagina uit een tijdschrift: Iedere pagina verdween met licht geruis, liet in de vingertoppen een korte herinnering na, op ons netvlies badkuipen, van marmer en van koper, met leeuwevoeten en met de beeltenissen van Griekse dames die een kruik water op hun gepolijste hoofd droegen, druiveranken. We waren benieuwd naar de badkuip van Jona.

Toen na een storm de antenne geknakt in de tuin lag, pal naast het tuinhuis, was mijn eerste gedachte niet dat we al jaren geen televisie meer hadden. Josephine zei jaren later, ze dacht er tijdens een van de ontbijten in ons leven zomaar aan, dat ik naast de antenne had gestaan als een ingenieur die zich voor een onmogelijke opgave zag gesteld. In feite dacht ik toen aan de stralen die het ding had opgevangen. De wasrekconstructies die aan de zinken pijp waren bevestigd, met zijn voelsprieten die naar de stemmen hadden getast, ergens leek het erop dat leven verloren was gegaan. En toen had ik naar het dak gekeken, waar de antenne tot de vorige dag had gestaan, en had Josephine in onze slaapkamer gezien, een grote tulband op haar hoofd, een badhanddoektulband. Ze had de satijnen kamerjas gedragen, die met de flamingo’s, en die had ze opengeslagen, en toen wist ik dat ik een badkamer zou bouwen, precies op de plaats waar de antenne had gestaan, een mooie torenkamer met uitzicht naar alle windstreken, omdat ik haar lichaam en die glimlach achter het venster niet vond passen bij de douchecabine waar ze zojuist vandaan was gekomen, ook al had hij mooie zeeblauwe tegeltjes met tekeningen van schelpjes erop.

In het ijzeren huis dat Vincent Laboré niet ver van zijn stadje had laten bouwen, al is construeren een toepasselijkere benaming, konden vele vormen worden herkend. Als model maar ook als idee had echter de Indiase ‘lingam’ gediend, het manlijk vruchtbaarheidssymbool. De ontwerper was een voormalige collega van Gustave Eiffel geweest, Daniel Lessier. Deze laatste had met de gietijzermodernist gebroken omdat hij zich niet kon verenigen met diens filosofie, die hij als middeleeuws en Rooms-Katholiek retrofuturisme verwierp, in een tijd dat het begrip ‘futurisme’ nog jaren op zijn eindbestemming in vlammend geschreven manifesten moest wachten. Lessier was naar Indie vertrokken en had slechts sporadisch contact met zijn landgenoten, die de reis dwars door het zuiden naar Kerala maakten om hem te ontmoeten, nadat ze in Pondicherri van hem hoorden spreken. Zo ook Vincent Laboré. In Madras verkocht hij zijn eenpersoons duikboten, die de Engelsen inzetten bij de kustbewaking. In Madurai liet hij zich een pak aanmeten en bezocht hij de tempels. Op de rug van een olifant reisde hij met zijn geliefde Dorothy naar Pondicherri, kocht daar wierook in en hoorde verhalen over een man die in andere tijden zag. We schrijven het jaar 1911. Lessier noemt zich swami Dirva. Dirva kon men vertalen met ‘hij die in andere sferen is en daar stemmen opvangt.’ Het moeten vele stemmen zijn geweest. Vincent bleef drie maanden en keerde met de eerste bouwtekening van dit huis terug. Hij bezocht swami Dirva tot aan diens dood in 1923 en keerde van iedere reis met bouwtekeningen terug die de oorspronkelijke aanvulden. Het lingamhuis was in 1925 klaar voor bewoning.

“En jouw badkuip is een van de laatste ontwerpen van de persoon die in andere sferen stemmen opving.”
We hadden vijf flessen wijn gedronken, maar ik was nog niet zo teut dat ik Vincents verblijf in de woestijn was vergeten. Jona verklaarde laconiek dat Vincent na ieder bad een biografie rijker was en vervolgde zijn verhaal.
Het afscheid van Eiffels idee markeerde een keerpunt in de geschiedenis. Eiffel volgde het lineaire vooruitgangsidee, propageerde het concept van ‘het geluk als constructie’ en verloor zich in het toegepaste symbolisme van de differentiaalrekening en het assenstelsel van ijzer en staal. Lessier was zich bewust van een ander tijdsverloop, en verklaarde dat met het atomaire model. Hoe verder ieder van de tijdskern verwijderd raakte, hoe onzichtbaarder de alledaagse realiteit werd, tot op een punt dat men uitvluchten kon maken naar een individualistiekogene zone. Als swami Dirva vertrok hij daadwerkelijk naar andere sferen. Vincent verhaalde vaak van zijn ervaringen. Dirva vertelde, een licht zingzangende melodie in zijn zachte stem. Het verhaalde werd zichtbaar, als een film op een doek geprojecteerd. Maar de figuren uit de verhalen keerden zich naar de toeschouwer, onderhielden zich met hen. Dirva verliet zijn zetel en liep deze imaginaire wereld binnen, nodigde de toehoorder uit hem te volgen, met als enig resultaat dat die zich een buil op hun voorhoofd haalden, als gevolg van de onzachte aanraking met de muur. Dirva stond op het punt het geheim van de geofysische transcendentie te horen. Het is echter te bevrezen dat hij dit geheim nooit heeft opgeschreven.

About rinus van alebeek