Gisteren, of: veiligheid …

Gisteren tegen het eind van de middag dronk ik met sax speler Jean-Jacques
Duerinckx een palmpje in brasserie La Fourmilière, niet ver van het station
Kapellekerk in Brussel. Een wat versleten ogende waardin zat er naast de toog
aan een evenzo versleten tafeltje, achter een metalen bordje waarop in zwarte
letters het woord ‘Réservé’ dreigde.

Ze rookte als een schoorsteen, genoot in stille teugen van ook zo’n koepeltje bruin
bier en hield er nauwlettend het personeel in de gaten.

Toen viel er plots een triootje agenten de bar binnen.

Alledrie met in zwarte letters ‘Politie’, maar ook ‘Police’, op de rug
en ook elders nog geschreven.
Alledrie zwaar bewapend, tenminste zo voelde dat.
Twee kerels. Eén groot, dik en rond, de ander lang, spichtig en ongeschoren.
Maar vóorop ging een vrouwtje, heel klein en mager op een buiten alle proporties
geschapen achterwerk na.
Met de hand op de holster liet ze nerveus haar ogen langs alle wanden en hoeken van de gelagkamer schieten. De kerels sjokten wat gelaten achter haar aan.
( Wel hadden zíj – het moet gezegd – allebei een kogelvrij vest aan.
Het vrouwtje niet, dat was gewoon in d’r overhemd. (Gesteven.) )
“Waar is-t-ie? Waar is-t-ie dan?” gilde de agente.
Haar dikke collega lachte wat schaapachtig in onze richting, grabbelde met zijn
worstenvingertjes een tandenstoker uit het plastic bakje op ons tafeltje en
stopte dat houtje tussen zijn voortanden.
“Waar is-t-ie dan, hein ?” Haar blik viel op de waardin, die een nieuwe peuk
opstak en verveeld de rook naar het plafond toe blies.

“Allang weer de deur uit, natuurlijk,” zei de waardin, “als jullie nou pas komen …
Ik zou maar eens buiten kijken. Buiten moet je kijken!”
De barman had ondertussen snel twee fluitjes pils getapt en veegde even met een
vaatdoek het houtwerk schoon. Met een korte knik in de richting van de
politiemannen zette hij de twee glazen op de tapkast.

“Om wie gaat het? Hoe ziet-ie d’r uit? Hebt U een beschrijving, heeft U namen?” vroeg de agente luid en nerveus, terwijl ze nog steeds constant om zich heen spiedde alsof ze
verwachtte elk moment van alle kanten besprongen te zullen worden.
De mannen pakten beiden hun pilsje en deden een dronk, in unisoon en in de
maat, waarop de waardin luide zuchtte.

“Natuurlijk dat ik een naam weet,” zei ze. “Ik heb vorige week al aangifte gedaan.
Diefstal van kredietkaarten, diefstal van mijn gsm. Het kreng! … ’t Is mijn
dochter! … Ver kan ze niet zijn. Kijk maar eens buiten!”

Besluiteloos keek de agente naar de waardin die haar al maar rokend strak
en met nauwelijks een uitdrukking op het gezicht in de ogen tuurde.
Toen keek ze weer in de rondte, naar het plafond, naar de deuren naar het
toilet en tenslotte naar haar collega’s die aan de tap hingen en daar hun
fluitjes al leeg hadden.
Ze wenkte hen met een korte felle beweging van haar hoofd en stapte met
veel te grote passen voor zo’n klein vrouwtje op de deur af, terug naar buiten toe.
De twee mannen sjokten achter haar aan.

Het was gisteren koud in Brussel, en het regende er de hele dag.
Toen Jean-Jacques en ik ons palmpje op hadden en ‘La Fourmilière’ verlieten
hingen die drie agenten er zowaar nog steeds buiten op de stoep rond. Ze keken
naar links en naar rechts, en naar de overkant van de straat. De dikke ronde
nam zijn pet af en krabde op zijn hoofd. Hij knikte ons vriendelijk goedendag.
Het vrouwtje was doorweekt. Haar overhemd plakte aan haar lijf, en in het
licht van de lantaarnpaal zag ik de ribbelende franjeltjes van een donker
beehaatje. Een heel klein maatje, schatte ik zo op het oog.

Haar hand rustte steeds nog op haar holster.

Wat een veilig gevoel was dat …

(jk harsman, vanuit huis
– Vincennes, Frankrijk)

About j.k. harsman